Jou(w)
In de trein lees ik mijn huiswerk voor een schrijfcursus.
Naast mij zitten twee jongens die met een onmiskenbaar Twentse tongval hun huiswerk voor school bespreken. Ze staan uitgebreid stil bij een regel in de Nederlandse taal. Wanneer schrijf je jou en wanneer jouw?
Net voor het einde van de reis komt een van hen met de oplossing: „Als je ‘joun’ voor een woord kunt zetten, is het jouw.”
Op weg naar de uitgang bedenk ik een aantal voorbeelden en het klopt steeds. Leve het dialect!
Ingrid Keulen
