‘Kloten van de engel’. Zo noemde Tijs Goldschmidt (1953), schrijver en bioloog, zijn nieuwe bundel tintelende essays. Die titel is ‘vulgair’ zo is hem al verweten.
Maar „een engel is niet vulgair” zegt Goldschmidt. En bovendien dekt die titel het onderwerp van zijn beschouwingen: „Ik wil met dit boek culturele verschillen op een biologische manier benaderen. Nou, een engel is een cultureel verschijnsel bij uitstek. En er is weinig biologischer te verzinnen dan een kloot. Ik vind kloten geen akelig woord. Bij ‘Kloten van de engel’ kun je denken aan kloten van de bok. Denk je nog een stap verder dan wordt die engel een satyr. En je vraagt je af of ‘kloten’ hier een zelfstandig naamwoord is, of een werkwoord. Het kloten van de engel? De kloten van de engel?”
Wie het boek leest, kent het antwoord: allebei. Het beschrijft het ruïneren, het verkloten van de wereld. En het bezingt de daadkracht van mensen die hun fantasie volgen. Gevoed door een engel met ballen, zou je kunnen zeggen.
Het eerste essay van zijn boek opent met de engel die beeldhouwer Jacob Epstein maakte voor het graf van Oscar Wilde op Père Lachaise in Parijs. „Epstein voorzag die engel van een lulletje en kloten”, vertelt Goldschmidt. „Een commissie vond dat onfatsoenlijk en liet een tijdje een scherm om het graf plaatsen. Later werden de engelenkloten geliefd. Zo vaak werden ze gestreeld dat ze mooi gingen glanzen.”
Dat ging goed tot 1961, en toen ging het goed verkeerd. Twee vrouwen beslopen het beeld, met een beitel in hun tas. Ze gingen de engel te lijf en hakten zijn ballen eraf. Goldschmidt las dat een hovenier ze opraapte. „Daarna deden ze in het kantoor van Père Lachaise dienst als presse papier.”
Met de geschiedenis van de ontmande engel leidt hij een cultureel betoog over iconoclasme in. Soepel haalt hij allerlei vormen van beeldenstorm op, de suffragette die een naakt van Vélasquez vernielde, het met een dollarteken bekladde schilderij van Malevich, de messneden in Newmans Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue, en verbindt ze. De daders vergelijkt hij met paarden die opzettelijk over de stront van concurrenten heen poepen, met ‘vijgentorens’ als resultaat.
Met zijn beschouwingen wil Goldschmidt de kloof tussen alfa- en bèta overbruggen, want die scheiding vindt hij „een gemis”. Hij zoekt verbindingen: „Ik word de missing link. Ik wil met mijn essays mensen die schrikken van de naam van een gen ongemerkt iets laten begrijpen waarvan ze denken dat het niets voor hun is. Ik ben zelf een hybride. Ik koos voor gymnasium alfa omdat ik verliefd was op een meisje dat alfa deed. Toen zij me niet wilde, ben ik overgestapt naar bèta.”
Het verbaast hem dat geen bioloog zich eerder heeft geïnteresseerd voor iconoclasme, want dat ligt volgens hem voor de hand. „Het lijkt erop dat de oorsprong van zulk gedrag een hiërarchisch probleem is. Iemand die zich miskend voelt, is uit op het verhogen van de eigen status. Hij wil als het ware een meerdere overschrijven. Ik verbeeld me niet dat mijn verklaring afdoende is. Mensen zijn ingewikkelder dan chimpansees en iconoclasme kan meer inhouden dan vernedering. Soms is het een element in het maken van nieuwe kunst, zoals Robert Rauschenberg die een tekening van Willem de Kooning uitgumde, en dan kun je het als iets positiefs zien.” Maar dat biologie en beeldenstorm niet eerder werden gecombineerd ligt aan iets anders: de traditionele scheiding tussen mens en dier. Ook in zijn eerdere essaybundels verzet Goldschmidt zich daartegen. „Die kloof is geforceerd. Ik stoor me eraan dat de mens per definitie boven het dier wordt gesteld. Dat moet ophouden. De overgang tussen mens en dier ligt gradueel. Vind ik. Maar soms verander ik even van gedachten.”
Bijvoorbeeld in zijn reactie op de Indiase schrijver Amitav Gosh. Die zette zich af tegen de stichting van een tijgerreservaat toen dat betekende dat de oorspronkelijke bewoners uit het bewuste gebied verdreven werden. „Gosh vond het idioot om hen te verwijderen ten behoeve van stadse mensen die tijgers willen bekijken. Dat zijn we eens. En toch maak ik me zorgen over die tijger. Want die oorspronkelijke bewoners gaan jagen. Dat hebben ze altijd gedaan, en ze doen het inmiddels met vuurwapens, want ze gaan met hun tijd mee. Ik kies voor de tijgers, en dus even vóór die kloof.”
Een voorbeeld van iemand die losjes omsprong met de scheiding tussen mens en dier was Dian Fossey, de gorilla-onderzoekster die een vorm van vriendschap onderhield met een lid van de gorillagroep die zij bestudeerde. Goldschmidt ontmoette haar in Rwanda. „Ik denk dat zij echt verliefd was op die gorilla. Zij dacht er misschien zelf anders over, maar zo zag het er voor mij uit. Ik vind dat zo vreemd niet, als je achttien jaar lang in het regenwoud zit. Bij deprivatie pas je je eisen aan. Een stekelbaars baltst desnoods een luchtbel.
„Ik kan me voorstellen dat het overbruggen van zo’n barrière aantrekkelijk is voor vrouwen. Een geëmancipeerde man die kookt, achter de kinderwagen loopt, en niets liever doet dan over zijn gevoelens praten, kan een goede levenspartner zijn. Maar dat maakt van hem seksueel nog niet per se de meest opwindende man. Fossey’s gorilla was niet zo maar een aap, het was de silverback die aan het hoofd van de groep stond.”
Hij vindt dat Yvonne de Horde, de vrouw die werd verwond door de ontsnapte Blijdorpgorilla Bokito, werd versleten voor als een hysterica met een ongezonde voorkeur voor een aap. Hij wijst erop dat Bokito waarschijnlijk een laaglandgorilla is. Blijdorp had moeten weten dat het een kwestie van tijd was eer het dier over de gracht om zijn verblijf heen zou komen, want „laaglandgorilla’s zoeken vaak hun voedsel in het water”. Maar los daarvan: „Spelen met een gorilla, het glas zoenen, oogcontact maken, het gebeurt allemaal erg gemakkelijk.” Het wordt in de hand gewerkt, legt hij uit, door de kwasiwetenschappelijke televisiefilms die zulke apen voorstellen als een soort mensgelijke knuffels. En ja, ook door Dian Fossey die er geen geheim van maakte dat ze de gorilla’s aanraakte.”
Nee, van het omgekeerde, man wordt verliefd op apin, heeft hij nooit gehoord. Ook al zijn volgens Goldschmidt veel mannen „de weg kwijt” , weten ze niet of ze „echte mannen” mogen zijn of toch maar liever niet, de mensenman die zich aangetrokken voelde tot een mensapenvrouw is hem niet bekend. Alhoewel: „Ik kreeg van een wilde chimpanseevrouw in Gombestream eens een handkus en daardoor was ik wel geraakt.”
Maar een geschikte aap is hij toch niet, meent hij: „Ik heb een afkeer van macho’s, die vind ik dom en afstotelijk. Mannen in een groep trekken me niet. Ik ga mijn eigen gang en dat word je in zo’n groep niet in dank afgenomen. Dat ik niet zo nodig hoef te domineren zal een bioloog trouwens duiden als de eigenschap van iemand die ongeschikt is als leider.”
Het maakt hem des te geschikter als schrijver. Hij kijkt van een afstandje, hij denkt na, associeert vrij, combineert zoals hij dat wil en weeft een web waarin hij zijn lezers vangt en verwart. Wat hij schrijft, klinkt behoedzaam en vriendelijk. Maar zijn werk lijkt doortrokken van gêne over wat daders aanrichten, en van weerzin tegen vernedering, van het dier en van de mens.
„Nee”, zegt Goldschmidt, „dat is het niet helemaal. Ik wil ook wraak. Wraak mag niet maar het helpt wel. Het kan een depressie verhelpen, het maakt iets goed. Een Indisch kampslachtoffer vermoordde zijn Japanse beul en hij was zijn schaamte over de vernederingen grotendeels kwijt. Ik heb van huisuit meegekregen dat ik niet mocht opvallen. Wees gecamoufleerd, leerde mijn vader me. Wees de slimste, maar laat het niet merken. Ga conflicten uit de weg. Ik haatte die slachtofferhouding, die gelatenheid heb ik moeten bedwingen. Ik heb mezelf moeten dwingen om mijn eigen gevoel toe te laten en in te zetten voor mijn essays.”
Hij schrijft non-fictie, hij hecht eraan dat te benadrukken. „Ik check de feiten, wat ik schrijf, klopt. Maar ik neem geen afstand tot de lezer. Ik word door hetzelfde geraakt als hij, ik voel me niet verheven boven gezwijmel over een ijsbeer en een hond die tegen alle natuurwetten in samen spelen. Ik heb ooit al mijn biologieboeken weggedaan. Die zijn weer terug. Ik vond ze te interessant om het zonder ze te doen. Ik moest niet van de biologie af, besefte ik, maar van mijn academische manier van denken en schrijven.’’
In een van de hoofdstukken van Kloten van de engel propageert Goldschmidt iets wat hij ‘vaag denken’ noemt. Het gaat om associëren, om een onderwerp dichterlijk benaderen. Iets dergelijks trof hij aan in de studie Homo ludens (1938) van Johan Huizinga: „Hij stelt vast dat je veel moet lezen en veel moet denken en veel notities moet maken. Maar ga je schrijven dan moet je proberen om je gedachten bij voorkeur uit je hoofd te formuleren. Het hoeft allemaal niet zo nauwgezet en degelijk, je kunt beter proberen de essentie te raken.”
Homo ludens, Huizinga’s ‘proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur’ waarin deze op uiteenlopende terreinen, van sport tot de rechtspraak, de rol van spel en spelen onderzocht, is het uitgangspunt voor de aanstaande Huizingalezing van Tijs Goldschmidt: ‘Doen alsof je doet alsof’.
Een maand of drie terug hoorde hij tot zijn schrik dat de Universiteit van Leiden deze herfst een studium generale zou wijden aan Homo ludens. Allerlei wetenschappers nemen het onder de loep in een lange serie lezingen. Zou er nog iets voor hem overblijven? Zijn vrees bleek ongegrond. Er zijn in Leiden voordrachten van een theoloog, van een socioloog, een bestuurskundige, een psycholoog, van historici, noem maar op. Niet één van een bioloog.
„Dat bevestigt mijn idee dat de mens consequent van de natuur wordt gescheiden”, zegt Goldschmidt. „Huizinga doet dat zelf ook, maar hij is zich ervan bewust. Hij erkent dat er biologisch gezien interessante kanten aan het spel zitten, maar hij schrijft zich te willen beperken tot de culturele aspecten.
„Voor mij gaat Homo ludens over het belang van doen alsof. Als je speelt ben je iemand anders, dat is de afspraak. Spel wordt bepaald door rolwisselingen: kijk maar naar spelende honden, een inferieur kan achter een dominant aanzitten, en omgekeerd, en weer omgekeerd. Dat ziet er aantrekkelijk uit, daardoor weten we wat spel is en wat niet. Vergelijk het met het liefdesspel, dat is iets anders dan porno. Porno is geen spel. Het ziet er onaangenaam uit: mechanisch gebonk, een scheut sperma in een vrouwengezicht. Het is om klaar te komen, niet om te spelen.
„Huizinga heeft allerlei dingen erg goed gezien. Spel omschrijft hij als buiten de sfeer van het normale treden. Hij heeft het over het steekspel in een rechtszaal, over schimpwedstrijden tussen dichters. Volgens hem gaat spel over virtuositeit. Ik zou zeggen, spel is altijd dat je op elkaar reageert.
„Huizinga speculeert over rites. Ik kan laten zien hoe spel tot een rite transformeert. Ik wil de biologische kant van het fenomeen wedstrijd bekijken. Waarom maken mensen van alles een wedstrijd? Waarom zijn er altijd twee partijen en nooit eens vijf? En waarom bestaan er sportclubs? Zulke clubs zouden wel eens terug kunnen gaan op heel oude menselijke eigenschappen. Als je Homo ludens op die manier leest dan is er nog veel te doen.
„Konrad Lorenz – hij was een fantastisch dierwaarnemer – achtte sport nuttig. Het zou de menselijke agressie in banen leiden. Die agressie beschouwde hij als aangeboren, wat weer een soort excuus werd voor het geweld van Duitsland in de Tweede Wereldoorlog. Lorenz kan zeggen wat hij wil, een sport als voetbal leidt juist tot agressie. Hooligans spreken af voor een veldslag na de wedstrijd en volgen daarmee eeuwenoude tribale vormen. Voetbal neemt religieuze trekken aan. De spelers zijn ‘godenzonen’ en je kunt iemands as verstrooien op de oorspronkelijke Ajaxgrasmat want die is overgebracht naar een Amsterdamse begraafplaats – het spel gaat over in cultus.
„Spelen vraagt het vermogen om je in een ander te verplaatsen. Een bepaalde intelligentie is vereist, anders kun je het niet. Sociaal spel is echt iets voor zoogdieren, voor buideldieren en slimme vogels. In een boek las ik over een otter die als een spelend kind zijn pootjes precies midden op de stoeptegels zette. Er bestaat een schildpad die van de glijbaan af gaat, heb ik gelezen. Ik zag een keer een octopus in de weer met een legoblokje, dus met iets dat noppen had, net als hijzelf. En net passeerde ik nog een hond met een speelgoedhaai in zijn bek.
„Het vervelende van biologen is dat ze niet snel geloven dat een dier iets voor zijn plezier doet. Pret valt moeilijk te meten. Spelen lijkt een soort ontwikkelingsmanagement: je toetst er je motorische vermogen mee, je scherpt je technisch vernuft. Je stelt jezelf bloot aan nieuwe situaties, je ontwikkelt vaardigheden. En je wordt er vrolijk van, waardoor je beter functioneert.
„Volgens Huizinga is onze cultuur doortrokken van spel. Van doen alsof. Je moet kunnen bijten en je moet je kunnen laten bijten. Ik houd het voor mogelijk dat spelen geen adaptief gedrag is, maar, in vakjargon, exaptief gedrag. Dat zou veel aardigs kunnen opleveren in de natuur. Dat een vogel zingt om rivalen uit zijn territorium te verdrijven of seksuele partners te lokken, betekent nog niet dat hij geen lol in dat zingen zou kunnen hebben. Of dat hij af en toe niet voor eigen genoegen zou kunnen zingen, terwijl er in de verste verte geen rivaal of vrouwtje te bekennen valt. Net zo goed kan een speelse baas zowel gunstig zijn voor de werkvloer, als vrolijk voor zichzelf. Als we dat moeten missen, dan ben ik weg. Dan ben ik liever die octopus met dat legoblokje.'
Tijs Goldschmidt: ‘Kloten van de engel.Beschouwingen over de natuurlijkheid van de cultuur’. Uitg. Athenaeum, Polak en Van Gennep. Prijs €19,95.
Op vrijdag 14 december houdt Tijs Goldschmidt de 36ste Huizingalezing onder de titel ‘Doen alsof je doet alsof’.
De Huizingalezing wordt jaarlijks georganiseerd door de Faculteit der Letteren van de Universiteit Leiden, NRC Handelsblad en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. De naam van de lezing is een eerbetoon aan de historicus en cultuurfilosoof Johan Huizinga (1872-1945).
De lezing wordt gehouden in de Pieterskerk, Pieterskerkhof te Leiden en begint om 20.00 uur.

AEX: 317,06 





