Kleine wereld
Waar je niet omheen kunt: des te kleiner de gemeenschap, des te groter de angst voor zelfverlies. Tijdens de tournee van het literaire Festival Winternachten – we waren op Sint-Maarten, nu zitten we op Curaçao – gaat het in discussies met scholieren en studenten over jezelf thuis voelen en identiteit. Voel je je Sint- Maartenaar? Ben je over tien jaar nog op het eiland? Engels of Nederlands? Nederlands of Papiamento? Waarom zou je nog in Nederland gaan studeren wanneer de rest van de wereld om de hoek ligt?
Wat me opvalt, is hoeveel de discussies op de Antillen op die in Nederland lijken. Dat is een verrassing, want een tijdlang was dat niet zo: een preoccupatie met onafhankelijkheid en eigenheid leek typisch iets voor de postkoloniale wereld. Er werd vanuit Nederland meewarig naar gekeken. Terwijl men zich op de Antillen en in Suriname verloor in eindeloze discussies over wat echt was en wat aangeleerd en weer trots probeerde te worden op zichzelf en de eigen geschiedenis, hield Nederland zich onbekommerd bezig met de toekomst. Niemand durfde het hardop te zeggen vanwege het koloniale schuldgevoel, maar al dat gewroet in het verleden, die provinciale koestering van de eigen uniekheid plus een flinke dosis opgeklopte trots, werd een beetje belachelijk gevonden. Vanuit de grote wereld gezien stelde het allemaal niet veel voor. Ze moesten het daar vooral zelf weten, maar Nederlanders waren met heel andere dingen bezig. Europees worden, bijvoorbeeld. Wanneer je klein was, hoefde je je nog niet klein te gedragen.
Dat zelfbeeld is verkruimeld. De discussies in Nederland gaan niet langer over wat we met de wereld gaan doen, maar over wat de wereld met ons gaat doen. Er is zorg over de Nederlandse taal, we maken ons druk over de Nederlandse geschiedenis, over de Nederlandse cultuur, over wie we waren en over wie we zijn – en over wat we zouden moeten zijn. De situatie op de Antillen mag hemelsbreed verschillen van die in Nederland, de obsessies beginnen steeds meer op elkaar te lijken. Hoe hou je je eigen kleine wereld intact in een grote, onverschillige wereld, een kleine wereld die ook nog eens hopeloos versplinterd dreigt te worden door nieuwkomers? Een van de scholieren op Sint-Maarten zei dat zij zich als oorspronkelijke Sint-Maartenaar in het nauw gedreven voelde – ze behoorde inmiddels tot een minderheid. Een ander meisje vroeg of er racisme was in Nederland. Mijn antwoord nam een kwartiertje in beslag.
Tussen de deelnemende schrijvers ontstond na een gesprek met studenten aan de universiteit van Sint-Maarten een heftige discussie: een Turks-Franse antropoloog die een schrijfster uit Libanon vergezelde, vond al dat geklets over identiteit vruchteloos en ook gevaarlijk. Dat begrip was een loze constructie. Niemand had één enkele identiteit. Wetenschappers hadden het allang ontleed en ontmaskerd. Het waren altijd kwaadwillende politici die het als instrument gebruikten om akelige emoties op te roepen. Afblijven! Vooral schrijvers moesten er verre van blijven.
De antropoloog wond zich er zichtbaar over op. Ik kon dat wel begrijpen: je hoefde alleen maar aan de nationalisten in zijn geboorteland Turkije te denken om hem volmondig bij te vallen. In ons gezelschap bevindt zich ook een schrijfster uit Maleisië die er van mee kan praten: haar voorouders komen uit India en China en als vierdegeneratie-immigrant krijgt ze van de naar culturele zuiverheid strevende islamitische meerderheid te horen dat ze maar beter zo snel mogelijk kan vertrekken. De schrijfster uit Libanon heeft dertig jaar burgeroorlog achter de rug, aangezwengeld door conflicterende opvattingen over eigenheid. En dan is er natuurlijk Geert Wilders, die zijn verbeten identiteitspolitiek weer een nieuwe dimensie geeft door een vertegenwoordiger van de Israëlische Likudpartij hoog op zijn kandidatenlijst te zetten: een man die er voor pleit om Joden die de kritiek op Israël in het Goldstone-rapport delen te verstoten uit de gemeenschap en de banvloek over hen uit te spreken. In een interview heeft hij het consequent smalend over ‘Joodjes’ waar men in tijden van de stetl wel raad mee geweten had. Joods antisemitisme, het is even wennen. Nog niet zo lang geleden hoefde je alleen maar boos te zijn om een stem op Wilders te rechtvaardigen; inmiddels moet je zwaar gestoord zijn.
De antropoloog heeft gelijk, discussies over identiteit raken snel aan onfrisse emoties. Maar tegelijk viel me op dat de meeste schrijvers die aan deze tournee deelnemen weldegelijk bezig zijn met hun plaats in de wereld. Ze schrijven over waar ze vandaan komen, over hun voorouders, over het land dat ze hebben achtergelaten of waaruit ze niet weg willen. Hier zijn geen onthechte wereldburgers aan het woord, maar mensen die zoeken naar wat hen verbindt met het verleden en hun omgeving. Dat kun je het verlangen om je ergens thuis te voelen noemen – maar dat is gewoon een andere omschrijving van identiteit.
Een lastig parket: je kunt het met de antropoloog eens zijn en zeggen dat je het begrip identiteit maar het beste aan wetenschappers kunt overlaten, om ongelukken te voorkomen – voor je het weet loop je met een pistool op zak je eigenheid te vieren. Maar net zo gevaarlijk lijkt het me ieder verlangen naar eigenheid als achterlijk af te doen; je kunt het lang wegwuiven of onderdrukken, op een gegeven moment zal het zich laten gelden, en dan meestal niet in de prettigste vorm. Hoe verhoudt het verlangen om je ergens thuis te voelen zich met het gegeven van een alomtegenwoordige, versnipperde wereld?
Ik moet denken aan een gesprek dat ik had met Jessica Stern, een Amerikaanse expert op het gebied van religieus geïnspireerd terrorisme. Ze wist niet goed hoe ze de non die op school zo goed voor haar was geweest, moest rijmen met mannen en vrouwen die zichzelf of anderen opbliezen voor de zaak van God. Haar conclusie was: geloof maakt goede mensen beter en slechte mensen slechter. Voor identiteit geldt hetzelfde, denk ik. Gisteravond sprak ik met een inwoner van Curaçao die zich inzet voor de onafhankelijkheid van het eiland, omdat het zou bijdragen aan de eigenwaarde van de bewoners, wat tot een ontspannen verstandhouding met de rest van de wereld zou kunnen leiden. Maar hij zei ook dat hij geschrokken was van sommigen van zijn medestanders, die de onafhankelijkheid willen gebruiken om de Nederlanders een rotschop te kunnen verkopen.
