Hoe het allemaal begon
In de computerwereld veroudert alles met adembenemende snelheid. Een apparaat van tien jaar geleden oogt antiquarischer dan grootvaders klok. Het luipaardschortje van Tarzan blijft langer in de mode dan een willekeurig webdesign. Een Dorische zuil is hipper dan een ponskaart.
In 1984 verhuisde ik naar Portugal.
Dat heette ook in de jaren tachtig allang geen emigreren meer, dat heette buiten de stad gaan wonen. Portugal was voor het laatst een ver land geweest in zwart-witfilms uit de jaren vijftig. Snikkend zag je paartjes op het Gare du Nord afscheid nemen, de Portugese gastarbeider die in Parijs achterbleef en het meisje dat terug moest naar haar dorp in de Alentejo.
Wel had je in de jaren tachtig nog de gulden en de elektrische schrijfmachine, bewijzen dat buiten de computerwereld ook dingen verouderen.
De computer fascineerde me, maar je kon er niet bij. Vrienden hadden er op hun werk mee te maken, met die knipperende tankgevaarten die geweldige dingen konden. Schaken en zelfs systeemkaartjes bijhouden.
Begin jaren tachtig probeerden ze voor het eerst iets computerachtigs voor de thuiszitters te introduceren. Ik zie me nog klooien met de Commodore en de ZX Spectrum van Sinclair. Het erotische rubber van de toetsen. De eerste zwemmerige kleuren. Basic, het nieuwe Esperanto. Met open mond bleef je in de weer om het ding steeds opnieuw bijna niets te laten uitvoeren.
Nu ja, een potje tennissen.
Bij Vroom & Dreesmann ging je kijken naar het nieuwste model. Als de verkoper uit de buurt was streek je even met je hand over het toetsenbord. Oei, dat voelde lekker aan.
’t Leek eerst niet zeker of het wel zou lukken, dat populariseren van de computer. ’t Bleef een warenhuisproduct. Alleen halvegaren liepen er warm voor. En ik was er daar eentje van.
In het warenhuis werd ik heen en weer geslingerd tussen hebzucht, vermengd met een hevig avant-gardegevoel, en het besef: wat moet ik ermee? Een balletje slaan, klok kijken, worteltrekken, een mannetje neerschieten, dat kon je ook elders.
Ik was niet geïnteresseerd in tennissen, ik wilde tekst. Ik wilde schuiven met letters.
Er doken nieuwe modelletjes op die zinnen op het scherm produceerden. Op je televisiescherm dan. En van schuiven was nog geen sprake.
In de week voor mijn verhuizing besloot ik de best beschikbare computer te kopen. State of the art. Ik vertrok tenslotte naar het meest geïsoleerde deel van Europa en ik wilde voorgoed ondergronds. Het nieuwste en het beste, dat zou het langst meegaan.
Ik kocht bij een specialist, iemand die het had aangedurfd in de buurt van de Admiraal de Ruyterweg een heuse computershop te beginnen, een opklapbare Epson PX-8. Een verdomd vroeg voorlopertje van de laptop, als je het goed bekijkt. ’t Ding had een lcd-scherm, zo groot als een brievenbus. Je kon je werk opslaan op een mini-cassettebandje. Het werkgeheugen was 64 KB. De verkoper vertelde me dat dit overeenkwam met net zoveel tekst als er op twaalf A-viertjes kon! Er klonk trots in zijn stem. Je kon, o wonder, woorden cursiveren en dan zag je ze ook cursief. Een kwartier hobbelde het cassettebandje voort als je zover was dat je een alinea kon opslaan.
Het ding kostte, omgerekend, vijf-en-een-half duizend euro.
In Portugal stond het te glimmen in de pronkkamer. Ik was op de maan geland en in mijn middeleeuwse entourage stond daar een hightech mirakel.
Twaalf A-viertjes in een juwelendoos.
Het was de eerste computer in het dorp. Dagenlang trok een stoet van dorpelingen voorbij, pet in de hand. Vrouwen sloegen een kruisje als ze dicht bij het ding kwamen.
In hetzelfde jaar werd de generatie geboren die zou opgroeien met computers.

