Wat een stad is Rotterdam
Blijkbaar was ik te lang niet in Rotterdam geweest, anders dan op een krantenredactie in een mismoedig makende buitenwijk van die stad, of in de schouwburg dicht bij het station. Maar nu moest ik bij de haven zijn, achter het nieuwe Luxortheater, vanwaar een schip zou vertrekken voor een ‘operareis naar een onbekende locatie’. Wat een stad! dacht ik steeds.
Wat een grootsteedsheid, wat een gedurfde opwindende architectuur, wat een energie gaat hiervan uit. Wat lijkt Amsterdam dan ineens braaf en duf. (En ik zeg dit als innig verknochte Amsterdamse, al woon ik dan tegenwoordig ver weg in de provincie.)
En overal mooie grote grand-cafés die die naam met ere leken te dragen, en overal zicht op het water (nu ja, bij de havens wel natuurlijk) en schitterende gebouwen waar je zó zou willen werken en/of wonen en dan die geur van water en bedrijvigheid. Dat we zoiets hebben in Nederland!
De operareis, De Cornet, was trouwens ook ongelooflijk. Met een schip naar een terrein ergens in de havens waar scheepskettingen met schakels zo groot als een half mens in donkere hopen opgetast lagen, tussen kranen en reusachtige ankers. Daar speelde het orkest en klonken elektronische geluiden die wel de geluiden van die plek zelf leken, en daar werd, onder de lichtgrijze hemel met af en toe een roepende vogel en in de verte voorbij varende schepen, een schitterende aaneenschakeling van muziekstukken opgevoerd die samen de verschrikkingen van het offer lieten zien – het offer dat ouders brengen door hun zoon naar de oorlog te sturen, het offer dat die jongens zelf brengen, het offer dat hun geliefden brengen.
Het werd op de spits gedreven door Benjamin Brittens Abraham and Isaac tussen de andere scènes te zetten, waarin een zoon werkelijk wordt geofferd door zijn vader om een maximaal ondoorgrondelijke reden, omdat de vader nu eenmaal denkt dat het gevraagd wordt. Het wanhopige zingen van vader en zoon – alleen muziek kan de diepte van gevoelens zo peilen en oproepen tegelijk.
Het is net of ik op reis geweest ben. Naar de Operadagen Rotterdam.
Maar dat ik van die reis nu ook ben teruggekeerd met verhalen over heerlijk eten… nee. Dat kan niet aan de stad liggen, het was gewoon dat ik toevallig in een vriendelijke maar uiterst onopmerkelijke ‘tapasbar’ terechtkwam, waar ze eten maakten dat je in de jaren zeventig op studentenkamers kreeg: pasta met onduidelijk gehakt. Alleen noemden we dat toen geen tapa.
Wie een eenvoudig maar heerlijk hapje dat de naam tapa verdient, wil eten, kan beter dit maken. Het klinkt te eenvoudig om waar te zijn, maar het is werkelijk verbluffend lekker. Beetje sla erbij, stukje brood – en hop, klaar om uit te gaan in Rotterdam.
Als je geen eigengemaakte harissa hebt, maar uit een potje of tube, overweeg dan om wat komijn en koriander toe te voegen.
Garnalen en inktvis met harissa (voor 2 personen)
- 1 schoongemaakte pijlinktvis of 2 ons inktvisringen
- 6 grote garnalen, ongepeld
- 2 el olijfolie
- 3 tl harissa, liefst zelfgemaakt, anders kant en klaar
- 1 kneepje citroen
- peterselie
Snij de inktvis in ringen als dat nog niet het geval is en droog ze. Verwarm de olie in de pan tot-ie echt heet is en bak de inktvisringen 1 minuut.
Doe er de garnalen bij en bak tot ze roze zijn (dat is al snel). Doe er de harissa bij en roer. Zet het vuur uit, knijp een keer in een citroen en bestrooi het gerechtje met peterselie.
