Zacht blozend, dat wel
Het is elk jaar weer hetzelfde: op een dag verschijnen de blozende abrikozen op de markt en je denkt: ja! Abrikozen! Ze zijn zo mooi van kleur en ze voelen zo zacht en ze lachen zo lief op de fruitschaal. Maar daarmee heb je de voordelen dan ook wel opgesomd. Want verder is er aan abrikozen niet veel te beleven.
Saai, saai, saai.
Ze hoeven niet zo te zijn natuurlijk. Als je in een warm land op een warme middag onder een abrikozenboom zit en je plukt er een paar, dan is het laatste wat je denkt: ,,wat saai is dit”. Dan ben je gelukkig – toch al natuurlijk vanwege dat warme land en dus vakantie en dat heerlijke zitten onder die boom en het idee om daar iets uit te plukken – maar ook vanwege de smaak van de abrikozen.
Ze kunnen het wel. Maar ze doen het bijna nooit. En elk jaar opnieuw koop ik ze toch hoopvol – nu tegelijk met mijn eerste kersen van het jaar die trouwens helemaal niet tegenvielen. De abrikozen zoals bijna altijd wel.
Terwijl ik heus wel weet wat je er wél mee moet doen. Ze even koken, met een beetje suiker. Dan worden ze ineens alles wat Onze Lieve Heer bedoeld heeft toen hij ze schiep. Ze kunnen dan ineens heel interessant samengaan met, bijvoorbeeld, lamsvlees of nog bijvoorbeelder: geitenlamsvlees – dat kun je op veel boerenmarkten krijgen bij de geitenkaasmakers, zeker in deze tijd van het jaar. Vraag ernaar! Het is verrukkelijk mals, zacht vlees. En de kaasmakers moeten hun bokjes nu eenmaal kwijt, zo gaat het bij kaasmaken.
Nu goed dan, ik leg het nog één keer uit: geiten (en koeien ook trouwens) moeten jongen krijgen willen ze melk geven. De geiten werpen meestal in de winter en het vroege voorjaar. De kleine geitjes worden veelal aan de kudde toegevoegd, maar de kleine bokjes natuurlijk niet: die eten alleen en produceren niets. Dus die mogen een poosje blijven tot er wat vlees op zit en dan gaan ze naar de slager. Hun vlees wordt ingevroren en door de geitenkaasmaker verkocht.
Aan ons!
Wie geen zin heeft in gesneuvelde geitenbokjes bij zijn fruit, kan ook een abrikozentaartje maken – heel simpel en werkelijk altijd verrukkelijk lekker.
Abrikozentaartje (voor 4 personen)
- 1 pond abrikozen
- 6 dl water
- 100 gr suiker
- zaadjes van 2 kardamompeulen
- stukje citroenschil
- 125 gr bloem
- 50 gr roomboter
- 50 gr suiker
- 1 losgeklopte eierdooier
- vanillesuiker
Zet het water op met de suiker, de citroenschil en de kardamom en breng aan de kook. Laat 10 minuten trekken. Ontpit de abrikozen, kook ze 5 minuten in de stroop.
Verwarm de oven voor op 200 graden. Snijd de boter fijn door het meel en de suiker, voeg de eierdooier toe en een eetlepel water en kneed dit snel tot een samenhangend deeg. Vet een kleine springvorm in en bekleed die met het deeg.
Laat de abrikozen uitlekken en leg ze op de taartbodem. Zet het taartje in de oven en draai die na 10 minuten op 175 graden, laat dan nog 25 minuten bakken.
Kook intussen de siroop wat verder in. Bestrooi de taart als-ie uit de oven komt met vanillesuiker (liefst zelfgemaakte: witte basterd waarin een vanillestokje bewaard wordt) en laat hem zonder de ring afkoelen op een rooster. Bestrijk de taart met wat van de siroop.
