Eigen conclusie zinde klimaatcoalitie niet
De New York Times heeft een rapport gepubliceerd dat in 1995, dus twee jaar voordat de wereld in Kyoto een klimaatakkoord sloot, werd gemaakt op verzoek van de Global Climate Coalition, een club van bedrijven met belangen in de olie-industrie, die jarenlang heeft gestreden tegen de theorie van het versterkte broeikaseffect. Lennart van der Linde schreef er voor het weekeinde in een reactie al over. Ik wil er graag nog op terugkomen.
Uit het rapport blijkt dat wetenschappers van de Global Climate Coalition niet twijfelen aan de invloed van broeikasgassen op de temperatuur. De auteurs schrijven: de wetenschappelijke basis voor het broeikaseffect en de mogelijke invloed van de uitstoot van broeikasgassen zoals CO2 op het klimaat is algemeen vastgesteld (well established) en kan niet worden ontkend.
Het rapport stelt vast dat bestaande klimaatmodellen niet nauwkeurig genoeg zijn om te voorspellen wat er zal gebeuren. Al was het maar door onvoldoende kennis van de natuurlijke variabiliteit van het klimaat. En omdat we niet weten hoe de concentratie van CO2 zich zal ontwikkelen. Ook weten we, volgens de auteurs, niet of de opwarming groter is dan een natuurlijke afwijking.
Maar het meest opmerkelijk is de beschrijving van de ‘alternatieven’. De activiteit van de zon, de rol van waterdamp, fouten in temperatuurmetingen – allemaal passeren ze de revue en de conclusie: geen biedt een overtuigend argument tegen het bestaande model van klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen.
Het gaat me hier niet om de vraag of de conclusies in het rapport waar zijn, maar om het feit dat een organisatie jarenlang twijfel heeft gezaaid over het broeikaseffect, gebaseerd op alternatieve theorieën, die door hun eigen wetenschappers als onvoldoende werden aangemerkt.
Uit inmiddels vrijgegeven documenten, schrijft de New York Times, blijkt dat de Global Climate Coalition het rapport pas goedkeurde nadat de voor de groep pijnlijke conclusie was geschrapt.

