Daadkracht
In de Tweede Kamer ging het van de week over de Nederlandse Spoorwegen; ruim tweeduizend jaar judeo-christelijke beschaving en nog rijden de treinen niet op tijd. Het is om gek van te worden.
Aanleiding was een geruchtmakend interview dat Marion Gout, de nieuwe directeur van ProRail, aan deze krant gaf. Gout had zich onthouden van grote beloften: ProRail kreeg nu een 4 van het publiek en daar kon zij niet een-twee-drie een 10 van maken. „Ik kan geen ijzer met handen breken. (…) Je moet gewoon de tijd nemen.’’
In een land waar het altijd vijf voor twaalf is, vallen zulke woorden niet goed. Bovendien schaarde Gout zich niet opzichtig aan de kant van de Nederlandse burger, in dit geval de reiziger. Een doodzonde: wil een bestuurder tegenwoordig overleven, dan zal hij moeten doen alsof hij de pijn van de burger voelt. Dat leek Gout niet te beseffen. Erger nog, ze zei unverfroren dat ze zich verantwoordelijk voelde voor haar klanten, de vervoerders, en niet voor de reizigers. Niet goed. Ze had een Verbond met de Reiziger moet sluiten. Ze had met een aanvalsplan tegen de bevroren wissel moeten komen. Ze had de oorlog tegen bladeren op de rails moet afkondigen.
Wil een bestuurder overleven, dan moet hij doen alsof hij de pijn van de burger voelt
Kamerleden aarzelden niet. VVD’er Charlie Aptroot, die kleine meester van de gespeelde verontwaardiging: „Dit kán gewoon niet. Ik wil gewoon een directeur die zegt: dit gaan we in orde maken.” D66: „Wij willen op korte termijn verbeteringen zien.” En de PVV: „Ze kijkt vanuit een ivoren toren op de reiziger neer.”
Het is een heel oud rollenspel. In 1937 schreef de geweldige Tsjechische schrijver Karel Capek een krantenstuk over twee onverbeterlijke mensensoorten. Er zijn mensen die een talent hebben om te zeggen wat er gedaan zou moeten worden. De overheid moet, de gemeente moet, de minister moet, schrijvers moeten. Er moet een wet komen, er moet onmiddellijk een regeling worden ingevoerd, er moet een instelling komen, er moet geld worden gevonden.
Over die eerste categorie mensen kun je twee dingen zeggen, schrijft Capek. Ze stellen altijd dingen voor die urgent zijn en in het belang van de burger – en die in een oogwenk geregeld zouden kunnen worden, als de desbetreffende bestuurder maar over genoeg daadkracht en toewijding beschikte. Twee: het gaat altijd over zaken die door iemand anders moeten worden uitgevoerd. „Wat gedaan zou moeten worden, is altijd de verantwoordelijkheid van een ander. Onze hervormingsfantasieën nemen de hoogste vlucht wanneer we die hervormingen aan iemand anders kunnen opdragen.”
Tot de tweede categorie van Capek behoren we bijna allemaal: de mensen die bezwaren opwerpen. Het is allemaal complexer dan het lijkt. Het is technisch, juridisch, praktisch domweg niet uitvoerbaar. „Er zit een bezwaarlijke kant aan. Onmogelijk in de huidige situatie. Het zou heel mooi zijn, maar in de praktijk niet haalbaar. Het financieel draagvlak ontbreekt. Je kunt niet zomaar een hele organisatie in één klap veranderen.”
Dit soort bezwaren, schrijft Capek, zijn altijd gebaseerd op de praktijk. Men spreekt vanuit lange ervaring en beroept zich op werkelijkheidszin. En: ze worden alleen gebruikt wanneer ons een opdracht wordt toegewezen, aan onze afdeling of de eigen beroepsgroep. Als het over andere sectoren dan de onze gaat, heeft niemand het over complexiteit en haalbaarheid.
Die twee menssoorten houden elkaar volmaakt in evenwicht. Op ieder ‘zou moeten’ volgt onherroepelijk ‘zo gemakkelijk gaat dat niet’. Capek: „Het is aangenaam in te spelen op de wensen van de burger, maar net zo plezierig om die veilig weg te parkeren.” Daarna modderen we gewoon voort.
Het zou helpen, schrijft Capek in 1937, wanneer we onze eigen verantwoordelijkheid zouden nemen. Maar ook wanneer het in Nederland anno 2011 over de eigen verantwoordelijkheid gaat, wordt altijd die van een ander bedoeld.
