Den Haag, 4 sept. Alleen twee hoge fabrieksschoorstenen verraden dat er aan de rand van het centrum van Den Haag nog altijd energie wordt opgewekt. De elektriciteitsfabriek ligt verscholen in een woonwijk. Het voormalige kantoorpand van de fabriek moet volgens de gemeente dé culturele broedplaats van Den Haag worden. Vandaag is de officiële opening van de DCR – verwijzend naar het adres van de fabriek (De Constant Rebecqueplein).
Al heeft Den Haag diverse kunstopleidingen, zoals de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, de stad slaagde er nooit goed in om de kunstenaars na hun studie vast te houden. Het wat suffige imago van Den Haag speelt een rol, maar ook het gebrek aan goedkope werkruimte. „We hadden wel overal in de stad plekken waar mensen mooie dingen deden, zoals in kraak- en antikraakpanden. Maar die waren niet echt georganiseerd”, zegt de Haagse wethouder van Cultuur en Financiën Jetta Klijnsma (PvdA).
Daarom geeft de gemeente jonge kunstenaars nu zelf een plek waar ze zich verder kunnen ontwikkelen. Ongeveer de helft van de 2,5 miljoen euro die in de DCR is geïnvesteerd komt van de gemeente. Het is belangrijk om de jonge kunstenaars en andere creatievelingen voor de stad te behouden, vindt Klijnsma. „Het zijn geen huis-tuin-en-keukenmensen. Ze geven kleur aan de stad.”
Vooral sinds de Amerikaanse econoom Richard Florida de creatieve klasse als een economische drijfveer omschreef, is het denken in Nederlandse steden veranderd. Amsterdam heeft sinds 1999 een ‘broedplaatsenbeleid’, waarin tot nu toe bijna 40 miljoen euro is geïnvesteerd.
In een broedplaats kunnen kunstenaars van verschillende disciplines en aan kunst gelieerde bedrijven zich tegen lage huren in één pand vestigen en elkaar inspireren. Dat geldt zeker voor schilder Arnoud Dijkstra. Aan de muur van zijn atelier hangen grote witte vellen met alle kleuren van de regenboog, door Dijkstra omschreven als ‘misprints’. De schilder werkt veel samen met andere kunstenaars op zijn etage. Hij wilde al heel lang een website, maar kon die niet zelf maken. „Toen ben ik naar beneden gelopen, waar allemaal vormgevers zitten.”
Ook beeldend kunstenaar Joncquil de Vries vindt dat de broedplaats werkt. „Op de gang kom ik veel andere kunstenaars tegen, dat is een enorme verrijking.” Voor in de DCR geïnteresseerde kunstenaars gold de eis zich open te stellen voor samenwerking met anderen. Klijnsma vindt dat de „interdisciplinaire actie” beter zou kunnen. De kunstenaars sluiten zich volgens haar nog te veel op in hun werkkamer. De Vries vindt dat de gemeente realistische verwachtingen moet hebben bij de resultaten van de DCR. „Een broedplaats is geen snelkookpan.”
Jan-Maarten Luursema van het Platform Haagse Broedplaatsen stelt dat broedplaatsen „gebaat zijn bij vrijheid”. Hij vindt dat de gemeente vooral moet „faciliteren, niet controleren”. Er moet meer ruimte beschikbaar worden gesteld zonder beknottende regelgeving. Ook in Amsterdam klinken vooral uit de krakerswereld al langer kritische geluiden over het broedplaatsenbeleid. Creativiteit zou niet van bovenaf opgelegd moeten worden.
Volgens Luursema dreigen vele van de ongeveer twintig ‘onofficiële’ broedplaatsen te verdwijnen. Die zijn meestal spontaan ontstaan in een gekraakt pand, niet op initiatief van de overheid. Sommige broedplaatsen zijn wel door de gemeente aangewezen. Toevallig is Luursema zelf net zijn spullen aan het verhuizen, omdat hij en zijn medebewoners niet langer konden blijven in de – door de gemeente ter beschikking gestelde – voormalige Huishoudschool aan de Laan van Meerdervoort. In afwachting van een nieuwe locatie bezetten de krakers een leegstaande kerk in Scheveningen.
Klijnsma zegt zich verantwoordelijk te voelen voor de krakers. Als een kraakpand een andere bestemming krijgt wil de wethouder helpen een nieuwe plek te vinden. „We gaan het alleen niet op een presenteerblaadje aanbieden.”

AEX: 310,03 




