Het mandje van Dik Trom
Zat nog een beetje te denken over Dik Trom en ‘de heks van de Achterweg’ die een arm oud vrouwtje blijkt te zijn. Het is een roerende scène, ik zocht ’m op en las over de liefde tussen de twee oude mensen, de ‘heks’ die eigenlijk ‘Kee’ heet en haar man die doodziek is. Ze hebben alleen nog maar keihard roggebrood in huis, te hard voor een zieke. Dik hoort en ziet het allemaal terwijl hij door het raampje gluurt, aanvankelijk gedreven door gespannen nieuwsgierigheid naar de heks. Nu hij dit ziet, rent hij meteen naar huis en vraagt zijn moeder of ze niet wat wittebrood kan missen.
Moeder luistert aandachtig en weet meteen wat haar te doen staat: ze pakt een mand in ,,met van alles en nog wat: met brood, een stuk worst, een restje aardappelen en bloemkool, een homp zoete kaas, een flesje melk en nog meer kleinigheden”. Diks vader doet er nog twee kwartjes bij, voor eieren. En de heks en haar man, die vlak daarvoor nog tegen elkaar zeiden dat ze maar beter konden sterven deze nacht, zijn gered en de molenaar, die armvoogd is, zal ervoor zorgen dat ze het voortaan niet meer zó slecht zullen hebben. Een mooi verhaal. En dan die spulletjes in die mand. ‘Een stuk worst’, dat klinkt altijd heel fijn en met brood en aardappelen is ook niets mis. Een restje koude bloemkool, nu vooruit, maar dan: een homp zoete kaas.
Zoete kaas?
Even dacht ik aan die merkwaardige kaas die ze in Noorwegen maken, die bruin is, en zoet en die eigenlijk geen kaas is maar een soort gestolde melk. Had vrouw Trom zulke kaas in huis?
Maar nee. Dat is eigenlijk niet waarschijnlijk. Vroeger werden kaas en boter ‘zoet’ genoemd. In de zeventiende eeuw was ‘soete boter’ een koosnaampje voor een lief meisje, zoals je iemand ook hartelijk mijn ‘gouwe kaesie’ kon noemen. En kaas heeft ook onmiskenbaar iets zoets. In landen waar ze veel gezouten boter gebruiken willen ze de gewone boter trouwens nog steeds wel zoet noemen.
Toch bleef gek genoeg de bloemkool het meest in mijn gedachten. Een wilde zin in bloemkool, gewoon lekker gekookte bloemkool maakte zich van mij meester. Ik keek eens in een modern Nederlands kookboek dat ik altijd erg leuk vind The Dutchman’s kitchen van Dirk Jan Zonneveld, iemand die veel in New York woont en dan uit heimwee Nederlands kookt. Dus ook bloemkool. Met nootmuskaatsaus. De heks van de Achterweg zou er haar vingers bij opeten, maar ze zou zoiets nooit gemaakt hebben natuurlijk. Een saus en dan ook nog met slagroom erin zou haar een wilde verspilling geleken hebben neem ik aan.
Bloemkool met nootmuskaatsaus (voor 4 personen)
- 1 bloemkool
- 1 el boter
- 1 sjalot, gesnipperd
- ¼ tl geraspte nootmuskaat
- 125 ml kippebouillon
- 125 ml slagroom
- 1 tl maïzena
- 1 tl ketjap
Maak de bloemkool schoon, snijd de stronk en het groene blad eraf. Verdeel hem in roosjes en kook hem in gezouten kokend water, een minuut of tien.
Smelt de boter in een sauspan en fruit de sjalot met de nootmuskaat tot de sjalot glazig is. Schenk de kippebouillon erbij en laat inkoken tot ongeveer 1 eetlepel.
Roer 2 eetlepels water met de maïzena tot een papje.
Schenk de slagroom in de sauspan en breng aan de kook. Draai het vuur lag en roer de aangemaakte maïzena erdoor. Ketjap erbij en laat indikken tot sausdikte. Proef op peper en zout.
Leg de uitgelekte bloemkool op een serveerschaal en schenk de saus erover, rasp er eventueel nog wat extra nootmuskaat overheen.
