Een Zweedse in de supermarkt
„Wat mij nu zo verbaast”, zei de Zweedse onderzoekster die wilde weten hoe het met de Nederlandse eetcultuur stond en ook hoe Nederlanders tegen de culinaire mogelijkheden van Zweden aan kijken, „is dat er in Nederland zoveel restaurants zijn met een Michelinster, zodat je denkt dat er een eetcultuur bestaat, maar dat dan in de supermarkten alles kant-en-klaar en voorgemengd is. „Ik zag zelfs kant-en-klaar pannekoekenmeel”, riep ze ontzet. „Wat moet je daar nu aan kant-en-klaren! Meel, eieren, melk – hoe moeilijk kan het worden?”
Het was een interessante waarneming. Het is waar, enerzijds is er veel belangstelling voor eten, er zijn goed verkopende bladen, restaurants bloeien, het aantal televisieprogramma’s over eten en koken is enorm toegenomen – al gaan die strikt genomen meer over wedstrijdkoken: wie kan het snelst, met de raarste ingrediënten, met het oog op een te winnen eigen restaurant, voor een groep nurkse eters, iets te eten fabrieken en wat vindt een deskundige jury (meestal een chagrijnig kijkende televisiekok) daarvan?
Maar evenzogoed: er is veel belangstelling en aandacht.
En anderzijds, ook dat is waar, grossieren de supermarken in spullen die ‘vers’ zijn en toch amper bederven (het brood wordt niet oud, er staat alleen op een dag ineens schimmel op), in kant-en-klaar en snel-klaar eten en wensen ze zich alleen te onderscheiden op prijs, en bepaald niet op kwaliteit of een interessant assortiment.
Betekent dat, het zal haast wel, dat er tenminste twee heel verschillende eetwerelden bestaan? Eentje met interesse (en geld) die die restaurants bezoekt en eentje van onverschillige blinde-vinken-eters? En een kleine, ik denk aparte derde wereld, van mensen die aardigheid hebben in goede ingrediënten en die naar boerenmarkten gaan, naar Italiaanse of Turkse winkels, die eventueel zelf wat moestuinieren en anders graag ergens verse spullen kopen, die kookboeken lezen en in de keuken wel eens wat uitproberen. Alle drie die groepen hebben natuurlijk vage randen waar ze eventueel overlappen, zo is dat met groepen. (Hoe ben ik als amateursocioloog? Goed bezig hè?)
Zo zette de Zweedse onderzoekster de schijnwerper op onze eigenaardigheden. En ze vroeg ook meteen naar in Nederland bekende Zweedse gerechten.
„Eh…de gehaktballetjes van Ikea,” zei ik.
„Bwwggh”, zei zij. „Dat vlees komt denk ik niet eens uit Zweden. En die balletjes, daar is niets aan.”
Ze had gelijk. Laten we dus wél smakelijke Zweedse balletjes eten, de kroppkakor die de Belgische televisiekok Jeroen Meeus maakte toen hij de ‘plat préféré’ van Astrid Lindgren kookte.
Kroppkakor met dille (voor 4 personen)
- 2 el gehakte ui
- boter
- 100 g speklap
- 1 tl allspice poeder
- 8 à 10 grote aardappelen
- 1 eierdooier
- 175 g aardappelmeel of bloem
- dille
Fruit de ui in wat boter. Snijd het speklapje in heel kleine stukjes en doe dat bij de ui. Kruid met allspice en peper en zout.
Kook de aardappelen gaar en maak er in een pureeknijper of anders met de stamper, puree van. Meng er de eierdooier en de bloem door.
Rol de puree tot een dikke worst op een met bloem bestrooid werkblad. Snijd in plakjes en leg ene plakje op je handpalm. Druk wat verder open en doe er een beetje vleesvulling in. Vouw toe en rol tot een balletje. Kook de balletjes in gezouten water tot ze boven komen drijven.
Serveer ze met gesmolten boter en dille.
