Om het geloof
De naam op de deur is er nog. Voor het eerst durf ik er aan te bellen en een vrouw doet open. „Er woonde hier vroeger een meisje dat Hester heette. Hoe is het met haar?” De vrouw aarzelt. „ Kom eerst even binnen.” Ze vervolgt: „Hester was mijn zusje, ze is overleden. Ik denk elke dag aan haar.” Ze vertelt dat ze zich mij nog kan herinneren en vraagt waarom het toen uitging. „Om het geloof”, zeg ik, „jullie vader verbood het.”
In de trein, de zondag erna, zit ik tegenover een jonge vrouw die haar correctiewerk opzij legt. Wat ik helemaal ging doen in Drenthe? „Op een begraafplaats mijn eerste liefde opzoeken.”
„Dat is dan knap laat”, zegt ze.
Jan de Smidt
