Zelf Masterchef worden
Zoals bekend is alles op de televisie een wedstrijd. Al jaren. Populaire programma’s bestaan allemaal uit laten zien dat je beter bent dan een ander en dan liefst in de vorm van afvalraces met strenge jury’s die in weinig verfijnd Nederlands de kandidaten voor gek zetten of prijzen. De kandidaten op hun beurt lijken nog nooit iets in hun leven te hebben gedaan wat ze zó belangrijk vinden als dit en ze huilen en lachen wat af.
We zien ze dansen, zingen, trainen, zweten en zwoegen om een dame te worden, model te worden, hoofdrolspeler in een musical of danser van het jaar.
Of chef-kok Herman den Blijker komt met lange tanden van hun gerechten proeven om ze al of niet in een restaurantcarrière te kunnen storten: ontzaglijk veel mensen willen een restaurant beginnen, om duistere redenen. Weten ze niet dat het keihard werken is en dat als je geen Michelinsterrenkok bent (en dan nog…) de verdiensten niet altijd zo erg meevallen?
Nu ja, hoe dan ook, de mensen willen het. Hoe graag, dat laten ze zien in Masterchef, dat op zondagavond op Net 5 wordt uitgezonden. 600 mensen wilden dolgraag op professioneel niveau gaan koken. Arme jury – 600 gerechten proeven is geen sinecure. We weten niet hoeveel tijd de jury hiervoor nam, het programma wil natuurlijk vaart en massaliteit suggereren waardoor je de indruk hebt dat iedereen tegelijk aan het koken is en de jury achter elkaar proeft.
Sommige kandidaten durven: de vrouw die doodleuk een hamburger maakte met ingrediënten uit de supermarkt om te laten zien dat een hamburger ook echt lekker kon zijn, kon rekenen op de immense afkeuring van restaurantcriticus en cuisinier Alain Caron. De andere twee heren overtuigde ze wel. De smaak van die burger was goed. En haar enthousiasme voor zoiets eenvoudigs als een hamburger trof hen ook.
Want niet alleen moeten de kandidaten goed koken, ze moeten ook hun ‘liefde’ en ‘passie’ – met ‘puur’, ‘eerlijk’ en ‘mooi’ de topmodewoorden in de foodbusiness – weten over te brengen.
En hoe stom dat ook allemaal is: als je eenmaal begint te kijken, kijk je toch verder. Dan raak je benieuwd naar dat wonderbaarlijke gerecht van ossehaas gewikkeld in rauwe kabeljauw op een erwtensoepje met eroverheen een zurige sabayon dat de drie juryleden direct overtuigde.
Iets zonder vlees of vis zit er niet bij, dus we hebben er niets aan op onze meatless Monday. Dan maken we zelf maar deze overtuigende, knapperige aardappelsliertjes, die heel goed smaken bij geroerbakte groenten met een rood pepertje erdoor.
Zoetzure frietjes
- 1 pond vastkokende aardappels
- 2 el olie
- 2 lente-uitjes
- 2 plakjes verse gember (1/2 cm dik)
- 2 el sojasaus
- 2 el rode wijnazijn
- ½ el witte basterdsuiker
- 2 teentjes knoflook
Schil de aardappelen en snijd of rasp ze in heel dunne frietjes. Spoel ze af in een kom water en giet ze af, herhaal dit drie keer om zoveel mogelijk zetmeel kwijt te raken. Droog de aardappels.
Snijd de lente-uien in stukken van ongeveer 5 centimeter en dan in de lengte in reepjes. Snijd de gember in dunne reepjes. Pel de knoflook en kneus de tenen.
Maak de olie heet in een anti-aanbakpan. Bak de gember en de lenteui een halve minuut en doe de aardappelsliertjes erbij. Roerbak nog een halve minuut. Doe de sojasaus, de azijn, een snufje zout, de knoflook en de suiker erbij. Roerbak nog twee minuten. Haal de knoflook eruit en dien op – de sliertjes moeten knapperig zijn.
