„U had nooit eerder zin om naar dit festival te komen. Wat bracht u hier?” „British Airways.” De toon was gistermiddag onmiddellijk gezet op het moment dat schrijver Salman Rushdie (1947) en interviewer Emile Fallaux, hoofdredacteur van Vrij Nederland, neerploften op de comfortabele leren fauteuils op het podium van Theater Diligentia in Den Haag. „Ik hoor dat u steeds vaker gastrolletjes speelt in films. Wat is u laatste rol? „In Then she found me speel ik de gynaecoloog van Helen Hunt.” „Is het moeilijk om zo’n beroemd schrijver te zijn?” „Helemaal niet. Het maakt het juist een stuk eenvoudiger om een tafeltje te krijgen in een restaurant.”
Het langverwachte interview met de eregast op de vijftiende editie van het Crossing Border Festival, dat bijna anderhalf uur duurde, was eigenlijk geen interview maar een prikkelende stand up comedy show tussen schrijver en interviewer. Fallaux vuurde op een subtiele manier een reeks vragen op Rushdie af. En de schrijver beantwoordde ze, behendig en professioneel, en wond daarmee het publiek moeiteloos om zijn vinger.
Voor degenen die in de zaal zaten, leek alle commotie rondom de veiligheid van Rushdie (de locatie waar het interview zou worden gehouden werd tot een dag voor aanvang geheim gehouden en iedere bezoeker moest zich bij aankomst legitimeren) als sneeuw voor de zon verdwenen. Wie, eenmaal binnen, luisterde naar de speelse grappen die uit de mond van de Britse schrijver rolden, vergat totaal dat hier op het podium een man zat wiens leven, nog altijd, dagelijks in gevaar is.
Het werd, naarmate het interview vorderde, ook duidelijk dat Fallaux had besloten om Rushdie nu eens niet te ondervragen over het leven dat hij heeft moeten leiden sinds ayatollah Khomeini in 1989 een fatwa uitsprak vanwege de verschijning van The Satanic Verses (De Duivelsverzen). Ook werd er met geen woord gerept over de recente doodsbedreigingen, afkomstig van Britse moslimextremisten, die Rushdie te verduren heeft gekregen sinds hij in juni dit jaar werd geridderd door koningin Elizabeth. Ook de weigering van de Nederlandse regering om Ayaan Hirsi Ali in het buitenland te beveiligen, waarover Rushdie samen met auteur Sam Harris begin oktober een boze open brief in de Los Angeles Times publiceerde, werd niet bediscussieerd. Zelfs de recente scheiding van zijn vierde vrouw, het 37-jarige voormalige model Padma Lakshmi, bleef onaangeroerd. Want deze avond diende maar één doel: de literatuur. En daar sprak Rushdie dus uitvoering over, op een charmante, ontspannen en openhartige manier.
Zo legde de schrijver uit waarom de grootouders van zijn moeders kant – het boek Shalimar the Clown (2005) is aan hen beiden opgedragen – zo belangrijk voor hem zijn geweest. „Mijn grootvader was een huisarts in Noord-India. Hij was een religieus man. Hij ging op pelgrimstocht naar Mekka en bad vijf keer per dag. Maar als ik zei: God bestaat niet, ging hij ervoor zitten om erover te praten. Alles was bespreekbaar. Die houding van hem heeft veel invloed op mij gehad.” Om er vervolgens met een paar snelle bijzinnen aan toe te voegen: „Met mijn grootmoeder moest je trouwens erg uitkijken. Dat was een heftige vrouw. Die heeft een keer een fotograaf bijna doodgeslagen met zijn eigen camera. Er bestaan dan ook weinig foto’s van haar.”
Ook vertelde Rushdie uitgebreid over zijn nieuwe roman The Enchantress of Florence, dat in het voorjaar van 2008 zal verschijnen. Het is een verhaal dat zich afspeelt in Italië en India in de zestiende eeuw. „Die beide werelden fascineerden mij al heel lang. Ik wilde ze samen brengen. Ik kwam erachter dat er gedurende de renaissance zowel in Europa als in India humanistische filosofieën werden ontwikkeld. Bovendien werden, in beide culturen, de vrouwen uit de hogere klasse opgesloten. De rol van de courtisanes werd enorm belangrijk. We hebben altijd zo’n verheven idee over het leven gedurende de renaissance. Maar als je de geschiedenis erop naleest is het helemaal niet zo. Integendeel. It was dripping with sex.”
Wel wist Fallaux op subtiele wijze toch nog een vraag te stellen over ‘het belang van het debat in een democratie’ en daarmee, indirect, Rushdie een paar uitspraken te ontlokken over het belang van de vrijheid van meningsuiting in het Westen. „Democratie is geen theekransje,” legde de auteur beslist uit. „Het is heel goed om rustig een debat te voeren. Ik ben ook een beschaafd iemand. Maar het is nog beter als je kan zeggen: ik ben bot, jij bent bot, laten we er vooral niet omheen draaien.” Fallaux: „U bent voor absolute vrijheid van meningsuiting?” Rushdie: „Jazeker. Mensen zijn sprekende dieren. We gebruiken de taal om onszelf te begrijpen. Dat is ons fundament.” Het Westen is volgens Rushdie beland in een periode waarin we bang zijn om elkaar te beledigen. Deze ‘culture of offence’ vindt hij gevaarlijk. „Er zijn zoveel dingen die mij beledigen. De boeken van Dan Brown bijvoorbeeld. Maar toch moet hij blijven leven.”
Op het einde stelde Fallaux toch nog één hele directe vraag: Heeft u wel eens een terrorist ontmoet? „Ja, in Dublin op een literair feestje. Een vrouw kwam naar me toe lopen. Ze zei: Er is ons gevraagd of we willen meewerken. Maar we hebben besloten u niet te doden. Ik vroeg: wie is ‘we’. Ze zei: you know fucking well who we are.”
Na het interview wilde Rushdie, vlak voordat hij ging dineren met zijn Nederlandse uitgever, toch nog uitleggen waarom hij de beveiliging van Hirsi Ali liever niet ter sprake brengt. „Iedereen weet al wat ik ervan vind. Dit festival gaat over literatuur. Bovendien heb ik besloten dat ik voorlopig de polemiek in de kranten wil mijden.” Maar waarom beschuldigde hij de Nederlandse regering er dan toch van het voormalig parlementslid te hebben ‘overgeleverd aan de fanatici’? „Dat was een vriendendienst. Ik ken Ayaan nog niet zo lang. Maar ik vind haar erg aardig. Ik wilde dit graag voor haar doen.”

AEX: 341,95 




