De Lage Landen zijn moe
Sedert ik een maand of negen geleden van De Standaard naar NRC Handelsblad verhuisde, ben ik door enkele tientallen organisaties, uitgevers, redactiechefs en andere vriendelijke nieuwsgierigen gevraagd of ik niet wilde spreken of schrijven over de gelijkenissen en verschillen tussen Nederlanders en Belgen. Want ‘die Hollanders’ eten toch slecht, vergaderen eindeloos ‘op de hei’ maar zijn ‘on-Vlaams’ recht voor de raap. Terwijl ‘wij’ lekker lang lunchen, de vergadering ‘liefst overslaan om meteen de hand aan de ploeg te slaan’ en, ‘geef het maar toe’, nooit durven zeggen waar ‘het’ op staat. Ik antwoord dan altijd dat ik mij als ‘Belglander’ vooralsnog veel te groen voel om daar grote verklaringen over af te leggen.
Los van het feit dat ik intussen wél lekker eet in Nederland, de directievergaderingen in Rotterdam stukken efficiënter vind dan die in Brussel en lang niet iedereen op de redactie van NRC even recht voor zijn raap is, heb ik altijd huiverig gestaan tegenover dergelijke exercities. In veel gevallen gaat het om het uitvergroten van versleten clichés ─ nou, hartstikke leuk zeg, dat broodje kroket met een glas karnemelk. In andere gevallen is het niet veel meer dan een herhaling van de intussen veel gemaakte analyse: het zelfgenoegzame gidsland van weleer is zijn morele, politieke en intellectuele kompas kwijtgeraakt en maakt een diepe identiteitscrisis door.
Daarom begon ik met heel wat voorzichtig voorbehoud aan het boek ‘Beste Buren. Belgen over Nederland en Nederlanders over België’ (uitgeverij Luster). Die buren vatten elkaar samen in wat de uitgever beschrijft als ‘achttien eerlijke essays’. Hij had beter kunnen schrijven ‘achttien essays van bijzonder ongelijke kwaliteit’. Dat is bij zo’n opzet ─ waarbij je aan negen Nederlanders en negen Belgen vraagt om een stukje te schrijven ─ nu eenmaal onvermijdelijk, al was het maar omdat van vier van de meest interessante schrijvers van de club (Charlotte Mutsaers, Joke van Leeuwen, Piet Piryns en Geert van Istendael) oude en al lang bekende teksten zijn gerecycled.
Erger vind ik dat de achttien essays van de hand zijn van mensen die zo goed als allemaal wortelen in het culturele, media- en academische wereldje. Dat leidt tot een al te eenzijdig boek, waarin de grootste Belgisch-Nederlandse vrijage van de jongste jaren en meteen ook het grootste economische debacle, Fortis-ABN Amro, zelfs niet één keer ter sprake komt. Een boek ook waarin de naam van ondernemer Christiaan van Thillo, een van de meest dynamische uitgevers van België en Nederland, niet wordt vermeld. Laat staan dat het gaat over Michel Preud’Homme die straks met Twente misschien wel kampioen wordt, of Adri Koster die dat met Club Brugge alweer niet wordt. Dat is zo verdomd jammer. Want net van dit soort mensen ─ bankiers, ondernemers en voetbaltrainers ─ zou ik willen horen hoe het hen verging bij de ‘beste buren’.
Maar wat vinden we dan van onze beste buren? Opvallend is vooral de heimwee die de Vlaamse auteurs koesteren naar ‘een Nederland dat niet meer is’, zoals columniste Chris Van Camp het schrijft. ‘Het lijkt slechts een uit herinnering opgetrokken fata morgana. Het progressieve gidsland, de voorhoedevechters voor persoonlijke vrijheid kregen een fatale klap van de slinger der tijden. Zwiepend van het ene uiterste naar het andere werd al die tolerantie van de kaart geveegd. Meer nog dan bij ons woekert de regelneverij. Met man en macht wordt er gewrikt om de wijzers van de klok terug te draaien naar fatsoenstijden.’ En Hugo Camps zucht: ‘Waar is toch het land van Hans van Mierlo gebleven?’
Bij de Nederlandse auteurs dreigen de clichés de overhand te nemen. Oscar van den Boogaard bestempelt de Belgen als de ‘grootste individualisten die er bestaan’. Marc Reugebrink ergert zich aan ‘het gemarchandeer met principes dat hier ten lande de gewoonte is’. Benno Barnard ziet België ‘als model van een mogelijk verenigd Europa’. En striptekenaar Dick Matena heeft het over Nederlanders die Belgen liefhebben, ‘maar dan wel een beetje zoals sommige ouders een zwak hebben voor een debiel nakomertje’.
De meest wijze woorden las ik van de hand van de in Nederland terecht op handen gedragen David Van Reybrouck. ‘De vraag is niet langer of Nederland voorop loopt op Vlaanderen, zoals in de jaren zeventig en tachtig werd gedacht, of Vlaanderen op Nederland, zoals men in de jaren negentig meende, maar of we überhaupt wel nog vooroplopen. Nederland, het sociaaldemocratische paradijs van weleer, heeft nu ook de smaak te pakken van extreem-rechtse xenofobie en islamofobie. Nederlandse en Vlaamse politici worstelen met effecten van een duister populisme, met ellenlange formatieperiodes, met het eind van het neoliberalisme, met het einde van de westerse hegemonie, met het einde van een bepaalde fase van de Europese droom, met het begin van een zeer grote milieucrisis. De Lage Landen zijn moe.’
Zijn pessimistische analyse vindt een echo in het essay van de scherpe hoogleraar Geert Buelens: ‘In de herfst van 2005 durfde ik op de universiteit van Utrecht nog te beweren dat België een voorbeeld was voor het immer eurosceptischer wordende Nederland. Na vier jaar politieke stilstand in mijn geboorteland blijft van die ambitie enkel het besef over dat het een illusie betrof… Al overvalt me soms ook de gedachte dat je maar beter geen regering kunt hebben dan de huidige Nederlandse.’
Interessante gedachte. Wat verkiezen we? Rutte gesteund door Wilders? Of Leterme die straks al een jaar het gat moet zien te dichten voor De Wever en Di Rupo die het niet durven of niet kunnen? Ik ga, na lang wikken en wegen, toch voor het eerste.
