Hollands geluk
Als het niet verrassend is, dan is het tenminste opvallend: meer mensen in Nederland maken zich zorgen over het verval van normen en waarden dan over de economische crisis. Veel meer mensen: de uitkomst van de jaarlijkse 21minuten-enquête geeft een verschil aan van meer dan tien procent. De burger maakt zich zorgen over zijn baan en zijn huis, maar veel meer nog over grofheid en geweld. Maar liefst 74 procent van de ondervraagden ligt wakker van een „afname van tolerantie en respect en toename van verbaal geweld.’’ De onderzoekers spreken van een „normen en waarden crisis’’.
Heel veel slapeloze nachten kost het de burger overigens niet, want de score van mensen die zichzelf gelukkig durven te noemen is nog altijd erg hoog: 70 procent. Men maakt zich zorgen over de crisis, maar vindt dat het kabinet de juiste maatregelen heeft getroffen. De onvrede zit elders: grofheid in de publieke ruimte, grofheid op televisie, grofheid in de politiek. Grote graaiers aan de top, grijpgrage Marokkaanse hangjongeren onderaan, de onbeschoftheid van Wilders, de zonnebril van Wouter Bos, het loze BN’er-gekwek op televisie, geen gezag, geen respect, geen solidariteit – bekijk de uitkomsten van de 21minuten-enquête en je waant jezelf in een Hobbesiaanse nachtmerrie, waarin men verwikkeld is in een oorlog van allen tegen allen.
Je zou bijna die 70 procent gelukkigen vergeten. Bovendien gaat het voornamelijk om alledaagse ergernissen, niet over hoge moord- of zelfmoordcijfers, niet over onleefbare getto’s, grote netwerken van georganiseerde misdaad of een vrije armoedeval. De meeste mensen die woedend zijn hebben, zo blijkt, een redelijk inkomen en een huis. Dat geeft hun zorgen iets betrekkelijks. Wanneer het grootste probleem in de Nederlandse samenleving gebrek aan beleefdheidsvormen en respect is, dan hoeft niemand te wanhopen, zou je denken: even de schouders onder, een beetje bewustwording, een beetje inlevingsvermogen en een beetje hoffelijkheid – klaar. Eensgezind tegen de hufterigheid.
Maar wanneer je de uitkomsten van de enquête nader bekijkt, blijkt dat toch niet zo simpel. Men vindt vooral de ander sociaal tekortschieten. PVV-stemmers wijzen naar onfatsoenlijke Marokkanen, ChristenUnie-stemmers zien een vloedgolf van seks over de samenleving gaan, rustige burgers kijken met ontzetting naar het ontketende PVV-volk dat zichzelf volgens goed revolutionair gebruik tot het Volk heeft uitgeroepen en zich uitleeft in een verbale guerrilla. Zelfs de onvrede is in Nederland gepolariseerd. De resultaten van de 21minuten-enquête kun je je het beste voorstellen als een kring van mensen, waarbij iedereen beschuldigend naar elkaar wijst.
Dat levert ongemakkelijke paradoxen op: woedende uitbarstingen over gebrek aan fatsoen en moraal door personen die door anderen juist bij uitstek onfatsoenlijk worden gevonden. Men roept om meer gezag – voor anderen. Er moet respect komen – voor mij. We willen dat er aangepakt wordt, maar bij iedere nieuwe regel of wet, voelen we ons gepakt. Het is de ander die niet sociaal is, de ander die te brutaal is, de ander die niet meedoet. Alle onvrede, zo wijst de enquête uit, richt zich tegen gedrag dat als asociaal wordt gezien – tegen mensen die teveel verdienen, het te hoog in hun bol hebben, de publieke ruimte vervuilen, misbruik maken, regels negeren, een grote bek hebben. Dat duidt op een grote sociale betrokkenheid, maar ook op rancune.
De onderzoekers van De Publieke Zaak constateren dat de Nederlander een egalitaire samenleving wenst, „bescheiden, solidair en gezagsgetrouw”. Dat klinkt fraai en hoopgevend, totdat je ontdekt dat het ook een goede omschrijving is van het spreekwoordelijke Hollandse maaiveld – waag het niet je kop erboven uit te steken. De ander moet zich gedragen.
Die januskop van de publieke opinie zorgt voor veel verwarring. Tegenover alle politieke commentaren die constateren dat het volk veronachtzaamd wordt, dat er meer directe democratie moet komen, dat ‘de elite’ zichzelf fêteert, terwijl de gewone, hardwerkende burger met de rotzooi wordt geconfronteerd – tegenover het beeld van de oprechte, gefnuikte burger staat dat van de verwende en verongelijkte burger, die zwelgt in zelfbeklag en alles afschuift op de overheid. Het zijn twee beelden die elkaar volkomen tegenspreken – en je kunt ze gebruiken naar het je uitkomt.
In de 21minuten-enquête kom je je beide burgers tegen: de burger die zich zorgen maakt om het gebrek aan sociale cohesie, de verloedering van de omgangsvormen, de afwezigheid van solidariteit en de burger die alleen druk maakt om wat hem direct aangaat is – het milieu kan hem bar weinig schelen, vredesmissies zijn geldverspilling, er kan gerust bezuinigd worden op ontwikkelingshulp en op kunst en cultuur. Men gaat er vanuit dat de overheid de crisis zal oplossen, maar 82 procent van de mensen die geen werk heeft, is niet bereid om te verhuizen vanwege een nieuwe baan.
Een gevalletje Jekyll en Hyde? Als je één ding kunt concluderen is het dit: men snakt naar een gevoel van gemeenschap, men is niet echt bereid offers te brengen in naam van de gemeenschap. Het verlangen is oprecht, de onwil hardnekkig. Er wordt heftig verlangd naar solidariteit, maar meestal wordt daarmee bedoeld dat de ander moet inbinden. De roep om meer tolerantie gaat gepaard met de roep om korte metten.
In die zin geven de uitkomsten van de 21minuten-enquête een haarscherp beeld van de Hollandse malaise. Alle idealen kunnen alleen nog in negatieve termen worden uitgedrukt. Over gemeenschap wordt alleen gesproken als iets wat bedreigd wordt. Ook van onze vrijheid kunnen we niet genieten, die dreigt immers van alle kanten te worden ingeperkt, door een moralistische en bemoeizuchtige overheid of door moslims. De ironie is nu juist dat zowel de christelijke politieke partijen en orthodoxe moslims sociale cohesie hoog in het vaandel hebben staan – maar dat soort gemeenschap willen we niet. En wat de vrijheid van meningsuiting betreft, het probleem lijkt mij niet dat we niet langer kunnen zeggen wat we denken, het probleem lijkt me dat we elkaar niet meer verstaan.
Anderen hebben teveel vrijheid, ikzelf juist veel te weinig. Blijft over dat verbazingwekkend hoge percentage van gelukkige Nederlanders. Hoe valt dat te rijmen? Is die zorg, onvrede en woede (21 procent van de respondenten voelt zich gefrustreerd, 10 procent is bang, 9 procent is boos) misschien onderdeel van dat geluksgevoel? Wie zich zorgen maakt, is betrokken. Wie boos is, bestaat. Woede is een bindmiddel. Toen het Sociaal Plan Bureau een paar jaar geleden constateerde dat een huizenhoog percentage van de Nederlanders gelukkig was, werden ze overspoeld door haatmails.
Wat is dat Hollandse geluk? Ik denk er deze zomer over na.
Reageren kan op
nrc.nl/heijne
