Doe zoals je het lekker vindt
Gisteren begon ik over het boek van Nigella Lawson dat How to eat heet – oh een héél oud boek alweer, uit de vorige eeuw nog – en toen verdwaalde ik weer in mijn eigen ijskast en begon daaruit dingen te maken. Maar niet dan nadat ik weer een poosje in dat boek van Lawson (iedereen zegt maar gemeenzaam ‘Nigella’ omdat ze zo veel op televisie is en programma’s heeft met haar voornaam erin, maar ik houd er niet van, ik ken die mevrouw niet) had zitten lezen en weer opnieuw begreep waarom ik aanvankelijk zo enthousiast over haar was.
Later is dat wat bekoeld omdat ze op de televisie almaar zo adjectivisch zoemt van ‘intensely earthy, nutty, warm spicy flavour’, maar haar houding ten opzichte van koken vind ik reuze sympathiek. Die is er namelijk een van: maak wat je lekker vindt. Is de Cambodjaanse salade niet authentiek Cambodjaans? „Ik ga niet te werk alsof ik een Cambodjaanse delegatie voor het eten verwacht”.
Lawson kookt zoals iemand kookt die van koken houdt: met gerechten die per ongeluk uitgevonden zijn omdat ze de rabarber te lang in de oven had laten staan en er toen maar een soort custard van maakte die ineens onwaarschijnlijk lekker was, met diepvriesdoperwtjes, met altijd de beste kip, met als het uitkomt bouillonpoeder of -blokjes. In recepten wordt vaak de schijn opgehouden alsof niemand ooit een maggiblokje gebruikt en alle soep altijd vanzelf heel lekker vol gaat smaken. Menige saus en soep knapt op van een blokje, dan is de smaak net wat voller. En wie dat niet wil, best, die doet het zonder. Daar rijd ik alweer op eigen stokpaardjes.
Je raakt erg geïnspireerd als je even in How to eat leest, en dat komt doordat het uitgangspunt is dat je zelf moet vaststellen waar het je om gaat met voedsel. Wat wil je eten? En hoe veel moeite wil je daar voor doen?
Dat verschilt allemaal nogal van dag tot dag. Op die zeer warme dagen die we net achter ons hebben is het keukenenthousiasme vaak wat minder.
Gisteren maakte ik, omdat ik zo fijn in How to eat zat te lezen, maar het nog wel erg heet was, NL’s versie van caesar salad, met aardappel- in plaats van broodcroutons.
Daartoe schud je in kleine blokjes gesneden aardappel in een plastic zak om met wat olie en fijngehakte knoflook. Het geheel gaat in de oven op 200 graden tot de aardappelblokjes na ongeveer 3 kwartier mooi lichtbruin zijn. Of je bakt die aardappelblokjes in een koekenpan, dat doe ik vaak. Dan sla ik het hele plastic zakgedeelte over en gooi gewoon die aardappelblokjes in de koekenpan en tegen dat ze gaar zijn komt de knoflook erbij, want anders verbrandt die hopeloos. Met zout bestrooien, laten uitlekken op keukenpapier en dan over de caesar salad (of bijvoorbeeld naast gegrilde vis).
En dan eten. Mm.
We weten allemaal nog wel hoe je een caesar salad maakt, hè? Zo:
Caesar salad met aardappelcroutons (voor 2 personen)
2 aardappelen (200 g)
1 teentje knoflook
1 krop bindsla of romaine
1 ei
4 ansjovisfilets
1 el rode wijnazijn
4 el olijfolie
50 g Parmezaanse kaas
Kook een ei anderhalve minuut in kokend water. Leg het in koud water om het af te koelen. Doe de wijnazijn met een snufje zout en royaal peper in de slakom. Breek het ei erboven. Kluts met een vork. Voeg de olie toe. Kluts. Rasp de Parmezaanse kaas boven de dressing. Kluts.
Was en droog de sla, snijd die in fijne reepjes. Hussel door de dressing. Snijd de ansjovisfilets in stukken en strooi over de sla.
Bekroon met de knoflookcroutons.
