Een erfenis
In de Tweede Kamer werd donderdag Max van der Stoel herdacht. Er was, dat zal niemand verbazen, enkel lof voor de vorige week overleden oud-minister van Staat en Buitenlandse Zaken. Ik vat even samen: oerdegelijk, vasthoudend, bescheiden, vastberaden, onvermoeibaar. Cohen: „Een baken van rechtvaardigheid voor de wereld.” Rutte: „De wereld was zijn thuis. […] Een mooi en groot man, die wereldwijd heel wat brandjes heeft voorkomen en geblust.” In een eerdere reactie prees de premier hem als internationale voorvechter van mensenrechten.
Van der Stoel ging gerust met mensen aan tafel zitten die hij in zijn hart verafschuwde
Mensenrechten – ik wil niet vervelend doen, maar volgens mij was het de eerste keer in zijn leven dat Mark Rutte het woord in de mond nam. Dat is geen toeval. Wanneer je de kwalificaties waarmee Van der Stoel het graf in geprezen werd eens goed bekijkt, valt je meteen op hoe ver ze af staan van het huidige politieke klimaat. Oerdegelijk en bescheiden doen het gewoon slecht op televisie. Een politicus die de wereld zijn thuis noemt, kan in Nederland wel inpakken. En mensenrechten, hou me vast. Ieder lid van dit kabinet benadrukt steeds opnieuw dat vertegenwoordigers van ons land in het buitenland zich bij alles dienen af te vragen: wat heeft Nederland eraan? Wat levert het ons op?
Mensen vragen zich vaak af hoe het zou zijn wanneer Jezus terug op aarde kwam in onze tijd. Stel je voor dat een man als Van der Stoel in de huidige Nederlandse politiek zou opduiken. Ik zeg voorzichtig: geen hartelijke ontvangst.
Max van der Stoel mag heel wat brandjes wereldwijd hebben geblust, de Hollandse veenbrand moest hij met lede ogen aanzien. Toen ik hem acht jaar geleden vroeg deel te nemen aan mijn serie ‘tafelgesprekken’ voor deze krant, zei hij meteen ja. Aan het eind van het gesprek in een Haags restaurant stelde hij tevreden vast: „Ik heb mijn hart over Nederland gelucht.”
Wat hem dwarszat? Nederland raakte steeds in zichzelf gekeerd. Er werd door de politiek steeds slordiger met staatsrechtelijke principes en instituties omgegaan (vooral Balkenende moest het ontgelden). Het politieke debat in Nederland, stelde hij ook nog fijntjes vast, bevond zich op „een bedenkelijk laag niveau”.
Toen ik hem sprak, was hij zelf al een instituut geworden – dat door zijn eigen partijgenoten nauwelijks meer bezocht werd. „Van de generatie-Kok ken ik nog wel iedereen. Van de nieuwe generatie niemand.”
Tijdens dat bistrogesprek ontdekte ik gaandeweg wat Van der Stoel zo bijzonder maakte: de volslagen pragmatische wijze waarop hij zijn idealen probeerde te verwezenlijken. Elke suggestie van mijn kant over grote bevlogenheid en weidse vergezichten over een betere wereld, werden vriendelijk maar beslist terzijde geschoven.
Met smaak vertelde hij hoe hij in brandhaarden onwillige politici aan de onderhandelingstafel had gekregen. „Ik kan goed tegen beledigingen.”
Wanneer het niet goedschiks lukte, moesten harde middelen worden ingezet. „Je begint er natuurlijk mee mensen aan te spreken op hun gevoel voor redelijkheid. Als ze vervolgens blijven dwarsliggen, dan wordt het tijd om de duimschroeven aan te draaien.”
Hij was, opperde ik, dus eigenlijk een machiavellistische idealist? „Zo kun je dat wel zeggen, ja.”
Had hij de vader van Máxima ook zo aangepakt? „Het was betrekkelijk eenvoudig om die man duidelijk te maken dat, wanneer hij wilde dat zijn dochter een beetje fatsoenlijk in Nederland zou inburgeren, hij beter kon thuisblijven.”
Let op dat „die man”. Daar zit alles in.
Als geen ander begreep Van der Stoel dat idealisme geen zaak van grote woorden op persconferenties en cameramomentjes was, maar een stug proces dat zich grotendeels achter de schermen afspeelde. Ook had hij geen last van morele smetvrees: hij ging gerust met mensen aan tafel zitten die hij diep in zijn hart verafschuwde. „Ik ga ervan uit dat alle mensen zowel goede als slechte eigenschappen hebben. Aan die gedachte klamp ik me dan maar vast, al kost het me soms wel moeite.”
Dat is zijn erfenis: het besef dat idealen zich moet bewijzen in een onvolkomen wereld. Het besef dat realiteitszin iets anders is dan cynisme.
