Zin in dingen uit de tuin
Kan dat, dat je een lichte aspergemoeheid voelt? Ze zijn lekker hoor, zeker, maar ik kan me er nog niet toe zetten om weer asperges te gaan eten. Alwéér! dacht ik vermoeid en blasé. Ik denk dat dat betekent dat de seizoenenmode een beetje begint te luwen. Want meestal, dat is het eigenaardige, ja bijkans schokkende van modes, voel je hoogstpersoonlijk toevallig precies wat in de mode is.
Dan denk je ineens: ik heb genoeg van al die witte wanden, ik wil weer kleur op de muren, maar gedempte kleuren, en je gaat barstensvol originele ideeën naar de verfwinkel en dan blijkt dat de halve wereld bezig is zijn muren in aarde- en modderkleuren te schilderen. Bijvoorbeeld. (De voorbeelden zijn fictioneel. Elke overeenkomst met werkelijk bestaande toestanden is strikt toevallig.)
Zo merkte ik ook laatst toen ik iets las over ‘selfsufficiency’, een ideaal dat een paar jaar geleden geweldig cool was, dat ik vaag dacht ‘oh ja, dát’ en lusteloos doorbladerde. Terwijl ik echt wel heb gedroomd van een eigen betegelde houtkachel die tevens het warme water zou stoken en van een lapje grond met groenten en een vriezer aan eigen zonnepanelen en – nu ja. Wat een gedoe. Het is eigenlijk echt een ideaal voor mensen die met pensioen zijn, want als je serieus zo wilt leven ben je niets anders meer aan het doen dan zelfvoorzienend zijn. Voor betaald werk schiet weinig tijd over. En dan lijkt het ineens toch een beter idee als iedereen zijn eigen vak beoefent: de boer verbouwt de groenten, de schilder schildert de muren, de journalist schrijft stukjes in de krant.
Maar los van de eventuele teloorgang van de seizoenenmode is het elk jaar in april en mei hetzelfde liedje: men krijgt zin in dingen uit de tuin eten, vers van het land, nieuwe groenten, maar er is nog zo weinig. Dus eigenlijk zijn die asperges wel goed getimed.
Laten we dan maar iets met groene asperges maken. We stellen de witte nog even uit. Die vragen zoveel aandacht voor zichzelf. Wie wil kan dit trouwens ook uitstekend met witte asperges maken.
Gegratineerde asperges (voor 2 personen)
- 250 g groene asperges
- 250 g champignons
- kneepje citroen
- klontje boter
- 50 g Parmaham
- 75 g parmezaanse kaas
- 1 el paneermeel of broodkruim
Béchamelsaus:
- 30 g boter
- 1 el bloem
- 150 ml melk
Snijd de champignons als ze groot zijn in vieren, anders in tweeën en de kleintjes heel laten. Bak ze even in hete boter, doe er een drupje citroensap bij en peper en zout. Zet ze opzij.
Kook de asperges in een aspergepan. Laat ze uitlekken maar bewaar het kookwater.
Maak een béchamelsaus: smelt de boter, voeg de bloem toe, even gaar laten worden, dan goed roerend de warme melk erbij, dan 1 dl van het aspergekookwater. Met een garde krijg je geen klontjes. Breng de saus op smaak met peper, zout en nootmuskaat en laat ‘m even zachtjes doorkoken.
Smelt een klontje boter en bak daar de prosciutto in op matig vuur, een minuut of twee. Doe er de asperges bij en de champignons, warm goed door en meng er de helft van de Parmezaanse kaas door. Doe het geheel over in een ovenschaal. Giet de béchamelsaus eroverheen, bestrooi met broodkruim of paneermeel en de rest van de Parmezaanse kaas. Verspreid een paar klontjes boter over de oppervlakte en zet het geheel onder de gril tot de bovenkant gesmolten en goudbruin is. Eet met een stukje brood erbij.
