In de zomers rondom de laatste eeuwwisseling had deze bijlage een speciale rubriek voor ‘recensies van boeken die in het literaire hoogseizoen onopgemerkt zijn gebleven.’ Temidden van de tientallen Nederlandse fictieboeken die wekelijks worden gepubliceerd, ontsnapt er wel eens een juweeltje aan de aandacht van de redactie. Toen, en ook nu nog, al is de inhaalrubriek (‘Klein Kapitaal’) jaren geleden opgeheven. Boven is het stil van Gerbrand Bakker ligt zelfs zo lang in de boekhandel dat het al is bekroond met het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte debuut – wat vreemd is omdat Bakker zeven jaar geleden debuteerde met de jeugdroman Perenbomen bloeien wit.
Het past wel een beetje bij Boven is het stil dat het besproken wordt nu alle drukte om Librisprijs, Buddingh’-prijs en Gouden Strop, en om de nieuwe boeken van Campert, De Moor en Van Keulen, enigszins is betijd. De tweede roman van Gerbrand Bakker is een verstild drama dat is geworteld in de rust van het Noord-Hollandse platteland. Het Waterland dat Bakker (geboren in Wieringerwaard in 1962) beschrijft, is een soort Jorwerd waar God nog niet verdwenen is en dat alleen bedreigd wordt door de goedbedoelde plannen van de almaar oprukkende natuurbescherming. En in het centrum van dit tijdloze universum bevindt zich Helmer van Wonderen, een 55-jarige man wiens leven stil is blijven staan in 1967, toen zijn tweelingbroer verongelukte en hij zijn studie Nederlands moest afbreken om zijn vader te helpen in de boerderij.
Boven is het stil begint als Helmer zijn invalide en dementerende vader ‘naar boven doet’; hij verplaatst de ouderlijke slaapkamer naar de eerste verdieping om zichzelf meer ruimte te geven – ook in psychologisch opzicht, want de verhouding tussen Helmer en zijn vader, die hem nooit voor vol heeft aangezien, is verstikkend. Bij toeval volgt er nóg een breuk met het kabbelende leven: de ex-vriendin van zijn gestorven broer vraagt hem om haar zoon voor een tijdje in huis te nemen; het landleven zal de lethargische postpuber ongetwijfeld goed doen. Grappig genoeg doet de lange logeerpartij ook Helmer goed. Hoe moeilijk ook, de jonge Henk (die net zo heet als Helmers broer) ontpopt zich als de zoon die de vrijgezelle Helmer nooit gehad heeft; en als hij de boerderij weer verlaat en vader Van Wonderen is gestorven, weet Helmer ook beter wat hij met de rest van zijn leven aanmoet.
Veel spectaculairs gebeurt er niet in Boven is het stil, dat een paar maanden uit het boerenbestaan beslaat. Maar dat is geen gemis. In het begin van het boek bouwt Bakker de spanning op met mysterieuze telefoontjes en zelfs een verschijning. Daarna zorgen zowel de verhouding tussen Helmer en Henk als Helmers reconstructie van zijn ongelukkige verleden ervoor dat je blijft doorlezen. Helmer blijkt lamgeslagen in 1967, niet alleen door de dood van zijn tweelingbroer (‘We hoorden bij elkaar, we waren twee jongens met één lijf [*] Ik doe al zo lang alles op eigen kracht. Ik heb al zo lang een half lijf’), maar ook door de verkering die zijn broer kreeg en die het einde betekende van hun aaneengeklonken leven. Dat Helmer zich ongemerkt (en onuitgesproken door zijn schepper) bewust wordt van zijn homoseksuele gevoelens, is een van de verrassingen van de roman.
Toch is de schoonheid van Boven is het stil vooral gelegen in de stijl. Bakker schrijft natuurlijke, droogkomische dialogen en weet zonder omhaal van woorden perfect de sfeer van een schaatstocht op het meer, een ernstig gesprek aan de keukentafel of een wandeling door de wei op te roepen. Maar hij is ook goed in de nuchtere of filosofische oneliner die een pagina kan doen oplichten: ‘November is niet kraakfris en stil meer’, ‘Motregen is niet meer dan mist met grootheidswaan’, ‘Als je niet beter weet, weet je niet wat je mist’, en natuurlijk de zin die als motto voor de roman kan dienen: ‘Het is zo’n gemodder, leven.’
Het is niet moeilijk om te zien waarom Boven is het stil al in de eerste maanden na publicatie twee keer is herdrukt. In een literair landschap vol straatrumoer en grootstedelijkheid, hunkeren heel wat lezers naar de schijnbare rust en de overzichtelijkheid van het plattelandsleven. Noem het escapisme, noem het nostalgie naar het Nederland van ooit, maar de romans die dat bieden – denk aan Siebelinks Knielen op een bed violen of Wieringa’s Joe Speedboot – beheersen dezer dagen de literaire bestsellerlijsten. Boven is het stil, dat ook nog eens op een Avonden-achtige manier la tendre guerre tussen een zoon en zijn oude vader tekent, is bepaald niet de slechtste titel om aan dat rijtje toe te voegen.
Het is een zaterdag, de zon schijnt en het is windstil. Een heldere decemberochtend waarop alles heel kaal en scherp is. Een heimweedag. Niet naar thuis, want daar ben ik, maar naar precies zulke dagen lang geleden. Dan heet het anders, laat ik het weemoed noemen. Ada zal dat niet begrijpen. Omdat ze niet van hier is, kent ze niet precies zulke dagen lang geleden op deze plek.
Uit: Gerbrand Bakker, Boven is het stil

AEX: 310,03 




