Opluchting in Brussel, maar alleen daar
Uiteindelijk zijn ze het eens geworden over wat er al in de ontwerp-conclusies stond:
- De kosten voor ontwikkelingslanden om zich aan klimaatverandering aan te passen en om een toename van de CO2 uitstoot terug te dringen bedragen in 2020 ongeveer 100 miljard euro per jaar.
- De rijke landen, die een grote historische verantwoordelijkheid hebben voor het probleem, moeten daarvan 22 tot 50 miljard euro betalen.
- Het aandeel dat de EU voor zijn rekening neemt is een onderwerp van onderhandelingen.
- Over de verdeelsleutel binnen de EU voor dat bedrag wordt pas later een besluit genomen.
Vooral over dat laatste punt maakten de Europese landen zich grote zorgen. Een aantal Oost-Europese landen, onder aanvoering van Polen, willen dat de rijkere EU-landen veel meer gaan betalen dan zij. De landen wilden eigenlijk nu alvast een verdeelsleutel afspreken, maar dat zou een beetje vreemd zijn zolang er nog geen verdeelsleutel tussen de rijke landen en de ontwikkelingslanden is afgesproken.
De Europese regeringsleiders mogen dan tevreden zijn over het akkoord, om de onderhandelingen voor Kopenhagen vlot te trekken is meer nodig. In feite biedt het akkoord weinig nieuws. Nog steeds weigert de EU te zeggen hoeveel zij bereid zijn te betalen.
Voor de ontwikkelingslanden is dat een signaal om geen toezeggingen te doen 0ver eventuele verplichtingen die zij zouden willen (of moeten) aangaan om de wereldwijde uitstoot van CO2 terug te dringen. De EU zegt te wachten op de VS en andere geïndustrialiseerde landen. Maar de VS wachten op China. En China is het eens met de ontwikkelingslanden, waartoe zij zichzelf rekenen, dat de rijke landen de eerste stap moeten zetten. Met een akkoord zoals de EU nu heeft gesloten, zal de patstelling in ieder geval voor Kopenhagen niet worden opgelost. En misschien tijdens Kopenhagen evenmin.

