Relatieklacht
Voor iedereen duidelijk hoorbaar bespreekt een meisje in de trein telefonisch haar relatieproblemen. Hoewel het wederwoord ons onthouden wordt is het duidelijk: ze is veel te lief en toegeeflijk. In de blikken van de medepassagiers meen ik hetzelfde oordeel te lezen. Vlak na het verlaten van het Amstelstation richting Utrecht krijgt de klacht ‘en we zien elkaar ook al zo weinig’ een extra dimensie. Enthousiast klinkt het: „Hé, als je nu voor het raam gaat staan kunnen we zwaaien.”
Benieuwd, meer of minder verdekt, kijkt iedereen mee naar buiten. Daar trekken de torens van de Bijlmerbajes aan ons voorbij.
Hans Karel
