Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Moet de overheid de kwaliteitsjournalistiek redden?

 American journalism is in an existential crisis. Die vaststelling is lang niet nieuw, maar daarom niet minder waar. En met die zin opent het stevige boek van twee Amerikaanse professoren, dat de wel erg duistere titel meekreeg Will the last reporter please turn out the lights: the collapse of journalism and what can be done to fix it.
 
Het boek ─ bestaande uit 32 soms al eerder gepubliceerde essays ─ is de afgelopen weken een van de meest besproken publicaties aan Amerikaanse scholen voor journalistiek en bij de koffieautomaten van zowat alle Amerikaanse krantenredacties.
 
Want de crisis in de Amerikaanse krantenjournalistiek mag dan enkele decennia oud zijn, in 2007 werd duidelijk dat de grote krantenconcerns in de VS reuzen op lemen voeten zijn en sindsdien diept de crisis zich uit at breakneck speed.
 
Oplages dalen, inkomsten verminderen, lezers lezen minder lang in de krant, kranten hebben minder gezag.
De voorbije kwart eeuw werd een vierde van alle banen in Amerikaanse redacties geschrapt, onderzoeksjournalistiek en buitenlandjournalistiek dreigen te verdwijnen, kranten besteden minder geld en ruimte aan wetenschap, muziekkritiek en boekenrecensies. En het lijkt er voorlopig ook niet bepaald beter op te worden. ‘De VS, en elk land ter wereld in mindere of meerdere mate, staat voor een fundamenteel probleem: hoe creëren we leefbare en onafhankelijke media, of hoe beelden we ons in hoe de wereld eruit ziet zonder de vierde macht?’
 
Maar is dat alles erg? De ineenstorting van de dagbladjournalistiek is wel degelijk een probleem, schrijft Eric Alterman in zijn bijdrage. Want sedert de allereerste krant in 1721 in Amerika verscheen, ‘hebben de dagbladen, meer dan gelijk welk ander medium, die informatie ter beschikking gesteld die de natie verlicht heeft’. Alterman, die in The New Yorker drie jaar geleden zijn opmerkelijke essay The Death and Life of the American Newspaper schreef, is ronduit pessimistisch over de vraag hoe dat ‘licht nog kan schijnen’ in een op het internet gebaseerde nieuwscultuur.
 
Zijn die blogs en internetsites dan niet de natuurlijke opvolgers van de ‘dode bomen’? Het is een lovely fantasy om te denken dat het internet ‘het gat heeft gevuld’, betogen verschillende schrijvers in het boek.
 
Want op al die sites en blogs mogen opinies wild bloeien, van echt veel verslaggeving ─ laat staan van grondig en zorgvuldig onderzoek ─ is geen sprake. ‘Soms’, merkt een van de auteurs terecht op, ‘bestaan deze commentaren uit originele perspectieven en argumenten, maar vele ervan lijken meer op de graffiti op de muren van wc’s.’
 
Wees niet zo zelfvoldaan, roept Janine Jackson de klassieke journalisten dan weer toe. En sla jezelf maar niet al te zeer op de borst. De internetbubbel? De opwarming van de aarde? De financiële crisis? De invasie in Panama? De oorlog in Irak? Toch allemaal dossiers waar grote nieuwsorganisaties niet echt trots op kunnen zijn…
 
Maar goed, wat moet er dan gebeuren om de kwaliteitsjournalistiek te redden. Vele auteurs in deze bundel scharen zich achter wat Lee C. Bollinger ─ lid van de raad van bestuur van de Washington Post en voorzitter van Columbia University ─ eerder dit jaar nadrukkelijk zei: een ingreep van de overheid.
 
In een Amerikaanse maatschappij en perswereld die nog veel meer dan in Europa argwanend en zelfs vijandig staat ten opzichte van die overheid is dat vloeken in de kerk. Maar toch. Zoals de overheid een rol te spelen heeft in de openbare gezondheid of de publieke financiën, moet de overheid erover waken dat de kwaliteitsjournalistiek kan blijven floreren. Dat die journalistiek het als een van haar belangrijkste taken ziet om diezelfde overheid te controleren kan dan paradoxaal lijken, maar nood breekt wet.
 
Want, schrijft Pickard, 1. Journalistiek is essentieel voor de democratie. 2. De reclame die het systeem 150 jaar ondersteunde, doet het niet meer. 3. Er zijn geen nieuwe commerciële of non-profitorganisaties die traditionele media vervangen. Dus moet de overheid optreden.
 
‘We moeten beseffen dat journalistiek een voorwaarde is voor democratie en ook dat de markt de journalistiek van de toekomst niet zal redden. We moeten dus overheidsgeld spenderen’, aldus Robert McChesney en John Nichols. Die er zelfs niet voor terugschrikken om het idee te promoten dat de overheid de helft van alle journalistensalarissen zou moeten betalen. ‘Een investering van 1,25 miljard dollar ─ een fractie van wat de overheid een eeuw geleden betaalde in subsidies voor de distributie van kranten’.
 
Anderen zoeken nadrukkelijk hun heil in filantropische steun van non-profitorganisaties (een model dat overigens dicht aansluit bij dat van de Britse The Guardian ─ de krant lijdt zware verliezen maar die worden gecompenseerd door winsten uit andere activiteiten) of in samenwerking tussen universiteiten en kranten.
 
Een van de organisaties waarnaar geregeld verwezen wordt, is ProPublica, dat zichzelf omschrijft als een ‘onafhankelijke, non-profit nieuwsorganisatie die onderzoeksjournalistiek produceert voor het algemeen belang’. Maar met slechts enkele tientallen journalisten in dienst wordt ProPublica, gefinancierd door stichtingen en particulieren, door sommigen ook weggezet als ‘een druppel op een gloeiende plaat’.
 
Op het einde van de rit maakt het boek een wat wanhopige indruk. Terwijl we toch, als we eerlijk zijn, moeten toegeven dat we er niet in zijn geslaagd om onze kranten zo goed en aantrekkelijk te maken dat onze lezers en adverteerders massaal blijven. Integendeel: die keren ons de rug toe. En nu moeten de overheid en rijke filantropen ons redden. Ik mis dus vooral de zelfkritiek van de vierde macht in dit verder overigens mooie boek.
 
 
Will the last reporter please turn out the lights: the collapse of journalism and what can be done to fix it. Edited by Robert W. McChesney and Victor Pickard. The New Press. New York, London, 2011.
 

Lees meer over:
journalism
Media
Newspapers

26 reacties op 'Moet de overheid de kwaliteitsjournalistiek redden?'

Siegfried Bok

Geachte Hoofdredacteur,
Is dit geen dagdromen?
De krant en/of de media in het algemeen is toch niet veel meer dan een verlengstuk van de Staat als het om inhoudelijkheid gaat?
Ieder weldenkend mens weet dat de leugen ons regeert en zodra daar iets van naar buiten komt wordt het afgedaan als complot-theorie en daarmee is de kous af.
Vaak moet ik denken aan dat Brabant’s grapje: het gesprek tussen Meneer Philips en de pastoor “Houde gij ze maar arm dan houd ik ze wel dom”.
Onze zoon wilde eens journalist worden, maar toen hij de code en/of leefregels voor journalisten te zien kreeg was zijn zijn liefde voor dit vak verleden tijd.
En…
Vindt U het niet frustrerend dat U een groot deel van de krant moet vullen met “volksvermaak” om genoeg geld te verdienen?
Naar mijn bescheiden mening is iedere tak van onze samenleving waar subsidie van Staatwege wordt verstrekt basaal verkeerd bezig, want subsidie – komend van het Latijnse woord subsidere – is al onderdrukking en/of iemand onder de duim houden.

S. Neederpelt

Een tamelijk onvast stukje van de hoofdredacteur P. Vandermeersch (Oei! Wordt deze opmerking in een “kwaliteitskrant” geplaatst, of als latrinekunst gedumpt!?). Maar, een journalist kan dan hoofdredacteur zijn, dat stelt hem of haar niet boven milde kritiek, is het wel? Tot nogtoe zie ik op deze blog een ongevaarlijke recatie van een bekende reageerder. Wie is die reageerder trouwens in werkelijkheid? Subsidere is onderdrukken, jawel meneer pastoor, lus je nog een verse ouwel?

“ Zoals de overheid een rol te spelen heeft in de openbare gezondheid of de publieke financiën, moet de overheid erover waken dat de kwaliteitsjournalistiek kan blijven floreren.” Dat die journalistiek het als een van haar belangrijkste taken ziet om diezelfde overheid te controleren kan dan paradoxaal lijken, maar nood breekt wet.”

Hoezo: “Nood breekt wet” ? Het is me dunkt inherent aan kwaliteitsjournalistiek dat die de overheid (intussen ook een uiterst schimmig en vaag begrip) op de voet volgt en desnoods controleert en kritiseert. Niet af en toe en vooral als dat zonder risico kan, maar permanent. Een journalistiek die zich door die overheid laat intimideren of nog erger: omkopen, is q.q. de naam journalistiek niet waard, laat staan KWALITEITSjournalistiek. Schaf die hobby maar subiet af. Daar hoeven we geen traan om te laten.

“Want, schrijft Pickard, 1. Journalistiek is essentieel voor de democratie. 2. De reclame die het systeem 150 jaar ondersteunde, doet het niet meer. 3. Er zijn geen nieuwe commerciële of non-profitorganisaties die traditionele media vervangen. Dus moet de overheid optreden.”

Dat ben ik volmondig met Pickard eens. Ik zal het boek van de twee Amerikanen kopen en zien wat ik daar zelf van vind. Tot nu toe hebben de reviews en “besprekingen” van dit boek die ik op het internet tegenkwam wat mij betreft, niet overgehouden. Zou dat met mijn groeiende wantrouwen jegens informatiebronnen te maken hebben, of met de steeds slechter wordende journalistiek? Een kip-ei vraag zo komt mij voor.

Siegfried Bok

@S. Neederpelt.
Denkt U werkelijk dat schoppen helpt.
Zo zit de systeemdictatuur nu eenmaal in elkaar.
Als U wilt zien wie die bekende reageerder in werkelijkheid is kan ik U zeggen dat mijn hele doopsale te lezen is op http://www.wetenschap-eindtijd.com.
En hoe U aankijkt tegen de medische wereld vind ik uiterst zielig.
En zeker hoe de overheid hier volgens U “kwaliteits-controle” op houdt.
Het gaat op alle terrein slechts om geldindrang en niets meer.
Ik werd uit dit maffieuse kartel gezet, omdat ik oplossingen vond voor soms zeer ernstige ziekten met onpatenteerbare medicamenten.
Toen ik derhalve besloot mijn doktersjas aan de wilgen te hangen en in de garage van mijn huis verder te gaan met deze onpatenteerbare medicaties, was voor de Staat de maat vol en probeerde men mij op alle mogelijke manieren achter de tralies te krijgen.
Toen was voor mij de maat vol en heb ik de dokterswereld vaarwel gezegd.
Hoop dat U tevreden bent.

S. Hulshorst

Of ik het ook een mooi boek vind, zoals Peter Vandermeersch, weet ik nog niet. Ik moet het nog lezen.

“Op het einde van de rit maakt het boek een wat wanhopige indruk. Terwijl we toch, als we eerlijk zijn, moeten toegeven dat we er niet in zijn geslaagd om onze kranten zo goed en aantrekkelijk te maken dat onze lezers en adverteerders massaal blijven. Integendeel: die keren ons de rug toe. En nu moeten de overheid en rijke filantropen ons redden. Ik mis dus vooral de zelfkritiek van de vierde macht in dit verder overigens mooie boek.”

Dat Vandermeersch de schuld van de afname van betalende krantenlezers geheel bij de krantenmakers – vooral journalisten – legt, siert hem. Althans zo lijkt het op het eerste gezicht. Het zal in ieder geval de huidige eigenaars van de NRC vast veel goed doen. Ik heb even teruggekeken bij Vandermeersch’ blogs en lees bij de dode bomen:

“Gaat die journalistiek overleven als steeds minder mensen bereid blijken te zijn om iets ─ een krant als NRC kost 1,80 euro per dag ─ te betalen voor dat soort journalistiek? Misschien niet.
Maar elk spoortje van heimwee naar de gouden krantenjaren zou totaal ongepast zijn. Wij, journalisten en krantenmakers, hebben ons lot zelf in handen: door zo goed, creatief, inspirerend, confronterend te zijn dat we eenvoudigweg onmisbaar zijn. Wij moeten gulzig de nieuwe media omarmen. En onszelf, inhoudelijk en commercieel, opnieuw uitvinden.”

Ik vermoed dat die laatste zin menige (goede) journalist de schrik om het hart doet slaan. Zij of hij moet niet alleen het nieuws achterhalen, attraperen en bovendien snel duiden, maar ook nogeens zichzelf heruitvinden. En wel zo, dat ze onmisbaar worden! Waar haal je die tijd en energie vandaan, zo vraag ik mij in alle bescheidenheid af. Bij het lezen van de mission statements van Peter Vandermeersch weet ik een ding in ieder geval zeker: als journalist bij een krant als de NRC moet je niet willen werken.
Mij lijkt een club als Pro Publica (zie http://www.propublica.org/about/) veel en veel aantrekkelijker. Dat Pro Publica volgens Vandermeersch door “sommigen” weggezet wordt als een druppel op een gloeiende plaat, lijkt me een aanbeveling te meer! Nooit gehoord van “het gat in de markt” meneer de Hoofdredacteur?

Ernst Kers

Naar mijn idee gaat het hier slechts om een schijn probleem. Samengevat: “Kranten zijn essentieel voor de democratie. Het voortbestaan van kranten staat op het spel. Dus het voortbestaan van de democratie staat op het spel.” Volgens mij is hier sprake van het niet onderscheiden van doel en middel. Vreemd voor een beroepsgroep waar het hebben van onderscheidend vermogen essentieel is om te functioneren. Maar wanneer het henzelf betreft zijn mensen vaak niet in staat om de werkelijkheid te zien. En journalisten zijn ook mensen.

Het essentiële feit is natuurlijk, dat een journalist een medium (= middel) nodig heeft om andere mensen zijn verhalen te vertellen (= doel). Vroeger was er niets anders dan papier en inkt. Vroeger is ook niet meer dan de laatste paar honderd jaar, want langer bestaan kranten nog niet. Daar is de radio bij gekomen. Daar is de televisie bij gekomen. Daar is het internet bijgekomen. De mogelijkheden om verhalen te vertellen zijn enorm toegenomen. De mensen die die verhalen willen horen, dat zijn mensen die vroeger de kranten kochten en lazen. Want er was niks anders. Die mensen zijn ook naar de radio gaan luisteren. Die mensen zijn ook naar de televisie gaan kijken. Die mensen gebruiken nu ook het internet om die verhalen te lezen, te horen en te zien. Die mensen hebben nog steeds behoefte aan die verhalen. Kortom, de behoefte aan (goede) journalisten blijft. Middelen voor de journalisten om hun verhalen te vertellen zijn er meer dan ooit te voren.

Hoe dat gefinancierd gaat worden? Er was vroeger behoefte aan nieuws, en daarom waren kranten vroeger commercieel mogelijk. Of de lezers het direct (abonnement of losse verkoop) betaalden of indirect (advertentie inkomsten) was slechts belangrijk voor de commerciële afdeling van de krant.
Nieuws is commercieel interessant. Er zal altijd behoefte zijn aan nieuws. Aan nieuws kan altijd verdiend worden. Het is even zoeken naar de meest geschikte commerciële modellen voor de nieuwste media. Maar dat gaat lukken.

Of het middel “krant” zal overleven? Mogelijk niet. Mogelijk als niche. Zal kwalitatief goede journalistiek overleven? Natuurlijk. Er is behoefte aan en de mogelijkheden van informatie verzamelen en vertellen zijn groter dan ooit te voren.

Ed Harms

Wat moet die zelfkritiek naar uw idee zijn?

Robert Esland

Dat kranten eraan onderdoor gaan is de schuld van de krantenmakers, en dan vooral de marktonderzoekers en de managers. Simpel als wat. Een echte krant is namelijk per defintie een broadsheet, en een tabloid is altijd een goedkoop vod. En voor die vodden moet inmiddels veel te veel worden betaald.

Ik woon in Duitsland en betaal graag 4 euro voor Die Zeit. De drukkwaliteit en het formaat vormen een prachtig produkt, dat zijn geld waard is. Een vod, of het nou Trouw is of NRC of wat dan ook, is nog geen 50 cent waard.

Ik heb in Engeland het begin van de teloorgang van de Times meegemaakt: dat werd ook een tabloid en miste vanaf de eerste dag iedere vorm van autoriteit. De prachtige reputatie van The Times met een klap naar het niveau van de Sun en de Mirror. Hoe stom kunnen managers zijn.

Ja, ik weet het, de discussie is allang afgesloten. De lezer wil een tabloid in de trein. Maar ik geloof er niks van. De lezer wil in de trein een iPad of een gratis Metro. De lezer thuis wil een broadsheet, en die krijgt hij/zij niet meer. En daarom gaan op termijn alle tabloids ten onder. Wel, good riddance, zou ik zeggen.

Ik heb 10 jaar bij een krant gewerkt, en ik weet een beetje waar ik het over heb. Een tabloid is geen krant: alle inhoud is bij voorbaat goedkoop en niet de moeite van het bewaren waard. Als je een tabloid een dag niet leest, haal je je schouders op; als je een broadsheet een dag niet leest heb je het gevoel dat je dat moet inhalen.

En maar vooral niet luisteren, al die managers in het krantenbedrijf.

klaaske ceelens

Ach ja, het zal allemaal wel. De krant wordt intussen geproduceerd als een consumptieprodukt en ik kies wat mij het beste uitkomt. Ook uit de vele blogs waar ik uit kan kiezen. Gelukkig wel, want de zelfgenoegzame journalisten hebben het nu lang genoeg te zeggen gehad. Laat ze maar concurreren met al de andere vele nieuwsgaarders en duiders. Zo’n boek is natuurlijk maar even interessant. Te snijdende kritiek op de journalistenstand wordt sowieso de kop afgehakt. Dus net goed, al die concurrentie.

Truusje van Tol

Wat moet er gebeuren om de kwaliteitsjournalistiek te redden? vraagt u. In ieder geval NIET op de wijzer zoals nu gebeurt v erslag uitbrengen van d egebeurtenissen rond de brand in Hoofddorp, waarbij een hele gezin om hetg leven kwam. Het lijkt wel of nrc.nl zijn best doet de Telegraaf na te apen: sensagionele berichtgeving, hijgerige updates, foto’s rond het gebeuren (zelfs een plattegrond met pijltje naar de plek van de brand: komt dat zien!).

Een vader, een moeder en drie jonge kinderen hebben het leven verloren. Dat dat verschrikkelijk is, snappen NRC-lezers ook wel zonder deze opklopperij. Kwaliteitsjournalistiek hoort zulk triest nieuws m.i. juist ingetogen te brengen, in plaats van de saus van de sensatiezucht erover heen te kwakken. Dat doen de pulpbladen wel. Wees a.u.b. integer.

Ronald Meliezer

Bij de dorpspomp wordt achterklap, roddel, verhaaltjes en ook betrouwbare informatie uitgewisseld door mensen in alle gradaties van slimheid en integriteit. Al die mensen hebben behoefte aan een soort van houvast. De dorpspomp heeft door de gang zoals geschetst door Ernst Kers nu een reikwijdte van de aarde rond en tig miljard mensen. Van die tig spreken slechts 20 miljoen nederlands, van die 20 miljoen zijn nu nog 200 000 bereidt meer dan nul te betalen voor iets van papier of iets digitaals wat zij associeren met informatief en betrouwbaar: de NRC. Naarmate het informatiever en betrouwbaarder -en dus niet popieer en platter- wordt willen ze zelfs misschien wel meer betalen. Laten we zeggen dat er 500 000 nederlanders zijn die informatief en betrouwbaar toch echt op prijs stellen, dan kan in ieder geval een Belg en heel misschien zelfs een Hollander daar toch een rendabele business case van maken voor de komende 5 jaar.

John Jansens

Een oud gezegde:
“De vraag stellen is hem beantwoorden”.
Maar hier lijkt toch iets anders aan de orde gesteld te worden.
Hij zegt in feite tegen zijn ‘kwaliteits-journalisten’, die tenslotte voor die ‘kwaliteits-journalistiek’ verantwoordelijk zijn: “Sorry,gewaardeerde dames en heren ‘kwaliteitsjournalisten’, ik kan me jullie riante salariëring niet meer veroorloven als ik geen subsidie krijg…”
En dat is -lijkt me- een rechtse directe “right in the face”, zoals Sem Schilt die ooit kreeg van een inmiddels aan lager wal geraakte Amsterdams-Marokkaanse straatvechter.
Al wordt het hier op een wat omfloerster ‘kwaliteits-niveau’ gepresenteerd aan ‘den volke’.
Op de achtergrond speelt wellicht mee,dat door overschakeling op het tabloid formaat er gewoon minder papier beschikbaar is,om met die kwaliteits-journalistiek te bedrukken.

Interessante lectuur dus,dit exposée van Vandermeersch.

Voor de lezers van de NRC,en met náme de abonnée’s…
De kwaliteits-journalisten van de krant zullen ongetwijfeld een beroep doen op het liberale geweten in De Haagse ‘Libertas’ Bastionnen,
om de LUX in het motto van deze krant niet tot “onbetaalbare luxe” te bestempelen?

Jessica

Wat voor de een een kwaliteitskrant is, is dat voor de ander niet. Hetzelfde geldt voor kunst. Ik merk in de praktijk dat NRC-lezers een heel andere mening zijn toegedaan over veel zaken en in een heel andere wereld leven dan ik of bijvoorbeeld Telegraaf-lezers. Als er een markt voor is dan kunnen ze hun eigen broek ophouden en zo hoort het ook.

Ron Batten

Ik denk dat het vak van journalist los staat van het medium. Het medium kan geluid, beeld of schrift zijn, en bij schrift kan het om een krant, week- of maandblad gaan, maar ook om een website. Waarom zou de overheid “de krant” moeten redden als het publiek met de voeten stemt? Als het publiek liever een “Uitgesproken” of “Zembla” op televisie heeft, kan de onderzoeksjournalist daarheen.
Ik denk dat een krant als de NRC succesvol zou kunnen migreren naar een toonaangevende internetkrant, als zij zijn traditionele lezerspubliek niet aan de kant had gezet om met een me-too internetpagina te komen.
Volg je klant, ondernemer! Klaag niet als je klant vertrekt, dan doe je namelijk zelf iets verkeerd.

Siegfried Bok

@ Ron Batten.
De journalistiek is een essentieel onderdeel van de Staat en/of de politiek.
De vermeende individuele vrijheid van meningsuiting is louter “een leugentje om bestwil”.
Des te groter de subsidie wordt, des te groter wordt de leugen die regeert.
Het is zoals Meliezer [10] zegt dat de waarheid achter de leugen bij de dorpspomp te horen is en dat wordt Staatsrechtelijk de kop ingedrukt door te zeggen dat het “complot-theorieën” zijn.
Dat is ook de reden dat er steeds minder belangstelling is voor kranten.
Ik spreek hier als ervaringsdeskundige en werd niet voor niets tot Staats-gevaarlijk gezien, omdat ik de medische maffia als zijnde één van de grootste inkomensbronnen voor de Staat kreeg te zien.
Het adagio luidt hier “Hoe zieker hoe rijker”.
Andersom geldt dit ook en daarom heet het ook “de macht van het stinkend geld”.

Bas Benneker

Als de journalistiek echt essentieel is voor de democratie, en we houden de laatste, dan zal de eerste linksom of rechtsom nieuwe wegen vinden om lucratief te zijn. Naar een ‘essentiële’ zaak zou immers altijd voldoende vraag moeten zijn om haar productie te bekostigen.

Nu dat voor de journalistiek niet langer het geval lijkt, moeten we ofwel concluderen dat de journalistiek niet zo ‘essentieel’ is als vooral haar beoefenaars menen, ofwel constateren dat het huidige verdienmodel niet langer deugt.

Gaan we – wellicht wat optimistisch – uit van het laatste, dan is subsidie het laatste waar we aan moeten denken. Nieuwe verdienmodellen ontstaan in de regel juist uit de noodzaak om het zonder staatssteun te redden. Denk aan commerciële televisie. Overheidssteun zou de opkomst en proliferatie van nieuwe verdienmodellen enkel belemmeren.

Het is waar dat journalistiek nu wegkwijnt op internet, waar alles draait om pageviews, eyeballs, clicks en cpm’s. Daarin kan kwaliteitsjournalistiek nu eenmaal niet concurreren met sensatie en gratuite meningen. Meningen die trouwens alleen maar gratuiter worden, want een gedegen opinie is gebaseerd op feiten, en daarvan zijn er steeds minder.

Een enkel journalistiek artikel trekt op internet simpelweg te weinig lezers om met advertenties te bekostigen. Mogelijk was dat vroeger in de krant ook al zo, maar die kocht men toch als geheel. Het ‘gewone’ nieuws kon zo de duurdere producties subsidiëren. Dat ‘gewone’ nieuws is gratis geworden, dat wil zeggen, kan (net) betaald worden door advertentie-inkomsten. Zo blijft er, afgezien van de snel slinkende abonnementsgelden, weinig over voor eigen journalistiek.

Experimenten met online abonnementen en microbetalingen zijn volop aan de gang, maar de resultaten stemmen niet hoopvol. Met gratis aanbod valt niet te concurreren, en bovendien verliest een nieuwsbericht op internet direct na publicatie alle waarde: content-aggregators en parafraserende webredacteuren van ‘nieuwssites’ stropen nieuwswaardige berichten voordat de tiende abonnee het artikel uit heeft.

Het ‘verdienmoment’ voor een journalistiek product is dus het moment van publicatie. Een veilingmodel, waarin journalisten het eerste publicatierecht van hun artikelen verkopen aan de hoogste bieder, zou daarom voor journalisten een oplossing kunnen zijn. Maar niet voor kranten. Die worden gereduceerd tot inkopers van content. Dat zal goedkoper zijn dan de instandhouding van permanente redacties, maar het is de vraag of dat volstaat om het haperende verdienmodel te herstellen.

Een ander deel van de oplossing zou kunnen bestaan uit sponsoring van artikelen door organisaties, instanties, belanghebbenden en bedrijven, met garanties voor onafhankelijkheid, bijvoorbeeld door donaties te anonimiseren.

Het klinkt onwaarschijnlijk dat mensen en bedrijven betalen voor een product dat ze vervolgens niet naar hun hand kunnen zetten. Maar juist de onafhankelijkheid garandeert objectiviteit, en dat maakt een journalistiek artikel waardevoller als ‘reclame’ dan een persbericht of advertentie.

Een artikel over de risico’s van gasboring door hydraulisch breken zou bijvoorbeeld gesponsord kunnen worden door iedereen die al overtuigd is van die risico’s: Greenpeace, inwoners van Boxtel en Haaren, drinkwaterbedrijven. Amsterdamse horeca-ondernemers zouden ongetwijfeld betalen voor een reportage over het zwalkende terrassenbeleid van de gemeente. Enzovoort.

Dit is voor de journalistiek een cruciaal moment. De komende jaren gaan we zien hoe ‘essentieel’ ze nu eigenlijk is. Dat zal uiteindelijk bepalen welke nieuwe en oude verdienmodellen overeind blijven. Mits we niet grijpen naar de makkelijke – maar doodlopende – uitweg van subsidies of andere overheidssteun.

Lucas

Leuk dat Vandermeersch het heeft over het redden van kwaliteitsjournalistiek, maar laten we eerlijk zijn; de kwaliteit van journalistiek heeft helemaal niets met dit verhaal te maken. Alleen al deze insteek geeft de arrogantie van het NRC aan. Deze krant is zo belangrijk dat hij koste wat kost gered moet worden, zo lijkt Vandermeersch te zeggen.

Het is te laat. Iedereen kan tegenwoordig via het internet gemakkelijk eigen onderzoek doen, waardoor het NRC keer op keer door de mand valt. Niet alleen door de artikelen in de krant, maar misschien juist door de artikelen die ontbreken!

Johan Kloosterman

Leuke vraag: Moet de overheid de kwaliteitsjournalistiek redden? Mijn initiële antwoord is: natuurlijk niet. Wil Peter Vandermeersch van kranten een soort Acta Diurna maken? Deze term vereist enig uitleg. Acta Diurna zijn de eerste kranten ter wereld. Ze werden gepubliceerd in Rome op initiatief van Julius Caesar, tijdens zijn eerste consulaat in het jaar 59 v. Chr. Op deze wiki-pagina’s kunt u daar van alles over vinden: http://nl.wikipedia.org/wiki/Acta_diurna en hier: http://en.wikipedia.org/wiki/Acta_Diurna
Als de overheid de publiek pers moet redden, dan bijt de slang in z’n staart: terug naar Julius Caesar. Ik kan me niet voorstellen dat dat de bedoeling is, dan zijn we terug in het jaar 59 v. Chr. Ik weet wel dat we in een retrotijdperk leven, moslims die terug willen naar de tijd van de profeet, Nederlanders die diep in hun hart eigenlijk terug willen naar de jaren-50, maar dat zijn allemaal kinderlijke reacties van mensen die het echte leven niet aankunnen. De echte vraag is dus: kan Peter Vandermeersch, kan de redactie van NRC Handelsblad het echte leven wel aan? Nou ja: first class soul searching, lijkt me.

Johan Kloosterman

Nog een keer, omdat ik me opwind over de vraag die Peter Vandermeersch opwerpt. Laat ik om het belang van een onafhankelijk pers te benadrukken eens de volgende stelling poneren: de financiële sector in dit land is tot op het bot verrot, banken zijn slaafjes van de overheid geworden.
Het is een wat ingewikkeld verhaal, dus, beste lezer: bear with me!De bankencrisis is veroorzaakt door banken in de Verenigde Staten die hypotheken clusterden. Het uitgeven van hypotheken werd daarmee een lucratieve business, omdat iedereen dacht: banken die hypotheken uitgeven die zullen wel goed gekeken hebben aan wie ze hypotheek verstrekken. Niet dus. Banken verstrekten hypotheken om die te kunnen clusteren, om die vervolgens aan goedgelovige dombo’s te verkopen. Aan deze verrotte praktijk onleent de Nederlandse overheid vervolgens een argument om Nederlandse banken aan de ketting te leggen. Nee, jullie banken geven teveel krediet en daarmee brengen jullie je klanten in problemen. Die stelling is volstrekt onbewezen, maar ze gaat erin als zoete koek. Wat bereikt de Nederlandse politiek hier nu mee? Dat via de achterdeur er minder hypotheekrente wordt afgetrokken! En daar ging het de politiek om. Partijen die via de voordeur zeggen dat ze hypotheekrenteaftrek willen afschaffen lijden stemverlies. Dus proberen politieke partijen het via de achterdeur, via banken die hun slaafjes zijn geworden. Heel ons bancaire systeem is totaal gecorrumpeerd. En in die sfeer was het ook gemakkelijk voor DNB om DSB pootje te haken. Want dat is wat er in wezen gebeurd is met die bank van Dirk Scheringa. DSB Bank maakt winst tot op de dag van vandaag, maar moest kapot omdat andere banken er last van hadden, omdat die bank niet paste in het corpsballenmilieu van ABN Amro & ING. Volstrekt onbegrepen bleef dat DSB Bank toch vooral de bank van Sjonnie & Anita was, ook als Sjonnie & Anita krakeelden, dat het een bank was met die voor Sjonnie &Anita dingen mogelijk maakte waar ze anders alleen maar van konden dromen.
Vervolgens kregen we een discussie over Griekenland, een land waar een overheid regeert die niet wil deugen. Nee, Griekenland moet ‘gered’ worden, want anders lijden onze pensioenfondsen grote schade, sprak Jan Kees de Jager. En dus krijgt u, babyboomer, minder pensioen. Nou: schrik alom in babyboomerland! Als politiek ergens goed in is, dan toch vooral in het benadrukken van het Goede Doel, en dat u daar toch vooral beter van wordt. Dat wij, Europeanen zowel als Grieken, beter af zouden zijn met het afwaarderen van Griekse schulden, dat blijft volstrekt beneden de horizon.
Jan Kees de Jager, dat hij homoseksueel is, dat wil ik hem niet euvel duiden. Homoseksualiteit is van alle tijden, van alle plaatsen en van alle mensen. Maar dat hij als Minister van Financiën tevens de Koning der Verrotting is, dat is naar mijn stellige overtuiging waar.

Terug naar het thema dat Peter Vandermeersch (terecht!) aankaart. Als NRC Handelsblad een Staatscourant zou zijn geweest, dan hadden NRC-redacteuren de loftrompet op Jan Kees de Jager gestoken. Nee, Jan Kees ‘for president’! Qua politiek zijn we in onze samenleving niet verder gekomen dan in de Romeinse tijd. Ook toen al had men problemen om de toegang tot de macht voor idioten te blokkeren. Dat probleem hebben wij vandaag nog steeds. En daarom is Jan Kees de Jager minister van financiën. Een kritische pers zou het ministerschap van Jan Kees de Jager ter discussie hebben gesteld.
Heb ik hiermee het antwoord op de vraag van Peter Vandermeersch voldoende beantwoord? Ik hoor het wel.

p.hendriks

Even voorbijgaand aan deze laatste uiting van de hoofdredacteur:

Zijn blog belooft:
“Hoofdredacteur
Hoofdredacteur Peter Vandermeersch schrijft over het maken van krant en sites en reageert op lezersvragen.”

Vraag: WAAR is door hem in zijn blog (ooit) concreet een lezersvraag beantwoord?

Het ergert mij zeer dat het juist het NIET ingaan op lezersvragen een kenmerk is van de journalistieke stijl van de hoofdredacteur.

Hij lijkt vaak met zichzelf in gesprek en voert een fictieve lezersvraag op, die hij natuurlijk graag en public wil beantwoorden.

Voor de lezer is deze inkijk in het gedachtenleven van de hoofdredacteur misschien amusant, maar veel journalistieke waarde voegt het niet toe aan de krant.

Ik wacht op antwoord.

Peter Vandermeersch

Beste,
Ik probeer hier wel degelijk te antwoorden op vragen van lezers. Over de katernen bij de krant bv., over het gebruik van nietjes, of over hoe we de weekendkrant straks anders gaan indelen. En natuurlijk over de kwaliteit van de krant. Of over hoe ik de toekomst zie.
Maar u zal begrijpen dat ik moeilijk op elke individuele vraag kan antwoorden. Dan maak ik geen kranten meer. En word ik de ombudsman van de krant. Hartelijk.
Peter Vandermeersch

P. Hendriks

Verder commentaar is geloof ik overbodig. Ik zie uit naar de ontwikkelingen op het gebied van nietjes en katernindeling!

Rob van Veggel

In reactie schrijft 19 Johan Kloosterman: “Jan Kees de Jager, dat hij homoseksueel is, dat wil ik hem niet euvel duiden. Homoseksualiteit is van alle tijden, van alle plaatsen en van alle mensen. Maar dat hij als Minister van Financiën tevens de Koning der Verrotting is, dat is naar mijn stellige overtuiging waar.”
Meneer Kloosterman zegt dat homoseksualiteit niet slecht is, maar ondertussen brengt hij het wel in verband met verrotting. Dit is een gevaarlijk ad hominem argument: het voegt niets toe aan het debat, maar bevestigt wel impliciet homofobie. Ik vind dat dit soort uitingen niet mogelijk mogen zijn op een site als die van het NRC.

Reinier Bakels

In steeds meer landen grijpt het populisme om zich heen. Omdat dit begrip verschillend wordt opgevat geef ik hier mijn definitie: populisme is het (op destructieve wijze)verkrijgen van politiek gewin door een oneerlijke voorstelling van zaken: vooral door onhaalbare oplossingen voor te stellen en/of voor niet bestaande problemen.

Terwijl populisme in andere (m.i. onjuiste) definities nog wel bestaansrecht heeft (“laaggeschoolden een stem geven”) is populisme in de hierboven gegeven definitie per se verwerpelijk.

Populisme (in die zin) is een informatieprobleem. Dus zou er een taak voor de pers kunnen liggen. Maar de pers moet commercieel overleven. Ook als er een waterdicht redctiestatuut tussen onderneming en journalisten staat, kan een redactie niet ongevoelig zijn voor de noodzaak tot commercieel overleven van hun redactie. Dat kan de verleiding groot maken ook maar wat populisme in de wijn te doen.

de overheid van een goed functionerende staat zorgt ervoor dat kiezers adequaat geïnformeerd zijn om en verantwoorde keuze te maken. Die rol is traditioneel “uitbesteed” aan de media, ondersteund door flankerende wetgeving. Nu dat (gezien het opkomende malicieuze populisme) blijkbaar steeds slechter lukt lijkt overheidsingrepen geboden. Of dat met subsidies moet is een detailvraag. Een overheid zou ook de publieke omroep kunnen versterken … maar doet in feite precies het omgekeerde. Toeval dat de PVV de publieke omroep dood wenst?

ben FAES

De overheid moet geen journalisten subsidiëren (“de helft van hun loon betalen”), ze moet een krant oprichten (en financieren dus). Knotsgek ? Nee, het bestaat, onder een andere vorm dan, in België : de VRT (Vlaamse Radio en Televisie) wordt gefinancierd door de Vlaamse regering. Er is om de x jaar een beheersovereenkomst tussen VRT en overheid, en de redactie is onafhankelijk. Met de dagelijkse gang van zaken bemoeit de overheid zich niet : er is een CEO. De VRT bestaat al van vóór de Tweede Wereldoorlog, en functioneert op dit moment heel goed. Dat kan toch ook met een krant ?

Gerrit de Jonge

@2,4,19,21 Jerry Mager (alias S.Neederpelt,S.Hulshorst,P.Hendriks)

U laat zich wel erg in de kaart kijken. Op 14 juli, 10.39 uur laat Paul Luttikhuizen in het KNMI debat weten dat hij niet langer van uw trollerij gediend is, en verwijdert hij een stuk of 10 bijdragen van u en uw aliassen. U wilt wraak nemen, maar Paul Luttikhuizen is alert. Dus u wreekt zich op die arme Peter Vandermeersch die met succes zo zijn best doet een goede krant te maken.

Op 14 juli 13.05 uur haalt u uw alias Neederpelt van stal, die u al eerder gebruikt hebt om u zelf te bejubelen en uw kritici de grond in te trappen. Die gebruikt u nu om Peter Vandermeersch de grond in te trappen. Hetzelfde doet u middels de bekende aliassen Hulshorst en Hendriks, en vermoedelijk nog wel een ritsje meer zoals Ronald Meliezer, die ik niet met wetenschappelijke zekerheid aan u kan toeschrijven.

Onnodig te zeggen, maar ik doe het toch maar: uw bedrog om te doen alsof zovelen niet tevreden zijn over Peter Vandermeersch is abject en verachtelijk. Gebruik nou toch eens uw verstand. De NRC kàn het niet accepteren dat iemand de weblogs jaarlijks vervuilt met 1000 bijdragen onder honderden verschillende pseudoniemen.

Gerrit de Jonge

@25 aanvulling
Bij het toeschrijven van pseudoniemen aan één bepaalde bron(Jerry Mager) is het maken van vergissingen onmogelijk te vermijden. Het is daarom geen wonder dat weblogmasters zich daar weinig of niet aan wagen. Bij de indentificatie van Neederpelt, Hulshorst en p. hendriks is die van p.hendriks het minst overtuigend. Hulshorst en Neederpelt zijn overtuigend geidentificeerd doordat die in het verleden beiden meermalen Jerry Mager bejubelden en vice versa in bewoordingen die normale mensen niet gebruiken. De bijdragen van p.hendriks hebben wel een aantal JM kenmerken, maar het overtuigende bejubelen van Jerry Mager ontbreekt.