Waarom de wereld niet wil ingrijpen in Syrië
Op dit beeld, gehaald uit een Youtube video, houdt een Syrische man een meisje vast. Volgens activisten is het meisje gedood toen de wijk Baba Amr in Homs onder vuur werd genomen door het regime. Foto AFP / Youtube
Hoe emotioneel mag een krant zijn? Mag je als kwaliteitskrant campagne voeren? Moet je de lezer hard confronteren met bloederige beelden? De discussie op deze redactie woedt de jongste dagen weer stevig. Ze gaat over de vraag of we op een goede manier berichten, analyseren en commentariëren over de toestand in Syrië.
Natuurlijk wil NRC Handelsblad evenwichtig zijn. Bedachtzaam. Genuanceerd. Maar we moeten ook aanklagen als dat moet. Het ‘J’ accuse’ van Zola moet ook op onze voorpagina. We moeten tonen dat we verontwaardigd zijn. We mogen onze frustratie en onmacht uitschreeuwen.
Die frustratie zit diep in mij. Het gevoel wortelt in het feit dat de pers in mijn ogen te laat te weinig deed aan de slachting in Rwanda in 1994. Misschien wel een miljoen mensen verloor toen het leven terwijl de wereld machteloos toekeek. En ook journalistiek reageerden we toen te terughoudend. Daar ben ik nog steeds boos en ongelukkig over.
Daarom ook maken we vanmiddag een bijzondere voorpagina. Met een ongelofelijk aangrijpende foto van een Syrische vader met zijn stervende kind in de armen. En een analyse die duidelijk moet maken ’waarom de wereld niet wil ingrijpen’.
Want als we een iets kunnen doen is het wel het volgende: vertellen aan onze lezers wat in Syrië aan de hand is, waarom kan plaats vinden wat er plaats vindt, tonen wat er echt gebeurt. En zo proberen we de publieke opinie in dit land vorm te geven.
