Nog even en de emissiehandel gaat failliet
Opslag van kolen bij een mijn in Fuxin (Foto Reuters)
Zonder een snelle grote schoonmaak is emissiehandelssysteem (ETS), de trots van het Europese klimaatbeleid, binnenkort waarschijnlijk failliet. De prijs van een ton CO2 is zo laag, dat bedrijven wel gek zouden zijn om dure maatregelen te nemen om hun uitstoot te beperken. Het is veel goedkoper om emissierechten bij te kopen. Daarvan zijn er miljoenen over en ze kosten amper zeven euro per ton (zie ook hier).
De Europese Commissie probeert al enige tijd maatregelen te nemen om het systeem te redden. De commissie wil veilingen van nieuwe emissierechten uitstellen en eerst de oude opgebruiken. Zo kan min of meer kunstmatig schaarste worden gecreëerd. Een dalend aanbod betekent een stijgende prijs.
Maar sommige critici vrezen dat zo’n ingreep het begin van het einde is. Je zou het gemakkelijk kunnen uitleggen als een bewijs dat het marktmechanisme in de emissiehandel niet werkt en het zou de onzekerheid alleen maar verder aanwakkeren. En als er één ding is waar bedrijven een hekel aan hebben is het wel onzekerheid.
De Nederlandse staatssecretaris van Milieu Joop Atsma denkt zo'n beetje langs die lijn. Hij is dan ook tegen het voorstel van de Commissie. In reactie op kamervragen (naar aanleiding van een opmerking van hem in de Telegraaf) schrijft hij:
‘Wat ik heb gezegd is dat ik geen voorstander ben van dit voorstel dat in de huidige situatie kan leiden tot tijdelijk hogere kosten voor Nederlandse bedrijven die mondiaal concurreren, hetgeen indirect nadelig kan zijn voor de Nederlandse economie.’
Voor Atsma betekent dat, dat hij voorlopig tegen het voorstel zal stemmen. Tot verontwaardiging van GroenLinks Europarlementariër Bas Eickhout, rapporteur over dit thema:
‘Het huidige kabinet doet niets aan klimaat- of energiebeleid, zogenaamd omdat wij het emissiehandelssysteem hebben. Tegelijkertijd gooit het huidige kabinet elk voorstel om het handelssysteem uit het slop te halen en de vervuiler echt te laten betalen in de prullenbak. Tot groot ongenoegen van bedrijven als Philips, Unilever en Eneco.’
In Bangkok, waar vorige week onderhandelaars en deskundigen over een ander element van de emissiehandel spraken, namelijk het Clean Development mechanism (CDM), werd ook al de noodklok geluid (lees hier, hier en hier). Ook hier is de prijs van zogeheten ‘Certified Emission Reductions’ als gevolg van een overaanbod, inmiddels veel te laag (rond de 2 dollar).
Ook het CER-systeem dreigt in te storten, ondanks de mooie woorden van de Britse Joan MacNaughton, vicevoorzitter van adviesgroep die in Bangkok een dramatisch getoonzet rapport uitbracht aan het uitvoerend orgaan van het CDM:
‘We can help build national capacity, provide experts and best-practice examples, and train local people to ensure sustainability in developing countries.’
Het CDM bleek in het verleden gevoelig voor misbruik. En daar is dezer dagen weer een variant bijgekomen. Het Hivos attendeerde mij op een bericht van CDM-Watch, een non-gouvernementele organisatie die het CDM controleert. Wat blijkt? Onlangs zijn projecten voor de bouw van nieuwe kolencentrales goedgekeurd binnen het CDM (lees hier).
Het gaat om moderne centrales, die iets schoner zijn dan de oudere modellen – en voor dat verschil worden ze beloond met emissiecertificaten. Maar het blijven wel kolencentrales, alsdus klimaatspecialist van het Hivos, Eco Matser. Centrales die de komende dertig tot veertig jaar gewoon broeikasgassen blijven uitstoten. Om dit te beschouwen als 'schone ontwikkeling' moet die term wel heel erg worden opgerekt.
Volgens Matser is een van de grote fouten van het CDM-systeem, dat het vooral grote projecten van grote landen als China en India faciliteert, terwijl het eigenlijk veel geschikter is voor kleinschaligheid.
Eva Filzmoser, directeur van CDM-Watch:
‘With already weak climate targets and over-supplied carbon markets, the EU cannot afford to further undermine its EU ETS. We expect legislators to act and immediately ban carbon credits from coal power and other project types that are clearly business-as-usual.’
