Mijn kleur
Mij verbaast het nogal: hoe iemands ‘kleur’ zijn mening over allerlei totaal verschillende zaken bepaalt. Het mooiste voorbeeld is het debat over de opwarming van de aarde. Je daar ernstige zorgen over maken geldt als links, beweren dat het zwaar overdreven wordt en dat het debat gedomineerd wordt door een ‘milieumaffia’, is een onvervalst rechtse mening. Nooit lees je eens een opinieartikel van iemand die een fervent voorstander van de inval van Irak was, maar ook vindt dat het wat broeikaseffect betreft vijf voor twaalf is. Net zo: vrijwel nooit hoor je iemand klagen over de hysterie van het integratiedebat, die daarna afrekent met de niet minder melodramatische toonzetting van films als The Age of Stupid. Wie partij kiest, kiest kennelijk voor een heel pakket aan meningen, over een hoop zaken die ogenschijnlijk niks met elkaar te maken hebben. Wat zou het verrassend zijn een ingezonden stuk van Leon de Winter te lezen waarin hij oproept tot onmiddellijke invoering van de elektrische auto. Helaas.
Dit is niet meer de tijd van de ideologie, het is de tijd van de ‘kleur’. De hedendaagse burger krijgt dag in, dag uit de hele wereld op zijn bord, een wereld die veel te complex is om te doorgronden, en dus kan er maar beter partij gekozen worden. „De waarheid spreekt degene die je vertrouwt,” zegt de door Sean Connery gespeelde politieman in de film Rising Sun, een verfilming van een Michael Crichton-thriller uit begin jaren negentig, toen men er serieus van uitging dat Japan de westerse beschaving bedreigde – wie daar toen kanttekeningen bij plaatste, werd weggezet als een struisvogel. Die relativerende woorden hebben voor mij een onheilspellende resonans gekregen. Als degene die je vertrouwt de waarheid in pacht heeft, betekent dat dat mensen die een andere mening hebben het grootst mogelijke wantrouwen verdienen. Het is meteen persoonlijk: een andere mening is een motie van wantrouwen, een aanval op je integriteit, een ontkenning van je gevoel van eigenwaarde. Dat is de reden voor de uitzinnige scheldpartijen op internetfora; een afwijkende mening geldt als een aanslag op je ziel.
Dat het debat niet door argumenten maar door kleur bepaald wordt, heeft komische bijeffecten. Nadat GeenStijl een filmpje op zijn website plaatste waarin de protesterende Wildersaanhang voor de rechtbank als een verzameling idioten werd neergezet, verschenen op internet onmiddellijk beredeneerde betogen waarin GeenStijl als onderdeel van het arrogante establishment werd bestempeld. Net zo geldt onder dezelfde gelovigen Peter R. de Vries na zijn aanval op Wilders nu als een typische vertegenwoordiger van de linkse elite. Ik herinner me een ingezonden brief in HP/De Tijd uit de begindagen van het integratiedebat waarin de socioloog J.A.A. Van Doorn werd opgeroepen onmiddellijk terug te gaan naar „de linkse kerk waaruit hij afkomstig is”. Tja. Inmiddels wordt HP/De Tijd zelf door Wilders als een links blaadje weggezet.
‘Kleur’ is niets anders dan gepolariseerd groepsdenken; iedereen die het waagt je tegen te spreken, schendt je vertrouwen en moet wel tot het kamp van de vijand behoren. Regelmatig mag ik tevreden verklaringen lezen waaruit blijkt dat mijn eigen meningen volkomen verklaarbaar zijn door mijn linkse verleden – dat ik niet heb. Links is nu een woord zoals in de jaren zeventig en tachtig fascist: het is een argument an sich geworden. Als je het maar vaak genoeg gebruikt, betekent het helemaal niets meer. Ongetwijfeld is dit een typisch linkse gedachte. Kleur is het kiezen van argumenten die bij je emotie passen. Over de plannen van de Nederlandse publieke omroep om vanaf september de verschillende omroepen weer duidelijk voor hun kleur te laten uitkomen, wordt door critici gezegd dat het een terugkeer betekent naar de tijd van de verzuiling. Men zou ineens weer socialist, katholiek, of conservatief worden. Was dat maar zo – de tijd van verzuiling is voorgoed voorbij. Het is juist het gemis aan de geborgenheid van een stevig beargumenteerd wereldbeeld, dat de nieuwe nadruk op kleur veroorzaakt. Kleur is geen houvast, geen beredeneerde overtuiging, het is emotie. Het is het zwelgen in subjectiviteit, omdat gebleken is dat objectiviteit niet bestaat. De nieuwe koers van de publieke omroep geeft mooi aan tot welke gespletenheid die nadruk op kleur kan leiden. „De ledenomroepen hebben er weer behoefte aan zich te profileren en hun achterban te bedienen”, stelt NPS-directeur Joop Daalmeijer. „Dat is echt iets van deze tijd en dat zie je terug in deze opzet. Om te overleven moeten de omroepen weer een community vormen.” De kritiek dat de televisiejournalistiek te ‘links’ zou zijn („drie keer de Volkskrant”, volgens Henk Hagoort, de voorzitter van de publieke omroep, die kennelijk de Volkskrant niet leest), heeft dus veelzeggend genoeg niet geleid tot een pleidooi voor een meer neutrale verslaggeving, maar juist voor meer ‘rechtse’ geluiden op de Nederlandse televisie. Ruim baan voor de gekleurde blik.
Tegelijkertijd klinkt er vanuit de publieke omroep een tegengesteld geluid. In de Volkskrant brak NOS-redacteur Jan de Jong juist een lans voor de intelligente, niet-gekleurde verslaggeving. Zijn Nieuwsuur, dat NOVA gaat vervangen, gaat volgens hem „de witte vlekken in de journalistiek van de publieke omroep opvullen: onderzoeksjournalistiek, buitenland, waaronder Brussel, en financieel-economisch nieuws”. Toe maar. Er wordt gestreefd naar objectiviteit: „Het is geen linkse kerk meer, wat altijd gezegd wordt, maar wat echt onzin is. Maar we willen ook geen réchtse kerk. We laten de zaak van alle kanten zien, zodat kijkers hun eigen mening kunnen vormen.”
Dat wordt een eigenaardig medialandschap: aan de ene kant wordt de ongeremde subjectiviteit gehuldigd, waarin iedereen ongegeneerd voor zijn kleur gaat uitkomen, zowel ‘links’ als ‘rechts’; aan de andere kant is er de houding van de NOS, waarin men juist zo neutraal mogelijk wil zijn en zich met overgave op zaken richt die niet direct persoonlijk, dichtbij en emotioneel zijn – Brussel, buitenland, financieel-economisch nieuws. Die gespletenheid is een teken aan de wand. Het laat zien waar het echt om gaat, niet om links of rechts, maar om het zwelgen in emotionele zelfbevestiging of het streven naar afstandelijke beschouwing. De wereld zoals je hem beleeft, is niet meteen de hele werkelijkheid, laat staan de waarheid. Vaak botst je beleving met de beleving van anderen – dat heet een debat. Ieder actualiteiten- of discussieprogramma zou dat besef als uitgangspunt moeten hebben, ongeacht welke politieke of levensbeschouwelijke overtuiging dan ook. Gekleurd zijn doe je maar thuis.
