Terugslaan
In de Engelse voetbalwereld was er van de week ophef over een bedenkelijke actie: na gescoord te hebben tegen zijn voormalige werkgever Arsenal tartte Emmanuel Adebayor het supportersvak van die club door met uitgespreide armen zijn triomf op te eisen. De Arsenal-fans ontploften, er werd van alles naar de voetballer gegooid, er ging een stadionwacht tegen de vlakte. ’s Avonds werd er schande van gesproken op televisie, de volgende dag las ik lange meditaties op de sportpagina’s over hoe Adebayor naast de schoonheid ook het beest in zichzelf had laten zien (hij had ook zijn oud-ploeggenoot Van Persie een trap gegeven). De voetballer zelf had direct na de wedstrijd al eeuwige spijt betuigd.
Waarom eigenlijk? Al tijdens zijn tijd bij Arsenal hadden de supporters hem het leven zuur gemaakt en in deze wedstrijd tegen zijn oude club werd hij getrakteerd op scheldpartijen en fluitconcerten. Daarover in de commentaren geen woord. Het sprak kennelijk vanzelf dat je op dat vuur geen olie gooide; Adebayor verdiende zijn aanstaande schorsing.
Ik vond het een prachtige actie. De ontstelde woede op de gezichten van de supporters deed me denken aan de scène in Brüno van de Engelse komiek Sacha Baron Cohen, waarin de Amerikaanse toeschouwers van een kooigevecht ineens worden geconfronteerd met een vrijpartij van twee mannen. Een briljante omkering: het publiek denkt vrijuit zijn emotie en agressie te kunnen uitleven en ineens worden de rollen omgedraaid – het wordt zelf geprovoceerd. Dat komt aan als een mokerslag, zowel in Brüno als tijdens de actie van Adebayor spatte de haat van de gezichten en vlogen de stoelen door de lucht.
Maar het was de voetballer die achteraf verketterd werd, niet de supporters die hij een koekje van eigen deeg gaf. Wat zegt dat? De voetballer wordt geacht zich aan de regels van het fatsoen te houden, zich niet te laten provoceren – zoals iedereen die een verantwoordelijke positie inneemt. Scheldpartijen, bedreigingen, haat en hoon – wie in de schijnwerpers staat, moet het met een minzame glimlach van zich af laten glijden, niet terugslaan, en zeker niet op hetzelfde niveau.
Hoogstaand – maar weinig effectief. Overal zie je nu dezelfde dynamiek: ongeremde agressie vanaf de zijlijn, een onophoudelijk beuken, juist omdat men weet dat het doelwit toch zijn fatsoen moet houden en niet met gelijke munt kan terugslaan. Je ziet het in het entertainment, je ziet het in de journalistiek, maar vooral zie je het in de politiek. Lees de website van De Telegraaf en je waant je in het voetbalstadion: hier wordt de blinde haat gevierd, de totale afwijzing van alles, de heilige woede – heerlijk. De grondtoon is miskenning en verongelijktheid, en daar is niks nieuws aan, maar de uitzinnigheid waarmee die emoties worden geëtaleerd, verraadt nog een ander gevoel: de zekerheid dat het doelwit aan handen en voeten gebonden is, de fatsoensnormen in acht moet nemen, niet even hard kan terugslaan. Het is de wreedheid van de man die zijn tegenstander ziet spartelen.
En dat klopt, want de BN’ers, de journalistiek en de politiek, zonder het publiek zijn ze niets, en dus zie je overal kramp en bedeesdheid, schroom om iets terug te zeggen. Bovenal zie je een verlammende angst. Het huidige kabinet is een bang kabinet, het is volledig in de tang genomen door de tijdgeest. Je begrijpt wel waarom: had het daadkracht getoond en harde maatregelen afgekondigd, dan was er ongetwijfeld een volksopstand uitgebroken; nu uit angst alles verder onderzocht en vooruitgeschoven wordt, wordt de indruk van lafheid opnieuw bevestigd.
Vanaf de zijlijn wordt er lustig geprovoceerd, domweg omdat men voelt dat men weinig te vrezen heeft. Wie zich aan het stadiongevoel overgeeft, kan zich ongeremd uitleven – hoogstens stuit hij op wat voorzichtige kanttekeningen of besmuikte tegenwerpingen. Kritiek op de eindeloze stroom politieke provocaties van Geert Wilders gebeurt dan ook meestal in naam van het fatsoen en de rechtstaat, met waarschuwende geluiden over stigmatisering en uitsluiting. Waardoor het tegengeluid voorspelbaar is: politiek correct, slap, elitair. Omzichtigheid is troef, nooit wordt er hard teruggemept. Zelden wordt de aanhang van de PVV met opzet geprovoceerd, vrijwel nooit worden hun bangige redeneringen en verongelijkte prietpraat belachelijk gemaakt. Dat komt omdat ontevreden mensen tegenwoordig uit naam van heel het volk spreken; en niemand wil ‘het volk’ tegen het hoofd stoten. Zo kan het gebeuren dat De Telegraaf, die zich de afgelopen jaren onbekommerd op de glijdende schaal van de wilderiaanse hetze heeft begeven, door collega’s nu chic wordt aangeduid als een ‘actiekrant’. Dat is de nieuwe politieke correctheid: wie niet blind is, ziet dat het een vod is.
Al die uitgeleefde woede in Nederland heeft iets intimiderends – en zo is het ook bedoeld. Het succes van Wilders is te danken aan zijn formidabele talent voor intimidatie. Dat is opwindend, maar het is de opwinding van het voetbalstadion. Dat zijn nieuwste voorstel om een belasting te heffen op hoofddoekjes belachelijk is, hoeft niet eens te worden gezegd – niemand weet dat beter dan hijzelf. Het kwaadaardige schuilt dan ook niet eens zozeer in het discriminerende, de neiging tot stigmatiseren, et cetera. Het kwaadaardige schuilt in zijn besef dat het steeds meer mensen helemaal niet meer kan schelen of het zinnig en uitvoerbaar is of niet, zolang het maar een provocatie is. Het enige wat telt is het effect. Maar je moet Wilders niet xenofoob noemen, of crapuul, want dan gelden ineens weer de regels van het fatsoen. Alle verontwaardiging van die kant is onbeschaamd selectief: de PVV houdt bijvoorbeeld alleen van homo’s wanneer ze gehaat worden door moslims – wanneer die beweging een boot zou laten meevaren in de Gay Parade, zou Wilders meteen vijf zetels zakken in de peilingen. Daarom is er geen boot.
Wilders is maar een symptoom; het verschijnsel is algemeen. De hetze tegen de hervormingsplannen van Obama wordt volgens dezelfde regels gevoerd. Het zijn de regels van het vrije schieten, de ongeremde verdachtmaking en de smalende veronachtzaming van feiten – en de heilige verontwaardiging wanneer iemand iets terug durft te zeggen. Op die manier is er niets gemakkelijker dan mensen in het defensief dwingen. Objectiviteit is dan nog slechts een teken van zwakte, de feiten een ontkenning van de emotie.
Slaan waar het pijn doet, luidt het credo van de Franse schrijver Houellebecq. Ik zou zeggen: terugslaan waar het pijn doet.
