Het sissen was muziek
Soms gaat het zo, je weet precies wat je van plan bent te eten: risotto met artisjok en spinazie en wellicht, als je tijd en bui hebt, youvarlakia erbij, de kleine citroenige Griekse gehaktballetjes met dille en rijst erin. Maar hoe gaat dat, je hebt laat en uitgebreid geluncht na veel tuinwerk – soms is er veel tuinwerk. Bomen omgezaagd, takken eraf, al die takken in afscheidingen stapelen. Door de verdwenen bomen heeft zich een weids gezicht geopend op het weiland en de boerderij in de verte. Het regende wat en alles droop in de afscheidingen.
Helemaal groen besmeerd en met nat haar en vuile handen binnengekomen, maar geen takje meer in de tuin. Gauw wassen en schone kleren aan, en op zoek naar iets te eten.
Hé ja, dat stukje zalm van gisteren! Helemaal vers en koel in de nul graden la! Daar moet iets leuks mee gedaan!
Het leuke werd: insmeren met peper en zout en mosterdpoeder. Op hoog vuur aan beide kanten bakken zodat het van buiten bruin maar van binnen roze is. Sla aanmaken met frambozenazijn, zalm erop, bestrooien met dille, handje verse frambozen erbij, glaasje wijn – en daar is de zon! Gauw met dit alles naar buiten.
Ja soms is alles voorbeeldig getimed. Maar na die lunch (er was ook nog een verrukkelijk rijp stukje brie en een stukje courgettetaart) was de honger natuurlijk niet overweldigend. Dus de bereiding van het avondeten werd eindeloos uitgesteld.
Tot deze zin opsprong uit Een verjaardag van Alfred Kossmann: „Na de crematie bakte ik een spekpannekoek.” (Toen hoefde niemand nog dat malle panneNkoek te schrijven.)
Een zin die kwam als geroepen, ook al was er gelukkig geen crematie geweest.
„Ik genoot ervan beslag te maken, spek in de pan te leggen, beslag op het spek te gieten, de koek om te draaien toen de onderkant bruin werd. De bloem, de boter, het ei, het spek geurden mij toe zoals ik het verlangde, het sissen en pruttelen was muziek en ik keek bewonderend naar de precieze gebaren van mijn voorbeeldig gewassen handen en voorbeeldig geknipte nagels.”
Waar wachten we nog op! Huppekee naar de keuken!
Zo, dat heb ik gebiecht. Het was mijn eerste spekpannenkoek in wel tien jaar en oef wat was-ie heerlijk. Vanavond dan maar de risotto…
Risotto met artisjok en spinazie (voor 4 personen)
3 flinke artisjokken
1 citroen
1 pond spinazie
1 ui
1 teen knoflook
400 g risottorijst (arborio)
2 dl droge witte wijn
1 l bouillon (eventueel een goede zonder zout uit een pot)
1 ons Parmezaanse kaas
Maak de artisjokken schoon en leg ze in water met citroensap – dit gerecht is echt het lekkerste met verse artisjokken. Maar wie dat te veel werk vindt, kiest diepvries artisjokbodems. Die uit blik zijn jammer bij dit recept.
Was en droog de spinazie, hak de ui en de knoflook.
Verhit 4 eetlepels olie in een juspan en fruit de ui een minuut of vier. Dep de artisjokken droog, snijd ze in stukjes en doe ze met de knoflook in de pan. Roer even goed om, strooi de rijst erbij en bak die een minuut of drie. Giet de helft van de wijn erbij en roer tot die is verdampt, daarna de andere helft van de wijn, ook laten verdampen. Nu lepel voor lepel de warme bouillon erbij, steeds roeren tot alle bouillon verdwenen is.
Kook als de rijst bijna gaar is de spinazie een paar minuten mee. Zet het vuur uit, roer de kaas erdoor en voeg zout en peper toe.
