In de paddestoelenhouding
Het weggetje waar ik over reed was erg mooi in het nazomerlicht. Achter me de rivierdijk, het wijde land met grazende paarden en koeien, aan beide zijden van de weg de zilveren abelen met hun merkwaardige ogen in de bast die er bijna uitzien alsof iemand ze erop heeft geschilderd. Ik dacht aan een schilderij van abelen waar ze zo verhevigd afgebeeld zijn dat je ze in het echt ook beter ziet.
Zo gaat dat vaak met schilderijen. Ze openen je de ogen door te intensiveren wat er te zien is – dat intensiveren hoeft helemaal niet ‘realistisch’ te zijn – en dan zie je zelf ook ineens meer en beter. Dat dacht ik, en ik genoot, en ineens dacht ik iets heel anders: „Onder abelen willen wel eens berkenboleten staan.”
En meteen zag ik een bruin hoedje.
Gauw de auto aan de kant en in die typische paddestoelenhouding, hoofd omlaag, dwalende gang, gras en blad opzij duwend, langs de weg gelopen. Het was een heel stille weg, dus voor ernstige vervuiling van eventuele paddestoelen hoefde ik niet bang te zijn.
En al heel snel waren de paddestoelen niet meer ‘eventueel’. Grote, al wat zachte boleten die ik maar liet staan, maar daarnaast ferme jonge jongens. De gewone berkenboleet – eerlijk gezegd niet mijn favoriete paddestoel want een tikje saai. Het vlees is heel stevig, dat is wel fijn. Andere paddestoelen, ik noem vooral de kastanjeboleet, kunnen wel eens wat slijmerig zijn (ook lekker hoor).
Maar ineens zag ik iets anders: een oranje bolletje. Van wel degelijk een boleet, een jong ding nog. En even later een paar van die oranje types, mooi stevig, goed ontwikkeld.
Thuis zekerheidshalve mijn vondsten nog even opgezocht in de uitstekende Nieuwe paddestoelengids van Tirion en ja hoor, de gewone berkenboleet en de oranje berkenboleet. Ze hebben wat schubbige stelen met spikkeltjes, staat heel mooi bij die oranje hoeden en die oranje zijn, hoewel natuurlijk geen eekhoorntjesbrood, echt smakelijk. Joechei.
En, zo meldde de gids ook nog, maar dat wist ik wel, ik schrijf het alleen even op voor de angstigen: „de enige dubbelgangers zijn ook eetbaar”.
Gauw schoongemaakt, schubbigheid eraf, als het sponsgedeelte van de buisjes wat zacht was dat er ook af.
Sommige paddestoelen bevatten, hoe jong ze ook waren, toch al beestjes die door hun stelen omhoog gekropen waren. Pech. Dat kan trouwens ook het geval zijn met eekhoorntjesbrood dat je koopt, waarschuw ik maar.
In de pan worden berkenboleten zwart – hu, de heksen razen om de schoorstenen! Maar ze waren heerlijk toen ik ze klaarmaakte op een manier die ik net in Bos op je bord van Ria Loohuizen (uitg. Fontaine) had gelezen. Daar wordt het met stekelzwammen gedaan, maar ja, met boleten kan ook. Met gewone champignons ook trouwens – dit ter vertroosting van de niet-zoekers of niet-vinders. Je mist de jachtvreugde, maar niet het eetgenot.
Funghi trifolati (bijgerecht voor 4 personen)
- 500 g paddestoelen (boleten, champignons)
- 2 el droge witte wijn
- 2 tenen knoflook (of 1 gehakte sjalot)
- 4 el olijfolie
- 2 ansjovisfilets, fijngehakt
- platte peterselie, fijngehakt
Zet de oven op 200 graden. Kook de wijn met knoflook 1 minuut, doe de olijfolie erbij en de ansjovis en laat even op heel laag vuur pruttelen.
Snijd de boleten of de champignons in plakken, schik ze in een ovenschaal en schenk er de wijn overheen. Dek af en zet een half uur in de oven.
Laat afkoelen en dien ze op bestrooid met peterselie.
