Behoudend verkiezingsrecept
In een stuk van Maarten ’t Hart, de inleiding bij Het literair eetboek dat ik toevallig doorbladerde, viel mijn oog op een passage waarin hij vaststelt dat er weliswaar veel gegeten wordt in de literatuur, maar dat de afwikkeling van de maaltijd, de afwas, en de voorbereidingen ertoe er vaak nogal bekaaid van afkomen. De jacht en de visserij zijn wel weer uitgebreid beschreven, zegt ’t Hart, in zekere zin toch ook voorbereidingen tot de maaltijd, maar de slacht komt er juist weer bekaaid vanaf.
„Dat dieren gedood en geslacht moeten worden, daar willen de meeste mensen maar liefst niet aan worden herinnerd. In dat opzicht zijn haast alle eters bepaald hypocriet. () Eerlijk gezegd vind ik dat mensen alleen vlees en vis zouden mogen eten, als zij ook zelf bereid zouden zijn om te doden en te slachten.” Toen ik dat las, dacht ik: wanneer is dit eigenlijk geschreven? Het klinkt zo ouderwets. En ja hoor: 1985.
Grappig is dat. Dat een standpunt dat tot voor tien jaar enigszins provocerend was, nu lichtelijk passé aandoet. Want sinds een aantal jaar zijn de eters zo hypocriet niet meer, iedereen wordt er voortdurend aan herinnerd, al of niet door zichzelf, dat vlees van dieren komt en dat die dieren daarvoor moeten worden gedood.
Het: ‘je moet bereid zijn om het zelf te doen’, hoor je nu niet meer zo vaak, nu is de bewering eerder: ‘je moet bereid zijn om ervan af te zien’. Om redenen van dierenrechten en vanwege het milieu. Ik ga die argumenten niet weer allemaal herhalen, de discussie is bekend, maar de passage van ’t Hart trof me omdat je er ineens zo duidelijk aan zag hoe de wereld veranderd is.
En dat is op de dag van de verkiezingen wel iets om even bij stil te staan. Ook al roept iedereen dat er stagnatie heerst, dat het ontbreekt aan daadkracht, de wereld verandert toch voortdurend. Het is op geen enkele manier mogelijk om alles bij hetzelfde te houden.
1985. Mijn hemel. Toen waren er echt wel mensen die al een computer hadden hoor, en ze zeiden dat dat heel handig was, als je het eenmaal onder de knie had. Mobiel bellen? Een toekomstdroom. Biologisch vlees, mededelingen over hoe dieren leefden? Waartoe?
En dan noem ik maar een paar willekeurige dingetjes.
Ja de wereld is wel veranderd, en wie weet wat er na deze verkiezingen nog weer allemaal anders wordt. Daarom een ouderwets en behoudend recept. Voor aspergesoep. Uit datzelfde ouderwetse literaire eetboek.
Romige aspergesoep
- 500 g asperges
- 125 g boter
- 60 g bloem
- ½ l krachtige kippenbouillon
- ¼ l volle melk
- 2 eierdooiers
- 100g crème fraîche
- 1 tl suiker
- nootmuskaat
Schil de asperges, snijd de uiteinden eraf ern snijd ze in stukjes van 1,5 centimeter. Smoor die in de boter tot ze gaar zijn.
Smelt in een soeppan de rest van de boter. Roer de bloem erdoor en laat 2 minuten zachtjes doorpruttelen. Giet al roerende de kippenbouillon erbij en blijf roeren tot de soep gebonden is. Klop de eierdooiers in een kom los met 2 eetlepels melk en de crème fraîche, roer de rest van de melk door de soep. Laat nog twee minuten doorkoken.
Pureer de aspergestukjes, behalve de punten, met een beetje van de soep en roer die door de rest van de soep. Klop een soeplepel hete soep door het eiermengsel en giet het dan bij de rest van de soep die heet moet zijn maar niet meer mag koken. Doe ook de aspergepunten erbij.
Voeg suiker, peper en zout en nootmuskaat toe en dien op.
