Dring aan op vroeg geplukt
Verse tuinbonen. Een traktatie, dat weten we allemaal. Verse tuinbonen, doperwten en kapucijners hebben een zekere status verworven de laatste jaren, het zijn niet zo maar groenten, zoals bloemkool of prei, het zijn primeurs, groenten met een seizoen, groenten die ter tafel gebracht worden met een zekere verheugenis, met een verwachtingsvolle blik, soms met nauw bedwongen trots, als de tuinbonen bijvoorbeeld dubbel gedopt zijn.
In recepten lezen we hoe heerlijk verse bonen zijn, de bladen roepen ons al begin juni toe dat we moeten genieten van verse erwtjes en bonen en publiceren schitterende portretten van doperwten en intieme foto’s uit het leven der tuinbonen, die het bij zichzelf thuis inderdaad heerlijk hebben in die met licht fluweel beklede peulen.
Dus dan ga je naar de markt en inderdaad: daar liggen ze. Ik was laatst op de biologische markt op de Noordermarkt in Amsterdam, een markt met een café vol van de heerlijkste appeltaart op de hoek en een karnemelkbar bij de kaasman (en wat is het lekker, een glas echte karnemelk met zelfgemaakte bessensiroop).
Daar was ik dus op een stralende zaterdagmorgen, en ik kocht tuinbonen, een kilo. De groenteman vroeg of ik er wat bonenkruid bij wilde, precies zoals groentemannen dat altijd hebben gevraagd. Alles in orde.
Maar toen ik de tuinbonen aan het doppen was, sloeg de schrik me om het hart: ze waren erg groot. ‘Maar vers!’ mompelde ik steeds bezwerend.
Ze waren natuurlijk helemaal niet lekker. Grote melige bonen die ook dubbel gedopt niets leuks meer hadden te bieden, want het probleem zat hem niet in de grijzige schillen – die sowieso niet zo’n probleem zijn, ze geven een beetje beet en bitterheid aan de bonen – maar in de omvang. Te groot geworden.
En als je er even over nadenkt realiseer je je dat dat vaak gebeurt met verse tuinbonen en doperwten. Je koopt de droom en het verlangen, maar geen smakelijke erwten en bonen. Die krijg je alleen als je ergens zelf bonen kunt oogsten, dan zijn ze zoet en zacht en vers – net zo lekker als de kleine diepvriestuinboontjes of de doperwten van Bonduelle.
Als ik die opdien, en dat doe ik nogal eens, is iedereen blij verrukt over hoe heerlijk tuinbonen zijn als ze vers zijn. Ga je die grote meelballen zitten doppen – en ook erwtjes zijn vaak in plaats van rond platte schijfjes geworden, omdat ze tegen elkaar aan gegroeid zijn als plofkippen in een schuur – dan dien je een teleurstelling op.
Dus het is zaak om bij de groenteboer aan te dringen op vroeg geplukte bonen en om te controleren wat hij in je tas doet: alleen tuinbonen waarvan je door de peul heen kunt voelen dat ze niet zo erg groot zijn.
Wat is het toch een werk hè, eten inkopen. Je zou willen dat alles gewoon vanzelf goed was, in plaats van matig. Maar enfin, met kleine verse of diepvriestuinbonen kun je dit heerlijke tuinbonenschoteltje klaarmaken.
Tuinbonen met room (voor 2 personen)
1 kilo verse tuinbonen of 400 g diepvries tuinbonen
30 g boter
1 sjalot
1 dl slagroom
2 takjes bonenkruid
beetje citroensap
Kook de tuinbonen twee à drie minuten in gezouten water. Giet ze af.
Hak de ui en bak hem zachtjes in de boter. Doe de bonen erbij, roer om, en giet de room erbij. Breng aan de kook en laat even sudderen tot de room is ingedikt.
Hak het bonenkruid en doe dat met het citroensap bij de bonen.
