Journalistiek, frustrerend en oppervlakkig?

 
Deze week was ik gevraagd te spreken op een bijeenkomst in Antwerpen. Aan een illuster gezelschap bestaande uit Vlaamse ondernemers en politici, allen gezegend met een grote belangstelling voor literatuur en journalistiek, mocht ik antwoord geven op de toch wel existentiële vraag: wat drijft mij en waarom schrijf ik? Hieronder een licht bewerkte versie van deze speech.
 
Ja, wat drijft mij eigenlijk? Daar moest ik toch wel even voor gaan zitten. Want wat drijft een mens om intussen bijna een kwarteeuw – bijna de helft van mijn leven tot nu toe – te wijden aan journalistiek? Wie dat doet, bedacht ik me, moet misschien wel goed gek zijn. Had ik eigenlijk niet beter iets nuttigs met dat halve leven kunnen doen?
 
Er is immers niks dat vluchtiger is dan journalistiek. Toen ik in 1988 besloot mijn baan als assistent aan het departement Geschiedenis op de universiteit in te ruilen voor een baan bij De Standaard, sprak mijn toenmalige prof mij bestraffend toe. ‘Je beseft toch wel dat je nu boeken schrijft voor de eeuwigheid’, zei hij plechtstatig. ‘En dat je straks niet meer gaat doen dan schrijven voor de krant van morgen.’ En om zijn punt kracht bij te zetten voegde hij daaraan toe: ‘Boeken komen in een bibliotheek terecht. Gazetten bij het oud papier.’
 
De man had natuurlijk gelijk. Ik veranderde van een geschiedschrijver die na vele jaren studie een evenwichtig oordeel zou vellen over, pak hem beet, het Humanisme in de 16e eeuw in een haastige, door deadlines opgejaagde kroniekschrijver van het dagelijks leven eind 20e eeuw. Een kroniekschrijver die zijn tijd niet zou besteden aan het zoeken naar dieper liggende verbanden, maar voortaan de waan van de dag achterna zou hollen.
 
Want hollen is wel degelijk het woord. Dagbladjournalistiek, dat is immers een snelle sprint. Dat is ‘s ochtends geconfronteerd worden met 40 of 48 of 64 pagina’s wit papier, die begin van de middag vol wijsheid moeten staan. Hoe anders ligt het bij de overige geschreven media. Een weekblad, dat is als de 1.000 of 1.500 meter. Een maandblad: de 5.000 of de 10.000 meter. En een boek een marathon; heerlijk lang en te maken in je eigen ritme. Maar een dagblad – dat is de sprint. En vooral: elke dag opnieuw. Driehonderd keer per jaar. Jaar in, jaar uit. In mijn geval nu al 23 jaar lang.
 
Dat vergt een bijzondere instelling. Driehonderd keer per jaar presteren. Dat is driehonderd keer per jaar die deadline halen. Driehonderd keer per jaar proberen om die ultieme analyse, die geweldige reportage of die prijswinnende foto in de krant te hebben. Dat is driehonderd keer per jaar een podium bieden aan hopelijk de beste columnisten. Dat is driehonderd keer per jaar ‘s ochtends de ochtendkranten openslaan en kijken of je niet geklopt bent. Dat is dus ook driehonderd keer per jaar falen. Want het is nooit goed genoeg. Het is driehonderd keer per jaar ontevreden zijn.
 
Zoals ik dat deed op De Standaard bespreek ik ook op NRC Handelsblad elke ochtend kort de krant van de vorige dag na. Dat was goed, dit kon beter, deze foto staat te klein, daar hoorde een illustratie bij, hier bleven we te oppervlakkig, en daar staat weer een d/t-fout. Die nabespreking, elke ochtend om acht uur, loopt om vijf of tien over acht naadloos over in de nieuwe krant. Stond dat betere opiniestuk of dat superieure interview in een van de collega-kranten? Dan kunnen we dat morgen alweer beter doen. Hebben we gescoord met een prachtige primeur of een fantastische analyse? Dan duurt de vreugde daarover welgeteld 24 uur. Wie er langer aan vasthoudt hoort niet in de dagbladjournalistiek thuis. Vluchtigheid is eigen aan ons vak.
 
Journalistiek is niet alleen vluchtig, ze dreigt ook oppervlakkig te zijn. Want, op gelukkig nu en dan een uitzondering na, we moeten toegeven dat we als journalisten soms niet meer kunnen dan aan de oppervlakte van het dossier krabben. Wat weten we eigenlijk van die regeringsvorming, van die beursgang, van die transfer, van dat politieonderzoek, van dat festival? In veel gevallen wel iets – soms iets meer; maar zelden alles. We hebben slechts voor een deel zicht op de waarheid.
En elke avond kunnen we niet meer doen dan die naar beste vermogen in de krant zetten: de waarheid zoals we die kennen om 13.30 uur, bij het zakken van de krant. Meer dan eens blijkt die waarheid er een dag of week later toch net iets anders uit te zien, een tikkeltje genuanceerder te zijn, een heel stuk gecompliceerder vooral, dan we de avond of middag daarvoor wel dachten. Eigenlijk zouden we bij elk stuk moeten afdrukken: dit is enkel de waarheid zoals we die vanmiddag bij het ter perse gaan van de krant meenden te kennen.
 
Daarom is ons vak soms bijzonder frustrerend. Want als journalist sta je er per definitie altijd buiten. Letterlijk soms; buiten voor de gesloten deur van de kleedkamer van de sportclub waar de trainer zijn ploeg de les leest; buiten voor de gesloten deur van de directiekamer waar over die fusie wordt gestemd; buiten aan de poorten van het torentje. Een journalist mag niet in de koffiekamer van de parlementsleden, niet aanschuiven bij het fractieoverleg. Als journalist moet je je werk doen in de wandelgangen. Ben je afhankelijk van bronnen die jou iets willen toefluisteren, die het jou gunnen als eerste zicht op dat dossier te krijgen. Maar dat zelden belangeloos doen. Do ut des. Voor wat hoort wat, in dit vak.
 
Dus zitten we met zijn allen in een tredmolen die soms behoorlijk – excusez le mot – hoerig is. Journalistiek is verleiden en verleid worden. Gebruiken en gebruikt worden. Hoe verleid je een bron om nieuws naar jou te lekken? In welke mate laat je je gebruiken door die bron? Wat is de wederdienst? Welke informatie gebruik je net niet, om je bron te beschermen? En wanneer gaat het verhaal vóór die bron? Journalistiek is een tango die gedanst wordt tussen de journalist en zijn of haar bron. Een tango van verleiding en afstoting, van liefde en haat, van aanhalen en afstoten.
 
Van professionele jaloezie ook. Een tango waarin de journalist niet zelden jaloers is op zijn onderwerp – de politicus met macht, de bankier met geld, de sportman met roem, de kunstenaar met creativiteit. Maar ook omgekeerd: die politici, bankiers, sportlieden en kunstenaars zijn op hun beurt niet zelden jaloers op de journalisten. Want zij mogen het neerschrijven, mogen interpreteren, mogen publiekelijk en – niet altijd geremd door de noodzakelijke kennis – hun oordeel vellen. Hoe graag zouden velen van hen dat niet óók eens doen.
 
Toch is het opvallend dat het maar zelden gebeurt dat mensen uit – bijvoorbeeld – de politieke of de financiële wereld, overstappen naar de journalistiek. Omgekeerd gebeurt het echter geregeld. Verscheidene collega’s met wie ik op De Standaard vele jaren werkte – en niet de minsten – trokken naar het parlement, kabinetten en semi-politieke organisaties. Vaak motiveerden zij hun beslissing met de redenering dat ze niet langer een afstandelijke observator wilden zijn, maar er nu eens daadwerkelijk aan deel wensten te nemen. Het gras bij de buren is altijd groener. Wij journalisten schurken zolang tegen die macht aan dat wij er zelf ook wel eens van willen proeven.
Dat sommigen die stap zetten kan verwondering wekken. Want als wij, journalisten, zo almachtig zijn als sommigen wel eens beweren, waarom zetten mensen dan de stap van de journalistiek naar de macht – of wat daar voor moet doorgaan?
 
Wat mij brengt bij de vraag: is journalistiek, behalve dus vluchtig, snel, oppervlakkig en frustrerend, ook echt machtig? Hebben journalisten de macht om mensen te maken en te breken? Hele bibliotheken zijn hier aan gewijd. De antwoorden variëren van oppermachtig – zie de moeder aller voorbeelden: The Washington Post met Watergate – tot totaal machteloos. Wie in Vlaanderen voorbeelden van dat laatste zoekt, wijst niet ten onrechte naar de wijze waarop de bijna voltallige Vlaamse pers twintig jaar lang op allerlei manieren tegen het Vlaams Blok in ging – terwijl deze partij desondanks de ene na de andere verkiezingsoverwinning boekte.
 
Dit alles overdenkend werd ik er bijna een beetje treurig van. De vaststelling dat ik dag in dag uit de waan van de dag achterna moet hollen; niet veel meer kan doen dan even krabben aan het oppervlakkig en glanzend glazuur waaronder de brute waarheid zich verbergt; en dat mijn macht over het algemeen toch maar zeer beperkt is.
Daarbij kwam bovendien nog eens het gevoel bovendrijven dat de journalistiek zoals we die bedrijven niet goed genoeg is. Dat ook wij, journalisten, Dutroux nodig hadden om te beseffen hoe gecorrumpeerd politie en justitie waren. Dat we Lehman Brothers nodig hadden om te zien hoe fout het financiële systeem in elkaar zat en zit. Dat we Fortuyn nodig hadden om in te zien dat we sommige maatschappelijke problemen ook in de pers niet durfden te benoemen. Dat we een Griekse schuldencrisis nodig hadden om te beseffen op welke lemen voeten de Europese reus staat. Dat we de ene na de andere dopingaffaire nodig hebben om nog niet te beseffen dat we zelf meeschrijven aan de illusie van een eerlijke sport. En zo kan ik nog wel even doorgaan.
 
En toch… En toch is journalistiek het mooiste beroep ter wereld. Omdat tegenover alles wat ik hiervoor noemde ook andere zaken staan.
 
Tegenover het vluchtige staat immers de brede blik. Lang geleden dineerde ik als correspondent in Parijs eens in het Elysée, ter gelegenheid van een staatsbezoek van koning Boudewijn – netjes gekleed in een gehuurde smoking. De nacht erna interviewde ik in het beruchte Bois de Boulogne travestiete prostituees over de opkomende Aidsepidemie. Wie van het Elysée zou ooit in het Bois de Boulogne komen – laat staan omgekeerd? Ook dronk ik ooit ’s nachts in Noord-Ierland Guinness in een IRA-hol met een Ierse terrorist en lunchte ik de middag daarop met de hoogste Britse militair in Ulster. Ze stonden elkaar letterlijk naar het leven – en ik wandelde rustig heen en weer.
 
Het klopt verder dat journalistiek soms oppervlakkig is. Maar andere keren juist weer veel meer diepgravend dan we soms beseffen. Toen eind vorig jaar de Wikileaks-documenten werden geopenbaard, was de belangrijkste vaststelling van die honderdduizenden bladzijden Amerikaanse diplomatieke post dat ze niet echt nieuwe gegevens bevatten. Wie de afgelopen jaren de betere kranten had gelezen, was, zo bleek, goed op de hoogte van de internationale diplomatie. Een pluim voor de journalistiek!
 
En wat dat buiten staan betreft: gelukkig blijkt dat je vanuit die positie soms toch verdomd goed naar binnen kunt kijken. Want van buiten slaagde De Standaard er augustus vorig jaar goed in om via de Danneels-tapes perfect te duiden hoe in België de kerk omging met een pedofiele bisschop. En van buiten bleek NRC Handelsblad de afgelopen maanden goed op de hoogte van het geklungel van de Nederlandse defensie in Libië, van het geklooi in de PVV van Wilders of van de problemen in het bestuur van Ajax. Van buiten kijk je dus soms wel degelijk heel goed naar binnen.
 
Dat brengt me bij mijn conclusie. Ook in België en Nederland is er veel, te veel, slechte journalistiek. De kritiek daarop kan niet hard genoeg zijn. Maar gelukkig zijn er nog steeds enkele media die hun taak als vierde macht ernstig nemen en – met vallen en opstaan – die taak meer dan naar behoren vervullen.
Goede journalistiek ontstaat uit voortdurende verwondering en niet aflatende verontwaardiging. Dus het antwoord op de vraag waarom ik schrijf en wat me drijft zou je als volgt samen kunnen vatten: een derde omwille van mijn verwondering, een derde omwille van mijn verontwaardiging en nog een derde omdat ik die twee gevoelens – als een schoolmeester bijna – wil overbrengen op de lezer. Vroeger heette dat volksverheffing, nu noemen we dat liever: inzicht verschaffen.
 
Tot slot een citaat van Thomas Jefferson,  derde president van de Verenigde Staten. In 1787 zei hij: “Indien men mij vraagt te kiezen tussen een regering zonder kranten, of kranten zonder een regering, dan zou ik geen moment aarzelen en kiezen voor het tweede: kranten zonder een regering”. Jefferson kon natuurlijk niet weten dat 225 jaar later zijn hypothese realiteit zou worden en dat er een land aan de Noordzee zou zijn dat wel kranten zou hebben, maar geen regering.
Maar, zoals we allen weten, is dit altijd nog beter dan het omgekeerde.

Lees meer over:
Journalistiek

36 reacties op 'Journalistiek, frustrerend en oppervlakkig?'

Anton

@Peter. Vandaag staat er op de cover van DS: “België verdient aan arme Grieken”. (Nederlanders trouwens ook). Iedereen die de issue Griekenland volgt, wist dat al lang (maanden!) en hoeft het dus zeker niet in de krant, laat staan op de cover, te lezen. Het grote probleem van de journalistiek en de dagbladen begint meer en meer te worden dat er zeer weinig ‘nieuw nieuws’ komt. Het is voorgekauwd, gerapporteerd of ‘gepersconferenceerd’. De pijnlijke punten die Joris Luyendijk bloot legde waren dat: pijnlijke punten. Maar ze kunnen nauwelijks hersteld worden en intussen draait de hamster in het rad verder. Dat zien we in België nog het best: “Week van de laatste kans”, “Nu of nooit”, ad infinitum, ad nauseam.

Bas Kraag

Wat drijft mij en waarom schrijf ik eigenlijk, zo vraagt u zich af? Wat u drijft is uw kennelijke dwangneurose anderen te moeten bekeren tot uw (linkse) geloof, waarom u eigenlijk schrijft is menigeen ook een raadsel mijn waarde…

Arie Booy

Mooie analyse van ons vak. Hulde.

ps: beste hoofdredacteur. Ik heb die vermaledijde nrc next besteld met de ipad-actie, maar ben ontevreden. Graag zou ik hem – tegen bijbetaling – omwisselen voor nrc handelsblad. Volgens de klantenservice kan dat niet (meer). Kunt u mij helpen?

Johan Kloosterman

Beste Peter Vandermeersch,
Ik heb diepe bewondering voor uw blog. Ik denk dat u heel goed verwoordt waar journalist voor zou moeten staan. Chapeau!

Lola Frank

de journalistiek bedrijven is niet schrijven over wat jou is overkomen, maar wat anderen overkomt. Why won’t you tell me the story of your life?

John

Beste Peter,

Ik vind jouw column heel interessant en uitdagend.

Met de ontwikkeling en doorgroei van internet en daarmee websites als nu.nl is het voor de krant onmogelijk geworden om het laatste nieuws te brengen en brekend te zijn. Toch probeert de krant dit nog wel steeds te doen. Met inderdaad als gevolg dat de lezer ‘s morgens dingen krijgt voorgeschoteld die allang achterhaald zijn. Zelfs het tv-journaal ontkomt niet aan dit lot. Internet is steeds sneller en steeds completer.

De positie van laatste-nieuwsbrenger zou de krant dan ook niet langer moeten claimen en dus, om in jouw terminologie, niet langer sprinter moeten willen zijn. Voor mij kan de krant een goede 400 meter-loper worden. En om die afstand goed te beheersen zal zij moeten verschuiven naar een ‘duider’. Een medium dat de grotere lijnen en verbanden schetst en zaken met elkaar verbindt. Zaken die dieper gaan de oppervlakkige kreten die je tegenwoordig in de krant vindt en de lezer veel meer achtergrondinformatie en historische verbanden oplevert.

Opgeluisterd met goede en duidelijke infografieken levert deze nieuwe krant een goed informatiemedium op voor de huidige generatie krantenlezers.

Onnodig om te vermelden dat het fenomeen papieren krant waarschijnlijk over een aantal jaren ook uitgestorven is waardoor deadlines en dergelijke ook verschuiven aangezien er geen tijd meer nodig is voor drukken en distributie. Dat levert weer tijdwinst op die de krant kan gebruiken om meer diepgang te hanteren.

Mits goed gepositioneerd wacht de krant, naar mijn mening, een gouden toekomst.

Ernst Kers

…sprak mijn toenmalige prof mij bestraffend toe. ‘Je beseft toch wel dat je nu boeken schrijft voor de eeuwigheid’, zei hij plechtstatig. ‘En dat je straks niet meer gaat doen dan schrijven voor de krant van morgen.’ En om zijn punt kracht bij te zetten voegde hij daaraan toe: ‘Boeken komen in een bibliotheek terecht. Gazetten bij het oud papier.’…

Enige tijd geleden ben ik in een Portugese bibliotheek bezig geweest om kranten van zo’n 100-140 jaar geleden door te spitten op zoek naar wat geschiedenis dat mij interesseert. Misschien komt het resultaat ooit nog in een boek. Dat boek zal door weinigen worden gelezen. Gazetten worden door velen gelezen.
Mocht dat boek er komen, dan zal dat zijn voor mijn eigen genoegen en een klein groepje mensen welke toevallig belangstelling heeft voor dezelfde marge van de geschiedenis. Dat is een goede reden om dat boek ooit te maken. Maar de wereld kan zonder.
Kranten worden door journalisten gemaakt voor hun eigen genoegen. En omdat wij niet zonder kunnen. Daarom moeten zij worden gemaakt. Natuurlijk is journalistiek vaak frustrerend en oppervlakkig. Het is de kroniek van het leven. Het leven is vaak frustrerend en oppervlakkig.

Michiel Jonker

Een mooi, lezenswaardig verhaal van Peter Vandermeersch. Maar als NRC-lezer zeg ik toch: “The proof of the pudding is in the eating.” (Hopelijk is dit het correcte citaat.) Ik vind NRC Handelsblad de laatste tijd achteruit gaan.

Laatst was er een uitgebreide enquete wat de lezers van de krant vinden. Na een korte scan zag ik dat ik daar mijn mening over de krant niet doeltreffend in kwijt zou kunnen. Hokjes, hokjes, nog meer hokjes. Statistiek, het zusje van misleiding…

NRC was ooit één van de allerbeste kranten, maar is nu bezig die positie te grabbel te gooien. De fusie met NRC-Next is overduidelijk al in voorbereiding, ook al wordt dat nog ontkend.

Rein Walraven

“Dat we Lehman Brothers nodig hadden om te zien hoe fout het financiële systeem in elkaar zat en zit.”
Deze uitspraak moet ik helaas bestrijden.
Al meer dan een jaar vóór de financiele crisis heeft Willem Middelkoop in de NRC het hele scenario van de crisis geschetst.
Toegegeven,toen ik dat voorlegde aan mijn beleggings adviseur van DE Bank,zei die,ach,zo’n vaart zal het toch wel niet lopen.
Kennelijk willen mensen alleen horen wat hun van pas komt.

Menno Nykerk

“…wat me drijft [....] nog een derde omdat ik die twee gevoelens – als een schoolmeester bijna – wil overbrengen op de lezer. Vroeger heette dat volksverheffing, nu noemen we dat liever: inzicht verschaffen…”
Maar beste Handelsblad doe dat dan ook ipv een plaatjeskrant produceren. Tenzij natuurlijk het doel alle middelen heiligt en U Uw lezers zo laag inschat.

T. Rurup

Maar je schrijft als journalist wel over wat er in de geschiedenisboeken kan komen te staan? Kranten (journalisten, columnisten, correspondenten, fotografen). En schrijvers, sociale media, te veel om te noemen, allen dragen hun steentje bij.

Schrijven voor de krant van morgen, nu een compliment.
Degene die tegenwoordig geschiedschrijver is en een (zo evenwichtig mogelijk) oordeel moet vellen kan putten uit bovenstaande bronnen en meer.
Jij bent één van de schakels.
Verdomd goed dat je 23 jaar geleden de overstap hebt gemaakt, dat is duidelijk na het lezen van deze blog.

M.Smits

Wat een briljant artikel! Je kunt merken dat we hier te maken hebben met een krant die sterk is in onderzoeksjournalistiek, scherp alle maatschappelijke ontwikkelingen signaleert, ze kritisch op de voet volgt en bevraagt. En dat met een team van journalisten die met kennis van zaken elke dag maar weer de krant vult. Ik ben diep onder de indruk van dit magistrale expose van Vermeersch. Zelden heb ik zo’n goede analyse gelezen en wat het betekent om journalist te zijn. Chapeau! ik heb er alle begrip voor dat ze bij uw krant de financiele crisis, de Europese crisis, de corruptie bij justistie etc. niet aan hebben zien komen. In de woorden van Nout Wellink: “niemand die serieus te nemen is, had de crisis kunnen zien aankomen”.

Siegfried Bok

Geachte hoofdredacteur,
Welk een oprechtheid dit keer.
Natuurlijk is het journalistieke werk boeiend, omdat men zo veel aspecten van het leven tegenkomt.
Maar de keerzijde is er ook en dat is dat men aan “versnippering” gaat lijden.Ik bedoel daarmee dat men door de vele bomen het bos niet meer kan zien.
En daar komt bij dat een krant om te overleven in een tijd waar sensatie ons levenselicter is geworden het ook nog eens lekker sappig moet worden gebracht.
De Oosters filosoof Osho verwoordde het ooit zo kenmerkend met zijn uitspraak “Mensen lezen de krant om daaruit te destilleren dat “IK” beter ben dan de wereld om mij heen”.
Tenslotte – en dat weet U als geen ander – is de journalistiek feitelijk niet meer dan reclame, die mensen kan manipuleren.
Uw hoogleraar geschiedenis heeft U – zoals U het hier beschrijft – onvoorstelbaar precies voorzegd.
Ik was ooit arts/specialist en erflastig behebt met een vreemde drang om mij te storten op wetenschappelijk onderzoek.
Mijn drijfveer was angst. het was mijn angst van zien dat de ziekte-incidence gelijke tred hield met het aantal dokters.
Ik zocht in de spelonken van ons zijn en ontpopte mij als kanker-researcher.
Naarmate mijn onderzoek vorderde besloeg mij een veel grotere angst en dat was dat ik alle aspecten van scheefgroei van cellen in onze samenleving terugvond.
Toen ik dit op een congres via een lezing “Cancer, it’s economy” naar buiten bracht werd ik allereerst door de journalistieke wereld kapot geschreven en werd later Staatvijand.
En … ik kreeg een publicatie-verbod voor journalisten opgelegd.
Dit alles dateerde uit 1981.
Waarom?
Ik tornde aan de luxe van een kankercel te zijn, die steeds rijker werd gevoed ten koste van de rest van de wereld.
Dit werd mijn ommekeer .
Ik trok mijn doktersjas uit en ging geschiedenis studeren: geschiedenis waarvan geschreven staat dat hij zich tot aan het einde der dagen zou herhalen.
Nu staan aan het einde van die verkankering van onze economie, die nog slechts staande blijft door “voedings”infusen van waardeloos papier geld.
Het publicatie-verbod is naar men zegt levenslang van kracht.
En zo weet U met mij dat de journalistieke wereld aan regels gebonden is en is uitgegroeid tot een verlengstuk van de politiek, waarover heel veel wel, maar evenveel niet mag worden geschreven.
Het is wat het is.
Maar dit artikel heeft wel mijn hart gestolen.
Mijn dank hiervoor.

M'Lou uit T

Beste hoofdredacteur, Peter,
Dit is opnieuw één van jouw pronkstukken. Een echte parel !

Jammer dat jouw slot citaat een steek onder water is voor “ons” België. Maar hiervoor doen, wij Belgen wel water bij de wijn.

Hartelijke groet,
M’Lou

Siegfried Bok

@17 Menno Nijkerk
Hebt U enig idee waarom censuur voor kranten en politici zo belangrijk is?
Kent U de gezegde “Alles weten maakt niet gelukkig”?
Maar als wij oprecht eerlijk naar onszelf kijken gebruiken wij toch ook dagelijks meermalen een leugentje om eigen bestwil?
En hoe hoger men in de pikorde zit hoe groter de leugen moet zijn om je staande te houden.
Ik was ooit arts/specialist en werd van het ereschavot gelazerd toen ik o.a. behandelmethoden vond die niet patenteerbaar waren en dus waardeloos.
Het systeem zit geniaal pervers in elkaar, want alles draait nu eenmaal om “stinkend geld”.
zie o.a. http://wetenschapeindtijd.blogspot.com/2011/06/is-de-mens-geniaal-pervers.html

Sanne Jansen

Bovenstaand artikel van Vandermeersch gaat uit van ‘de vluchtigheid van journalistiek’ en dat ‘boeken in de bibliotheek terecht komen en gazetten bij het oud papier.’

Dat was misschien zo in de tijd van de hoogleraar van Vandermeersch, maar vandaag de dag gelden toch echt andere wetmatigheden.

Boeken zijn digitaal verkrijgbaar. Artikelen uit de krant belanden niet meer in de kattenbak, die gaan rechtstreeks door naar het digitale archief van de krant. Waar ze van blijvende waarde (kunnen) zijn.

Het volgen van de waan van de dag is iets dat de krant zich uit gewoonte oplegt – het is overbodig zoals Nick Davies ook al heeft uitgelegd. In de papieren NRC verschijnt niet alleen het nieuws láter dan dat op internet valt te lezen, maar ook overlapt het met wat Trouw brengt, Nu.nl, de Volkskrant en zeker ook buitenlandse media.

Daarbij presteren Nederlandse media het ook nog om vertaalde achtergrondverhalen en dergelijke uit media als de New York Times drie weken – of nog veel later – in hun publicatie te zetten. Hoe weinig origineel kun je zijn?

Taak van de journalistiek is tweeledig: brenger van nieuws en waakhond van de democratie.

Kranten zullen moeten beseffen dat die eerste taak is weggenomen door het internet en daar de conclusie uit trekken.

Al die tijd en geld steken in het brengen van nieuws wat een ander ook brengt of al heeft gebracht kan dan worden ingezet voor de tweede functie, die van waakhond. Andere journalisten – het team van Walter Dean – hebben trouwens al aangetoond dat goed gebrachte onderzoeksjournalistiek veel meer interesse van de lezers opwekt, leidt tot hogere kijkcijfers en een grotere oplage en ook meer adverteerders.

Dus: breng hard nieuws wat dan wel echt je EIGEN nieuws is in de vorm van diepgravende journalistiek.

sanne jansen

In bovenstaand stuk van Vandermeersch klopt trouwens iets anders ook niet: “Toch is het opvallend dat het maar zelden gebeurt dat mensen uit – bijvoorbeeld – de politieke of de financiële wereld, overstappen naar de journalistiek.”

Dat doen ze wel, alleen nemen ze dan gelijk de positie in van uitgever of directeur.

NRC is voor 80% in handen van Egeria, een investeringsmaatschappijn van de Brenninkmeijers – de belangrijkste multimiljonairs familie van Nederland, die het geld verdient met C&A (lees: kleding die in derde wereldlanden in slechte omstandigheden door onderbetaalde werknemers in elkaar wordt geflanst.)

De Pers is in handen van Marcel Broekhoorn. Zie bv dit stukje:
Ondernemer Marcel Boekhoorn heeft opnieuw een bekende naam uit de Nederlandse zakenwereld gestrikt om hem te assisteren bij zijn activiteiten. Na voormalig Ahold-topman Cees van der Hoeven gaat nu ex-bestuurder Wilco Jiskoot van ABN Amro in zee met de man die een fortuin verdiende aan de verkoop van Telfort aan KPN en eigenaar is van dagblad De Pers.

En zo zijn er nog heel veel voorbeelden te noemen van mensen uit de financiële wereld die een hoofdrol spelen in de journalistiek. Dat zou nu eens een interessant onderwerp zijn voor een mooi verhaal. Ook ivm invloed op onderwerpskeuze…Denk alleen niet dat het NRC dit gaat oppakken ;-)

Jadwiga de Bock Majewska

Hartelijk dank Geachte Heer Hoofdredacteur Peter Vandermeersch,
ik ben heel blij dat ik Uw krant met plezier,belangstelling lees,
mijn mening is dat U met Uw allen als team super hoogbegaafd Journalisten, onderzoekers, speurders naar waarheid,waarnemers bent, ga alstublieft zo door, U heeft super kwaliteit krant,
dat is goed voor Nederland.

Wim Danhof

Ik begrijp de flauwe of wijsdoenerige reacties die er zo hier en daar tussen zitten, niet zo goed. Het is een goed geschreven, persoonlijk relaas over hoe Peter Vandermeersch het vak van de krantenjournalist beziet en heeft ervaren. Prima toch? Ik vond het leuk om te lezen, met name omdat ik allerlei aspecten van wat hij zegt herken, en Vandermeersch de kunst verstaat om die aspecten op een levendige en stijlvolle manier te verwoorden. Bravo!

Joris Baas

Over de (on)macht van de krant en potentiele Watergates: Wanneer in een weekendbijlage de waan van de dag iets gevierd kan worden zijn er enorme potenties om te verdiepen en de macht transparant te maken. Check gewoon eens een aantal verhalen uit de online kranten. Vandaag weer lees ik over de opstanden in het Middenoosten:

“Midden Oosten-revoluties spontaan? Mooi niet..!!”

Waar, onwaar? Duik erin zou ik zeggen en verdubbel de omzet van NRC: http://tiny.cc/az0c7

erikjan

waarom wordt nooit een voetballer gevraagd, waarom voetbalt u, of een timmerman, waarom timmert u, of een piloot, waarom vliegt u, maar altijd een schrijver, waarom schrijft u?

p.hendriks

Met circus, brood en spelen wordt de goegemeente een rad voor ogen gedraaid en de journalist draait gretig mee. Zogenaamd ten behoeve van vrije en zelf kiezende en verantwoordelijke burgers, maar in werkelijkheid ingekaderd in het nutsbegrip van kortzichtige politici en economische korte termijndenkers.

Wil de krant op geestelijk gebied een opbouwende functie vervullen binnen de democratie (en niet een belerende, of erger nog manipulerende), dan zal die krant ook volop de publieke lezersdiscussie ruimte moeten geven op terreinen waar deskundigen van binnen en buiten de krant bij NRC publiceren.

Overigens heeft België volgens mij nog wel (minstens) een regering ( ik geloof dat er zelfs meerder zijn). Demissionair, aftredend of hoe dan ook, vormen zij het landsbestuur.

En wat betreft de schijnbare onverenigbaarheid van diverse millieus die voor de journalist wel bereikbaar zijn, maar verder geen onnderling contact zouden hebben, weet eenieder wel, dat dit een sprookje is, dat niets met de werkelijkheid te maken heeft. Juist de dynamiek van de tegengestelde en elkaar theoretisch uitsluitende maatschappelijke eenheden vormt de werkelijkheid, waarbinnen doorbraken, genante onthullingen, publieke geheimen en verrassende combinaties aan de orde van de dag zijn.

De gesuggereerde ordelijkheid bestaat natuurlijk niet: “Elysée” en “travestiete prostituee” kennen elkaar echt sinds mensenheugenis door en door & IRA en Britse overheden/diensten communiceerden doorlopend, zoals dat bij conflicten altijd het geval is; de doodsvijanden of elkaar ‘verachtende’ personen komen geregeld bij elkaar over de vloer.

De journalist die daar tenslotte ook wel wordt ontvangen, wordt vervolgens met een boodschap weggestuurd die de betrokkenen meestal graag de wereld inzenden.

Peter gelooft misschien zelf in het beeld dat hij schetst, maar ik hoop dat bij NRC ook meer realistische visies op de werkelijkheid bestaan.
En dat vanuit die meer nuchtere visie ook journalistiek kan worden bedreven en discussie met en tussen de lezers kan worden gevoerd.

zie ook: http://weblogs.nrc.nl/nrclab/2011/06/09/nrc-chatbot/#comment-3462

Waarom is de hoofdredacteur voornamelijk met zichzelf bezig en laat hij de lezer alleen zijn praatjes becommentariëren?

Op serieuze journalistieke visies die de krant brengt is bij NRC geen lezersdiscussie meer mogelijk, maar wel over triviale zaken.

Dat laatste is op zich niet zo ergerlijk, dat eerste wel, voor een krant die als slijpsteen voor de geest meende te kunnen dienen.

Gerrit de Jonge

@24 Jerry Mager (alias p.hendriks)
Dit is alweer de zesde keer dat u zich p.hendriks noemt. Het lijkt wel of u boos bent op de NRC omdat uw bijdragen minder gewaardeerd worden. U schrijft bijvoorbeeld : “Dan zal die krant ook volop de publieke lezersdiscussie ruimte moeten geven” en “Op serieuze journalistieke visies de de krant brengt is bij de NRC geen lezersdiscussie mogelijk”.

Mij dunkt dat de NRC u de afgelopen twee jaar wel erg veel discussieruimte heeft gegeven en dat u die op schandelijke wijze heeft misbruikt. In twee jaar tijd heeft u onder minstens 495 (vierhonderd vijf en negentig) verschillende namen zo’n 2000 bijdragen aan de NRC blogs geleverd. Daarvan waren er circa 400 waarin u onder zo’n 300 pseudoniemen uw eigen bijdragen de hemel in heeft geprezen, dat alles omdat u kennelijk geen argumenten had om uw opvattingen te onderbouwen. Daarenboven hadden uw bijdragen weinig meer inhoud dan kankeren op politici, managers, het onderwijs en Wilders en uw hoofdargumenten waren duideingen als: garnalenverstand, sneue snaaiers, grabbelende graaiers, graaiend grut, kaasstolpers, zakkenvullers, plucheplakker, establishment van ezels, leugenvirtuozen, luchtfrituurders, sneue snoeshanen, polderbobo’s, babbelende brallers, pluchekonijnen, paljassen,nutteloze uitvreters, geestelijke fossielen, zeiksnorren, minkukels etc.

Het stoort mij, meneer Mager, dat argeloze lezers van de NRC blogs de indruk krijgen dat dit de taal is waarmee NRC lezers met elkaar communiceren, terwijl al deze bagger uit slechts één mond komt. Daarom meneer Mager denk ik dat de NRC redactie een stap in de goede richting heeft gezet door u te boycotten.

Kijk eens naar de aardige discussie over het KNMI die zich op de weglog van Paul Luttikhuizen heeft ontwikkeld nadat hij u er uit gegooid had.

p.hendriks

Pardon?
Uw reactie gaat van een verkeerde veronderstelling uit.

De stukjes van de heer Mager lees ik normalerwijze nooit. Samen met een andere persoon ‘Pekelharing’ werden hele delen van lezersdiscussie overgenomen in een soort dialoog. Ik sloeg die over. Misschien niet terecht, maar er leek mij teveel herhaling en onwil om naar de ander te luisteren in verwerkt.

Ik was me er niet van bewust dat ik met een andere auteur wordt geassocieerd. Ik heb wel bemerkt dat er een reactie van mij verdwenen was, nadat die al geplaatst was. Mocht dat om die reden zijn, dan had ik toch wel een berichtje van de redactie verwacht met hun bezwaren, die als ik dit mag geloven toch wel uitgaan van een ernstige vorm van misleiding.

Hoewel ik nog wel eens wil reageren, doe ik dat uitsluitend onder mijn eigen naam en naar ik meen, inhoudelijk relevant. Ik hou me ver van denigrerende kwalificaties en alles waar u zich (net als ik overigens)zo aan ergert.

Ik sta wat dat betreft geheel aan uw kant lijkt me.

Ik hoop dat u in dit licht het verschil zult kunnen zien tussen mijn bijdragen en de bijdragen die ik samen met u niet erg nuttig achtte.

Wat betreft de opmerking: “Op serieuze journalistieke visies de de krant brengt is bij de NRC geen lezersdiscussie mogelijk”, kan ik mij voorstellen dat u dit ongenuanceerd vindt, maar ik stelde dit in de context van het ontbreken van een lezersblog onder de opiniestukken van Chavannes en Heijne, waar die mijns inziens juist van waarde voor de lezer zou zijn.

Ik hoop dat deze reactie wel geplaatst wordt en dat dit misverstand uit de wereld wordt geholpen.

Gerrit de Jonge

@26 p.hendriks
Geachte heer hendriks,
Het is betreurenswaardig, maar onvermijdelijk dat ik fouten maak in mijn poging een lijst op te stellen van de aliassen van Jerry Mager, en ik hoop dat ik u er geen schade mee berokkend heb. Het kost me te veel ruimte om hier een lijst van criteria te geven die ik hanteer bij mijn determinatie van de JM bijdragen. Een voorlopig rapport daarover heb ik enige weken al aan Marc Chavannes en Paul Luttikhuis gestuurd. Komende week zal ik de tweede versie naar alle weblogredacteuren sturen. U stond daarin al tezamen met o.a. Hanneke van de Meer, Jan Muters en s.f. hoekstra in het lijstje van twijfelgevallen.
Ter verklaring van de indeling bij de JM aliassen het volgende: (1) twee keer heb ik uw naam aangetroffen in een reeks van kort na elkaar geschreven bijdragen, waarvan er 3 zeker “Magers” waren. (2) Uw standpunten over en de belangstelling voor diverse onderwerpen komen vaak overeen met die van Jerry Mager (3) als zoveel mager-aliassen is uw naam niet (altijd) met hoofdletters geschreven (4) u gebruikt nogal eens metaforen van het soort dat Mager ook gebruikt zoals “het forum is verworden tot een hondenuitlaatplaats” (5) uw bijdragen zijn wel eens aan de lange kant (6) de tijdstippen waarop u uw bijlagen verstuurt vallen meestal binnen de activiteitsperiode van Mager.

Anderzijds ontbreekt bij u het belangrijkste kenmerk: in geen van uw bijlagen prijst u Mager of zijn aliassen, en anders dan de mager-aliassen is uw schrijven aan mij niet beledigend, maar heel wellevend.

p.hendriks

Beste mijnheer De Jonge (grote broer?),

In de eerste plaats bedankt voor de snelle reactie.

Ik verbaas me erover dat u ‘rapporten’ samenstelt, maar ik kan ook wel begrijpen dat de genoemde persoon al dan niet onder verschillende aliassen opererend, uw irritatie heeft gewekt, u maakt zich in elk geval tamelijk ‘dik’ hierom zo blijkt

Wel jammer dat u niet verifieert of laat verifiëren (zo u dat niet zelf kunt) of uw kwalifikaties op feiten berusten.

Ik kan me overigens niet voorstellen dat ik een krantenforum met een hondenuitlaatplaats vergelijk, hoewel ik wel eens de zoekende Diogenes heb opgevoerd, maar die had overdag zijn lantaarn niet aangestoken omdat hij bezorgd was over hondenuitwerpselen op zijn pad, voor zover ik weet.

Ik meende meestal op een milde en licht humoristische toon commentaar te leveren. Nu blijk ik een twijfelgeval te zijn in ow optiek….

Misschien moet ik het nu wel kort houden om niet onomkeerbaar in een van uw minder gunstige statistische rubrieken terecht te komen?

Ik verwacht van de redactie overigens wel enige zorgvuldigheid in het omgaan met de door u als onwelgevallig betitelde auteurs. Een berichtje dat toon, strekking, omvang, frequentie etc. aangepast dient te worden moet er toch wel van af kunnen in het uiterste geval?

Met vriendelijke groet

Uw ‘kleine broer’

Gerrit de Jonge

@28 p. hendriks
Natuurlijk kunt u zich niet alles wat u geschreven heeft herinneren (zeker niet als u Jerry Mager himself bent, met zijn 1500 berichten), maar gelukkig hebben we tegenwoordig Google. Het intikken van “NRC p. hendriks en hondenuitlaatplaats”, leert dat u in de discussie “Wat kan een redacteur van NRC op Twitter of Faceboek”, dd 22 april 2011 om 9.17 uur het bericht heeft verzonden dat u zich niet kunt herinneren.

Wie weet, misschien is er een echte p.hendriks en één die door Jerry Mager is gecreëerd zonder van uw bestaan te weten. U zou mij een dienst bewijzen door al de p.hendriks stukjes eens met Google op te zoeken en te bekijken. Mischien hebben we allebei wel gelijk.

Wat betreft de zorgvuldigheid van mijn werkwijze het volgende: Het determineren van “Jerry Mager” stukjes is niet eenvoudig, en het is onvermijdelijk dat er vals positieve en vals negatieve beoordelingen zijn. Er wordt al 2000 jaar gekissebist over de vraag wie welk deel van de Bijbel heeft geschreven. Vermits het hier geen leven-of-dood problematiek betreft acht ik 5 % vals positieve toeschrijvingen aanvaardbaar. Gedurende de achterliggende 3 maanden heb ik 34 namen op diverse weblogs geopenbaard. Ik zit nu al 3 maanden te wachten op een protest van deze 34 namen, en u bent de eerste die zo’n protest stuurt. Als u inderdaad JM niet bent, dan zit ik nu op 2.9 % vals positieve toeschrijvingen. Van deze 34 namen hebben de webmasters het grootste deel gewist zonder dat daar tegen is geprotesteerd, maar blijkens mijn administratie is er van p. hendriks niets gewist.

Wat betreft uw verwijt aan de redactie kan ik u zeggen dat de eerste versie van mijn rapport zo’n 25 A4-tjes telde, waarin ik de redactie een overvloed aan argumenten heb geleverd.

Voor de goede orde volgt hier een overzicht van de eerder door mij op de NRC weblogs geopenbaarde namen in chronologische volgorde, met een uitnodiging om daar alsnog tegen te protesteren: Gerson, gelverding, Geertsema, Wijdeveldt, Randwijck, Fruyn, Santingh, Harkema, Slikveer, Nuytens, Kuyper, Dudok, Craandijk, Toornvliet, Tuinman, hoekstra, Staveren, dudokvh, Lingbeek, Kempkens, rengers, havermans, van der Aelst, Wisseboom, Lugtenberg, grootendorst, Deijben, blikman, Weerstra, van eegeraath, overbaan, hendriks, Hulshorst, Neederpelt (let op de vele namen zonder hoofdletters).

Hopende u hiemee van dienst te zijn geweest
Gerit de Jonge

P. Hendriks

Beste Gerrit,

Ik weet niet of Peter Vandermeersch zich stiekem aan het verkneukelen is over de bekvechterij die zich op zijn stoepje afspeelt. Ik gun het hem van harte.

Wat ik wil zeggen is dat u er volkomen naast zit wat mijn identiteit betreft. Ik heb er maar een en die wil ik niet en plein public geassocieerd zien met om het even welke andere!

Als u bezwaar heeft tegen de trant en/of de inhoud van mijn commentaren, kunt u zich tot mij wenden zonder te suggereren dat ik me voor een ander uit zou (hebben) gegeven.

Zonder op een inventarisatie via google vooruit te lopen, ga ik er van uit dat u mij tot de schare van JM-klonen rekent, omdat u bepaalde kenmerken meent te herkennen.

Nogmaals, het zou voor de redactie eenvoudig moeten zijn om de auteur aan te schrijven en te informeren of hij/zij een authentieke persoon is. Laat u dit a.u.b. aan de redactie over zou ik zeggen.

En inderdaad heb ik het volgende gezegd in aansluiting op een bespreking van het recht op vrije meningsuiting van journalisten in de social media:

Ik zei daar:
vrijdag 22 april 2011, 09:17 uur
De monologen nemen groteske vormen aan, zowel binnen NRC als in deze gallerij die een soort wandelgang lijkt, waar wellicht ook de rokers onder ons aan te treffen zijn.

Het forum waar voorheen geagiteerd, maar steeds omwille van de rede werd betoogd en gediscussieerd is verworden tot een hondenuitlaatplaats *) waar toezichthouders (sic) node gemist worden en een weldenkend mens verre van blijft met het oog op de pitbullachtigen en hun baasjes en bazinnetjes, die het terrein tot hun beschikking hebben gekregen/genomen.

*) hiermee wordt niets ten nadele van de hond i.h.a. bedoeld

Peter runt zijn club blijkbaar als een schoolkrant en ik vraag me af of hij nog het respect van zijn medewerkers krijgt, dat hij in zijn positie toch nodig heeft.

Als zijn denktrant maatgevend is voor het intellectuele niveau, dat hij van zijn redacteuren verwacht zou hun zelfrespect weleens onder druk kunnen komen te staan.

Een hoofdredacteur die heldere taal spreekt en weet te zwijgen als dat past, is bij een dagblad met karakter (een NRC-karakter wel te verstaan) een must.
==========================================================

Zoals u kunt lezen gaat het om een parodiërende vergelijking, waarbij het beeld door mij wordt gebruikt om aan te geven in welk gezelschap ik mij af en toe waan op het forum.

U geeft ook een mening over het door u waargenomen publiek op het forum, maar voegt daar meteen een charge van de ME aan toe. Zoals u misschien wel weet lopen vaak onschuldige voorbijgangers de hardste klappen op bij dit soort acties.

Ik vraag alleen maar om een wat redelijker toon en inhoud en om een wat relevantere discussie bij NRC.

De ridder die gerechtigheid zoekt kan de gedaante aannemen van Don Quichot, maar ook die van een dolgedraaide eenentwintigste-eeuwse kruisridder, die geen windmolens, maar jeugdige partijgangers te lijf gaat. Bij Don Quichot is het de parodie die ontwapent en ontroert, bij de tweede categorie gaat het om een uitvoerder van een opdracht die boven alle andere gaat en die zonder onderscheid des persoons MOET worden uitgevoerd.

Ik ben blij dat in Noorwegen de weg van de rede wordt gekozen en dat de dader niet als waanzinnig wordt gezien, maar wel zijn daden. Het is een moedige keus, waarbij de zwakte van de mens noodt tot medeleven en niet tot angst en haat.

Tenslotte: ik zie dat ik om een toezichthouder vroeg en meen die in u te herkennen. Zo had ik het achteraf gezien nou ook weer niet bedoeld hoor……(wel griezelig dat u als censor zegt op te treden achter de schermen).

Ik dacht meer aan een ‘publiek redactioneel statuut’ voor lezersreacties dan aan een plebisciet of heksenjacht op het forum.

Misschien zijn we het inderdaad meer eens dan zo op het eerste gezicht lijkt?

Het is niet uw veronderstelde ‘foutenpercentage’ dat mij zorgen baart (of tot opluchting aanleiding geeft), maar het feit dat u blijkbaar de vrijheid van meningsuiting als opperrechter meent te kunnen toedelen.

Ik zie dat ik nu 707 woorden heb ingetypt en heb gelet op het gebruik van kapitalen.
De spellingscontrol twijfelt nog bij Vandermeersch, Quichot, -eeuwse en social.

Gerrit de Jonge

@30 P.Hendriks
We staan niet zo ver uiteen, waar het gaat om de weblogs, en aangezien de hoofdconclusies van mijn rapportje niet beïnvloed worden door de naam p.hendriks zal ik die verwijderen. U hoeft het overigens niet als belediging te zien om met JM geassocieerd te worden; hij heeft ook goede stukjes geschreven, en ik deel enkele van zijn standpunten. Het is zijn methodiek waar ik me tegen verzet. Ik ben ook niet de eerste die JM op de korrel neemt, maar in het verleden stond de NRC daar niet voor open. Omdat de lezers mij in deze discussie wel genoeg gehoord hebben, een paar woorden van Gloria van der Spek uit september/oktober 2010.

In de discussie “Wie niet op kan stappen kan altijd nog opzeggen” opende GvdS de aanval op JM in bericht 39, met o.m. de opmerking “Wel zielig hoor, om uw eigen publiek en applaus te willen zijn”. In “Roma terecht op de Nederlandse politieke agenda”, herhaalde ze haar aanvallen in 68,79,101 en 103 met vooral in 101 forse kritiek op de NRC. In “De middenklasse is verhufterd …” zegt ze in 80:
“Ik laat het verder aan de webmaster over in de hoop dat hij het kaf van het koren weet te scheiden. Maar soms betwijfel ik dat wel hoor, gezien de ellenlange bij herhaling op herhaling sleetsgedraaide smartlapjes van de éénmansbende JM. Mogelijk heeft hij hier een streepje voor”.

In “Het CDA congres heeft gesproken. Geef Wilders macht” van 2 oktober zijn 182 en 217 lezenswaardig en ik citeer dit uit 182:
“De Magerbende is weer actief zoals u ziet. Ene Jerry heeft het op mij gemunt omdat ik zijn/haar poppenkast een paar keer van repliek heb gediend vanwege zeer oneerlijke spelletjes hier op het weblog. De ene na de andere alias verzint hij/zij om zich hier tot in het absurde te manifesteren. Openlijk heb ik hierover mijn beklag gedaan bij de NRC maar blijkbaar niet bij machte deze trol tot eerlijk bloggen aan te zetten… te laf om onder haar/zijn vaste nick name “Jerry Mager” te verschijnen … u gaat straks een lel van een gewichtige tekst lezen; waarmee (vaste prik) zijn zelf bedachte poppetjes op rij hem/haar de hemel in prijzen. … Interessant te zien overigens hoe de zgn. humorvolle gentle(wo)man JM zich ontpopt tot een lage ziedende hufter”.

De NRC reageerde dus niet op de emotioneel getinte noodkreten van mevrouw GvdS, en ik probeerde het met dorre systematische enigszins wetenschappelijke methoden. Het is jammer dat u zich daar het slachtoffer van voelt, maar ik hoop ook duidelijk te hebben gemaakt dat er iets moest gebeuren.

P.Hendriks

Digitale stalking of absurd misverstand.

Ik twijfel nog. Van de weeromstuit type ik mijn nog auteursnaam foutief in! Alweer een bewijs in uw ogen….

==============================================================
Misschien is een uitstapje in de logica behulpzaam, voordat u verder aannames voor ‘hoogstwaarschijnlijk bewezen’ verklaart:

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bewijs_uit_het_ongerijmde

Een bewijs uit het ongerijmde, of met de Latijnse term reductio ad absurdum (herleiding tot het absurde), soms ook indirect bewijs genoemd, is een bewijsmethode in de logica en de wiskunde. Deze bewijsmethode wordt bijvoorbeeld toegepast wanneer een direct bewijs niet mogelijk is. De geldigheid van de methode berust op het axioma dat een stelling alleen waar of onwaar kan zijn (de wet van de uitgesloten derde). De werkwijze is als volgt: men neemt aan dat de stelling niet waar is, en laat zien dat die aanname tot een tegenspraak of een onware bewering leidt. In de klassieke logica is dit voldoende om te bewijzen dat de stelling waar is. In de intuïtionistische of constructieve logica wordt dit niet als een sluitend bewijs gezien.
In die logica moeten zowel de wet van de uitgesloten derde als het ex falso sequitur quodlibet ofwel afgeleid worden ofwel als voorwaarden betrokken worden in het bewijs.

==============================================================

Met name deze laatste zin lijkt aan u besteed.
In zekere zin omgekeerd: een beschuldigde is niet schuldig aan het ten laste gelegde tenzij onomstotelijk het tegendeel bewezen is.
De uitkomsten van uw statistische methode zie ik niet als een, ook maar bij benadering, betrouwbaar bewijs.

Beste grote broer, uw remedie is erger dan het kwaad dat u meent te moeten bestrijden. Ik was bijvoorbeeld allang opgehouden met de door u gewraakte epistels van JM c.s. te lezen en het staat u en andere lezers vrij om die keus te maken.

Maakt u die alstublieft niet op speculatieve gronden voor ons.

Vooralsnog zie ik u als een Don Quichot. Houd het daarbij a.u.b.

Gerrit de Jonge

@33 P. Hendriks
Ik wil niet deze hele discussie met onze bijdragen laten vol lopen, maar wil toch nog kwijt dat u de zaak, en wellicht het hele leven wat te zwaar opneemt; van een Belg verwacht ik een gemoedelijker levenshouding. Ik ben niet bezig om mensen te selecteren voor de gaskamer. Ik betrap een groot kind op de omvang van het overtreden van de spelregels van een in beginsel onschuldig spelletje voor mensen met te veel vrije tijd.
Ik heb daartoe een reeks kenmerken van de onbetwiste JM bijdragen op een rijtje gezet door ze alle 285 te lezen, en heb vervolgens gekeken welke bijdragen voldoende van die kenmerken dragen om het waarschijnlijk te maken dat ze van JM afkomstig zijn. Het toeval wilde dat uw bijdragen nogal wat JM kenmerken hebben. Artsen die diagnoses stellen, en kunstkenners die echte “Rembrandts” moet aanwijzen gaan precies zo te werk. Deze disciplines hanteren het begrip “bewijs” niet en foute diagnoses en toewijzingen worden als onvermijdelijk beschouwd.

Overigens had uw laatste bijdrage nog wat JM kenmerken die in mijn rapportje staan genoemd:
-simuleren van eruditie door citaten
-neerbuigend schrijven over instituties en personen en hun werk.
-niet oplossingsgericht
-veelvuldig gebruik van net-niet scheldwoorden

En als het u ernst is om de Jerry Mager bijdragen over te slaan, dan moet u toch ook zijn aliassen kunnen herkennen; circa 80 % van zijn bijdragen is van een alias, of we p.hendriks nou meetellen of niet.

P. Hendriks

Beste Gerrit,

Ik zie dat u mij in de categorie der Belgen opneemt. Hoewel mijn voorvaderen naar het schijnt in de walloonse omgeving het geweermakersvak hebben beoefend, is mijn Belgzijn verder voor mij onbekend.

Om bij het eigenlijke onderwerp terug te keren, ik riep alleen de NRC op om het inhoudelijk lezersdebat wat meer aan de opiniestukken te koppelen (met name bij Bas Heijne en Marc Chavannes).

En eerlijk gezegd, ik kan de breedsprakigheid van de hoofdredacteur eigenlijk best waarderen, ook reageer ik soms wat kritisch. dat moet kunnen onde beschaafde mensen dacht ik.

Misschien kunt u ook terugkeren naar het eigenlijke onderwerp?

Gerrit de Jonge

@34 P. Hendriks,
Beste P.,
We zijn het kennelijk ook over heel wat dingen eens, o.m. over de goede kwaliteiten van Peter Vandermeersch en de NRC. Daarom ter rechtvaardiging van mijn acties die sommigen “gedram” noemen, nog een laatste opmerking. Ik wilde aantonen dat J.R. Mager vals spel speelde(gebruik van aliassen) om de NRC redactie zwart te maken. Zie de discussie “Wat de Groene niet wou afdrukken”, bijdrage 42 en “Moet de overheid de kwaliteitsjournalistiek redden”, bijdrage 25. En daarmee zijn we weer terug bij het eigenlijke onderwerp.

P. Hendriks

Geachte heer De Jonge,

Door uw toedoen (!) ben ik in de ban geraakt van deze voor mij voorheen relatief onbekende medelezer/schrijver(s), M.

Het plezier van het schrijven en discussiëren met medelezers kent vele gradaties en die voldoen niet allemaal aan de maat die u lijkt aan te houden. Dat accepteert iedereen neem ik aan.

Dat u bijdragen probeert te laten tegenhouden of verwijderen, omdat ze niet binnen uw begripskader passen, past niet voor een volwassen lezersforum. Zolang de fatsoensnormen niet worden gebruskeerd lijkt mij dat bijdragen in principe welkom zijn, zolang de discussie
wordt gevoerd.

Wat u eerder ‘overbodige’ eruditie noemt, beschouw ik als een normaal onderdeel van een bredere algemene ontwikkeling. Het kan mijns inziens ook geen kwaad om een zaak van verschillende kanten te benaderen en daarbij te refereren aan anekdotes etc.

Het stelt mij teleur dat u bij uw oprecht aandoende bedoeling om de NRC-redactie in bescherming te nemen de inhoudelijke discussie vervangt door een discussie over middelen en intenties, al dan niet verondersteld.

Uw vete met Mager c.s. komt wat mij betreft geheel voor uw eigen rekening. Ik ben nog nooit door wie dan ook op dit forum beticht van onredelijkheid of onheuse bedoelingen, totdat u mijn digitale pad kruiste. Integendeel.

Al uw miskleunen bij de inschatting van mijn achtergrond en ware aard zouden u toch moeten doen twijfelen aan de waarde van uw benadering.

Overigens, mijn over het algemeen blijmoedige levenshouding asocieer ik meer met een joie de vivre, dat vanaf de oudheid, en in alle windstreken van deze aardbol (dus ook bij onze zuiderburen) voorkomt bij mensen die om hun eigen dwaasheid kunnen lachen.

Die mengeling van ernst plezier en humor meen ik ook als geesteskwaliteit bij de NRC te bespeuren, zij het soms nog wat schuchter.

Laten wij die toch vooral volop de ruimte geven.

Gerrit de Jonge

@36 P Hendriks,
Het lijkt me dat we een meningsverschil hebben dat we niet met elkaar kunnen oplossen. Ik zie deze weblogs als een spel met spelregels en meen dat je je moet houden aan de spelregels als je het spel wilt meespelen. De 11 spelregels staan in de netiquette en ik houd me daar aan. Onze vriend Jerry Mager daarentegen lapt de regels 1,2,4,5,6,7,8 en 10 aan zijn laars. Ik verwacht van medespelers dat ze zich aan de spelregels houden, en mijn actie tegen Jerry Mager is daarop gericht waarbij vooral de overtredingvan regel 10 (niet trollen) zwaar weegt. Ik probeer de webmasters van deze blogs er toe te brengen deze regels te handhaven. Nu mag u mij best kwalijk nemen dat u het slachtoffer bent geworden van mijn streven om regel 10 te handhaven. Maar, onze rechtsstaat zou ophouden te bestaan als elke officier van justitie na vrijspraak van een verdachte zou worden ontslaan.

Uit uw schrijven conludeer ik dat u het niet eens bent met alle spelregels. Dat mag, maar als een voetballer de buitenspelregel wil afschaffen dan moet hij bij de FIFA zijn en niet bij zijn medespelers. Als u van mening bent dat de spelregels voor deze blogs te beperkend zijn, dan moet u bij de heer Vandermeersch zijn en niet bij mij.
Maar, veronderstel nou eens dat de heer Vandermeersch bij de bloggers zou informeren of ze regel 10, niet trollen, afgeschaft willen zien. Ik garandeer u dat Jerry Mager dan door 500 aliassen zou laten zeggen dat hij de opheffing van dat gebod toejuicht. Vindt u het dan democratisch als Peter Vandermeersch daar aan toe zou geven?

Om de consequenties van het opheffen van regel 10 te begrijpen nodig ik u uit de nu lopende discussie “Wij zijn trots, maar waarop precies?” op de blog van Louise O. Fresco “De wereldreiziger” te bekijken. Niet alleen ziet u dan dat circa 80 % van de bijdragen onder 4 verschillende namen door Jerry Mager is aangeleverd. U ziet ook dat Jerry Mager, onder de naam van dirk den boer mijn kritiek op Jerry Mager (reactie 42) beantwoordde met de vaststelling dat ik homoseksueel ben (reactie 43). Ik laat dit wel over me heen gaan; de mensen die mij kennen weten wel beter. Ik heb echter met de gedachte gespeeld om Jerry Mager op ludieke wijze met zijn eigen wapens te bestrijden, en door 50 aliassen met zwoele meisjesnamen iets te laten zeggen in de trant van “Gerrit de Jonge homoseksueel? Kom nou, ik weet wel beter”. Ik realiseerde me echter ook dat de lezers van deze blogs dat misschien vervelend zouden vinden. Om deze blogs levensvatbaar te houden moet trollerij uitgebannen worden, en daarom heb ik mij er op gericht om Jerry Mager van deze blogs te verbannen.

U moet ook beseffen dat handhaven van regels onmogelijk is als het strafbaar is om mensen ten onrechte te verdenken. Ik lijk u ten onrechte te hebben “verdacht”, jammer, en het spijt me, maar het is all in the game. Het is misschien niet aardig om te zeggen, maar ik doe het toch: De netiquette verbiedt niet om iemand ten onrechte van trollerij te verdenken. Simpel, als dat verboden zou zijn, dan kun je ook trollerij niet verbieden.

Mijn voorstel is dat u zich tot Peter Vandermeersch wendt als u de netiquette wilt wijzigen. Als hij besluit om regel 10 op te heffen en trollerij toe te staan, even goede vrienden, dan doe ik aan het spel niet meer mee en heeft de NRC een abonnee minder. Als Peter Vandermeersch daarentegen besluit om regel 10 te handhaven, dan blijf ik medespelers manen zich aan de regels te houden. Ik heb wel eens de indruk dat voetballers en hun publiek naleven van de spelregels door tegenstanders ook wel belangrijk vinden. U kunt overigens in mijn reactie 36 op “Wij zijn trots … ” zien dat ik mijn strategie gewijzigd heb, en verdachten niet meer met name noem.

P.Hendriks

Beste mijnheer de Jonge,
Uw maning is aan mij wel besteed. Als u evenwel vanaf de tribune de scheids toeroept om de regels nu toch eens toe te passen, lijkt me dat niet een juiste interpretatie van de handhaving van spelregels.

De scheidsrechter is baas op het veld en de omstanders hebben zich aan zijn/haar gezag te onderwerpen. Uw rode kaarten zijn buitenspel om het zo maar te zeggen.

Ik ken het begrip trol, maar verder gaat mijn begrip van dit kleine volkje en zijn gebruiken niet. Ik houd me aan de gewone intermenselijke fatsoensnormen en dat lijkt mij tussen volwassenen voldoende. Uw strijd doet mij toch teveel denken aan die van het geesteskind van De Cervantes, die overtuigd was van een realiteit die toch volgens de lezer (tot diens vermaak en soms meewaren) virtueel lijkt te zijn.

Mocht ik nog eens twijfelen of ik de grenzen die de nettiquette stelt te dicht nader, dan zal ik de diverse artikelen napluizen. Ik ga dat echter niet doen voor uitingen van medelezers. Ik zie daar de redactie nog wel toe in staat.

Over de uitingen van een voormalig columnist heb ik eertijds wel de vraag opgeworpen, of deze door de journalistieke beugel van de NRC konden. Niet om deze columnist te laten verbannen, maar om zowel de NRC als de columnist in staat te stellen hierover in discussie te gaan. Dit is toen niet gebeurd helaas. De columnist is met een formele reden vaarwel gezegd, zonder op het karakter van zijn pennevruchten in te gaan.

Verwondering en verontwaardiging, onophoudelijk.

Volg nrc.nl op en , lees onze dagelijkse nieuwsbrief