Pocheren blijkt een eitje

Als je alleen bent, kun je jezelf toestemming geven om te eten zoals je toevallig wilt. Dat zijn avonden waarop alles kan gebeuren, van niets (eten overslaan) (wij moeten dit gedrag ten strengste afkeuren) tot zeer kort gebakken kogelbiefstuk met knoflook, rode peper en balsamico, op sla met een broodje.
Geen rekening hoeven houden met andere eters geeft ook de kans om eens iets uit te proberen, een bewerkelijk toetje bijvoorbeeld.
Gisteren oefende ik, omdat ik toch alleen was, een kooktechniek. Het zal wel gênant zijn, maar ik zie altijd reusachtig op tegen het pocheren van eieren. Om een of andere reden blijven ze nooit bij elkaar maar draden meteen de hele pan door en daarna gaan ze stuk zodat je soep met ei hebt, als je nog het geluk had dat het om soep ging, anders heb je gewoon water met kapot ei en dat kun je dan wel weggooien.
In deze tijd van asperges zou het kunnen pocheren van een ei natuurlijk wel een mooie vaardigheid zijn.
En dus dacht ik gisteravond alle voordelen van het alleen zijn te combineren: gewoon véél asperges eten, met een schandalige saus van flink ingekookte slagroom met peper, zout, veel nootmuskaat én een klont boter en ter oefening 2 gepocheerde eieren. Als ze zouden mislukken had ik er alleen mezelf mee.
En nu zal ik eens wat zeggen: ze lukten zo makkelijk alsof ik nooit anders doe dan gepocheerde eieren maken. Er is niets aan. Een eitje, zou je zeggen als dat niet te veel voor de hand lag.
Nu kan ik het en ben meteen doorgeschoven naar een ander stadium waarin je niet begrijpt waarom mensen daar zo moeilijk over doen.
Je doet dus het volgende: een wijde pan met een opstaande rand nemen (een ‘hapjespan’) en die met minstens acht centimeter water vullen en op het vuur zetten. Daar gaan drie eetlepels azijn bij. Breek het ei in een kommetje. Als het water bijna kookt – we willen beslist geen woest geborrel maar wel een hoge temperatuur– laat je het ei uit het kommetje in het water glijden. Daarna doe je hetzelfde met nog een ei, en eventueel met nog twee – niet meer want dan gaan ze tegen elkaar aan zitten. Je houdt het water gedurende drieëneenhalve minuut tegen de kook aan en schept het ei er dan met een schuimspaan uit. Voor het mooi kun je de wat rommelig gevormde buitenrand eraf snijden en klaar is kees. Beeldig. En heerlijk, want het wit is zoveel zachter en smakelijker als het ei gepocheerd is.
Ik deed het zoals Michel Roux in zijn boek Het ei zegt dat het moet. Hij zegt natuurlijk nergens dat je gewoon slagroom en boter eroverheen moet gieten. Hij denkt meer aan een sauce Mornay. Nog erger. Maar wel lekker.
Sauce Mornay (kaassaus) (voor 1 gulzige persoon)
- bosje asperges
- 2 gepocheerde eieren
- 1 el boter
- 1 el bloem
- 2,5 dl melk
- nootmuskaat
- 1 eierdooier
- 2 el slagroom
- 30 g gruyère
Smelt de boter in een pan met een dikke bodem en roer de bloem erdoor, lat 2 minuten heel zachtjes sudderen, niet bruin laten worden. Voeg al roerend met een garde de koude melk toe en breng rustig aan de kook. Laat zachtjes tien minuten doorkoken en breng op smaak met peper en zout en veel nootmuskaat.
Roer de eieren en de room door elkaar. Roer door de saus en zet dan het vuur uit. Strooide geraspte kaas in de saus en roer tot die is gesmolten. Proef op zout en peper.
