Groene gevoelens op je bord
Zo was het dus, de lente. Elk jaar weer opnieuw kijk je ervan op. Die geur! Dat lichte groen! Het geweldige licht – terwijl het in de winter toch echt licht genoeg was, zeker deze winter die ons volop verwende met stralende dagen. Als je ernaar terug kijkt, lijkt het of het toen toch maar schemerig was, dat stralende dat je nu inademt was er niet. En als elk jaar lijkt het zo ook wel weer voldoende: het hoeft niet warmer, het hoeft niet groener, het hoeft niet voller, dit is helemaal goed en geweldig.
Maar over een poosje denk je weer: hoe kon ik het nu in april al goed genoeg vinden, alles was nog zo káál. En net als elk jaar wil je ook meteen totaal anders gaan eten bij de eerste warme dagen. Andere groenten, andere combinaties, leuke groene gevoelens op je bord.
So passé is die pompoen ineens, of witlof – er liggen nog wat struikjes te zieltogen in de groentela maar hemel, ik ga toch geen wítlof meer eten? Dat begrijpen jullie toch wel jongens? De struikjes knikken bleekjes en kwijnen verder.
Wat wil ik dan eten? De groenteboer moet het maar zeggen. Hij zegt: raapsteeltjes, en ja, raapsteeltjes, nou en of. En rabarber, zegt-ie ook. Deden we meteen al, gaan we de komende tijd nog meer doen.
Nieuwe aardappelen ziijn er ook al. Hoe dat kan weet ik eigenlijk niet, Maarten ’t Hart schreef afgelopen zaterdag in zijn spiksplinternieuwe moestuinrubriek dat hij in maart de eerste aardappeltjes legde (ja, hij legt ze, als eitjes) dus daar kan nu echt nog niet van gegeten worden.
Eigenlijk is er gewoon nog zo goed als niets op te eten buiten, hoe een grazig gevoel je ook al ontwikkelt.
Tot je ineens een onmiskenbare uiengeur ruikt. Ja! Natuurlijk! Daslook!
Tegenwoordig heb ik het in de tuin, voor er een tuin was, kende ik het uit het wild (in de duinen en in Zuid Limburg groeit het veel), als aanvankelijk hoogst vreemde sensatie. Je loopt door de zoete lente, alles bloesemt en dampt op z’n lieflijkst , daar staat een veldje groene blaadjes met heel leuke witte bloemetjes. Verrukt loop je erop af – en een knofuienlucht slaat je tegemoet.
In plaats van aan dromerige dingen en olla vogala die nestas hebban hagunnan denk je ineens weer aan grofstoffelijke zaken met kaas en brood erbij. Helaas moet je het bij denken laten want in Nederland mag het niet geplukt worden – in Duitsland en België wel. Zou de daslook daar weerbaarder zijn? Of bemoeien wij ons gewoon weer eens helemaal overal mee vooral in verbiedende zin?
Daslook zie je ook wel eens op biologische kruidenstallen liggen: het is puntig groen blad dat lijkt op dat van lelietjes van dalen, met witte bloemetjes. Je gaat er niet van naar knoflook stinken. Maar je proeft wel die lekkere looksmaak die bieslook ook heeft.
En een klein pestootje maakt de nieuwe aardappelen nog vrolijker, maar ook sperziebonen, pasta of een stukje lamsvlees verstaan zich wonderwel met daslookpesto. En de daslook kan natuurlijk ook gewoon in de sla (bloemetjes ook heel smakelijk) of door het roerei of – nu ja. Zo moeilijk is het allemaal niet te bedenken. Over gebakken tomaten. Enz.
Daslookpesto
- 75 gram daslook
- 40 gr walnoten
- 1,5 dl olijfolie
- 30 gr oude kaas
- evt. drupje citroen
Voor de pesto de daslook in een keukenmachine fijnmalen met de noten en wat zout, olie er in een straaltje bijgieten, kaas erbij, even proeven of er misschien een paar drupjes citroen in moeten (is lekker hoor).
