*

De Europese borreltafel :: nrc.nl

De Europese borreltafel

Nietzsche geloofde dat alles in dit leven zich tot in de eeuwigheid zou herhalen – maar moet het echt om de vijf jaar? Wie de debatten en discussies rond de Europese verkiezingen van volgende week volgt, bekruipt het gevoel in een akelige time-warp terecht te zijn gekomen. Alles komt plotseling weer voorbij: de Nederlandse burger ziet Europa nog steeds niet zitten. Men gelooft wel in een Europa tegen de rest van de wereld, maar verzet zich tegen een Europa dat zich met Nederland bemoeit. De gedachte van een verenigd Europa is heel mooi, maar Europese politici zijn dat niet. Het moet beter uitgelegd worden, zegt de een. Het valt niet uit te leggen, zegt de ander.
De onderzoeken en betogen, de aanvallen en pleidooien, ze zijn zelf onderdeel van de malaise geworden. Europa – het woord zelf ligt als een steen op je maag. Alles is erover gezegd, en nog eens, en nog eens. De opkomst zal weer lager liggen dan vijf jaar geleden.
De grote verschuiving in het denken over Europa is ook al meer dan acht jaar oud. Het elan bevindt zich sindsdien in het anti-Europese kamp, in het opkomen voor bedreigde eigenheid, in de strijd voor het behoud van het herkenbare kleine tegen het anonieme grote. Tot in de jaren tachtig bestond het louter positieve beeld van de politicus als ‘goede’ Europeaan, je kon in de nationale politiek goede sier maken door jezelf als ‘overtuigd’ Europeaan te presenteren. Tegenwoordig is het precies omgekeerd; authentiek is de politicus die zich afzet tegen wazig internationalisme en bureaucratische stroperigheid. Dat levert een patstelling op: het Europese project moet overeind zien te blijven zonder het bijbehorende idealisme, dat zich juist tegen dat project heeft gekeerd. Jan Peter Balkenende: „Politici moeten eerlijk zijn over de voordelen, maar ook over de nadelen van één Europa.’’  Dat klinkt realistisch, maar het ontkent het werkelijke probleem: de burger ziet wel de noodzaak van Europa, maar is niet langer in staat erin te geloven.
Dat alles werd duidelijk na het referendum over het Europees grondwettelijk verdrag in 2005. Er zou een discussie komen over Europa. Die discussie is er niet geweest, waarschijnlijk omdat men geen idee had hoe die gevoerd moest worden. Er was een nieuw verhaal nodig, dat het naoorlogse discours van het ‘nooit weer’ achter zich zou laten en de populistische reacties op globalisering en immigratie het hoofd zou bieden – en dat verhaal is er nooit gekomen. Hoogstens kun je zeggen dat in het debat nu ook door pro-Europeanen lippendienst wordt bewezen aan de behoefte aan nationale eigenheid. Eenheid in verscheidenheid is tegenwoordig het motto, ieder Europees land heeft het recht om zichzelf te blijven, maar hoe die verscheidenheid zich tot die eenheid verhoudt blijft duister. Er is geen sprake van een nieuwe verhouding tussen het nationale en het Europese, het kleine en het grote. Wie pro-Europa is, lukt het niet langer om enthousiasme uit te stralen, maar lijkt veroordeeld tot een permanente staat van verongelijktheid – zoiets als het gezicht van D66-lijsttrekker Sophie in ’t Veld.
Misschien ligt hier de oorsprong van de crisis: de burger herkent zijn eigen onmacht in de politiek. Hijzelf weet niet hoe hij zijn kleine wereld, het nabije, het eigene, het nationale zich verhoudt tot de grote, geglobaliseerde wereld. Vandaar die gespletenheid in de enquêtes: samen in Europa tegen China en India, samen in Nederland tegen Europa. Het verklaart ook de afkeer van Europese politici: wie naar een foto van de verzamelde lijsttrekkers kijkt, ziet vooral mensen die het zelf ook niet weten. Aan de ene kant de onmacht van de simplisten, die pontificaal voor of tegen Europa zijn zonder zich rekenschap te geven van nuance en dilemma, maar ook de onmacht van de genuanceerden, die er op geen enkele manier in slagen welke betekenisvolle hervorming dan ook door te voeren. Te kleine mensen in een te grote wereld.
Wantrouwen jegens Europa is niets anders dan wantrouwen tegen de politiek – maar dan nog verder uitvergroot. Dat wantrouwen richt zich ogenschijnlijk tegen baantjesjagers, tegen bureaucratische muggenzifterij, tegen procedures om de procedures. Maar de ware oorzaak is het besef dat de meeste politici de boel net zo weinig overzien als wij. „Wij zijn veroordeeld tot de borreltafel”,’ zei de Duitse essayist Rüdiger Safranski een paar jaar geleden tegen mij in een gesprek voor deze krant. „We worden geconfronteerd met een probleem dat zich in de geschiedenis niet eerder heeft voorgedaan. Omdat wereldwijde processen steeds nauwer met elkaar verstrengeld raken, worden de dingen almaar complexer, zo complex dat je ze intellectueel niet meer doorgronden kan. Je hebt geen overzicht, en toch word je gedwongen een standpunt in te nemen.” En de grootste schok is dat de mensen van wie oplossingen worden verwacht, het ook niet weten. Safranski: „Want je gaat ervan uit dat alleen wij gewone mensen van meningen uit de derde hand leven, die we elkaar verkondigen aan de borreltafel, maar steeds weer blijkt dat ook de mensen die in het politieke centrum de beslissingen nemen, die wij voor werkelijk competent houden, nauwelijks over meer overzicht beschikken. Door de globalisering heeft zich van de politiek een blijvend dilettantisme eigen gemaakt.”
Dat is de ware crisis: niet dat de traditionele instituten te gezichtsloos en te bureaucratisch zijn, maar dat ze geen overtuigende antwoorden verschaffen – de Europese Unie is daar het symbool van geworden. Het verklaart meteen de aantrekkingskracht van het anti-politieke populisme: liever het heldere dilettantisme van Wilders, hoe onwerkbaar en stompzinnig ook, dan het zwalkende dilettantisme van de gevestigde politiek.
De gevestigde politiek beseft dat niet, haar geïmproviseerde antwoord op het populisme kun je gerust fataal noemen: ze wringt zich in bochten om populair te worden. In plaats van een krachtig betoog om Europa van nieuw elan te voorzien, komt onze minister-president met een openbare steunbetuiging aan het gefnuikte glamourkoppel Jan en Yolanthe. Als reactie op de pijnlijk provinciale zelfoverschatting van de Toppers in Moskou, kondigt de boze lijsttrekker voor Europa van zijn eigen partij aan zich in het Europarlement sterk te gaan maken voor een ‘ouderwets’ Songfestival. Met zulke vrienden heeft Europa geen vijanden nodig.

7 reacties op 'De Europese borreltafel'

F. Markestein

‘Te kleine mensen in een te grote wereld’, mooier kan het niet gezegd worden. Maar ja, als burgers moeten we het doen met die mensen, die niet groter blijken te zijn dan wijzelf. Wie zou nog geloven in een ‘krachtig betoog’ van Jan Peter Balkenende? In de betogen van een man als Obama geloofden we wel, maar dat was voordat hij president werd. Nu hij het is moeten we maar afwachten of hij zijn retoriek ook maar bij benadering in daden kan omzetten.
De wereld is te groot geworden voor welk individu dan ook. Heldhaftige figuren als Ghandi en Nelson Mandela richtten zich op één probleem in één land, de onafhankelijkheid van India, de apartheid in Zuid-Afrika. Dat hebben ze op kunnen lossen, en zonder bloedvergieten. Maar die strijd was al zwaar genoeg en de problemen die beide landen daarnaast nog hadden, hebben ze weinig aan kunnen doen.
Ook Europa is te groot geworden, te divers en daardoor te complex, om nog te kunnen overzien. Niemand kan zich daar nog mee identificeren. Gewone mensen wisten dat, want die weten ongeveer wat ze zelf aan zouden kunnen, en waren dus gekant tegen de vele en de te snelle uitbreidingen, politici hebben het niet willen zien. Die lijken wel onder een deken te liggen die ze het zicht beneemt op de rauwe buitenwereld.
Het gevaar is dat er een commissaris is voor uitbreiding van de EU, een klein mannetje in een grote wereld die zich ook waar wil maken. Dus hoewel er na het referendum is beloofd dat het met de uitbreidingen voorlopig gedaan was, wordt er door politici en in de media ongeveer over niets anders gepraat. De EU is inmiddels veel te groot en te complex, maar wat die kleine politici betreft mag hij nog veel groter worden. Tot voordeel van wie eigenlijk?

J.J. ten Bosch

Wat Heijne schrijft over de Europese borreltafel spreekt me zeer aan, maar de complexiteit van de wereld lijkt me niet het hele verhaal. De competentie en houding van onze regeerders spelen ook een rol:
- de leiders van ons kabinet zijn ook partijleider en zijn letten dus óók op het partijbelang. Dat vereist korte-termijn-denken. Regeren daarentegen vereist vooral langere-termijn-denken, een andere houding. Bovendien vereist het partijleiderschap tijd en aandacht die gaan ten koste van het regeren.
- de topambtenaren die de kabinetsleden moeten ondersteunen met visie en deskundigheid zijn niet meer deskundig omdat ze tegenwoordig over departementen moeten rouleren.
- de ambtenaren die onder de topambtenaren zitten hebben geen rechtstreekse toegang tot de minister en zijn waarschijnlijk ook niet opvallend deskundig want dan waren ze wel tot topambtenaar bevorderd.
Kortom, het is niet verbazingwekkend dat onze regeerders zich vooral met de eenvoudige onbelangrijkheden bezig houden.

Hugo Freutel

Helemaal mee eens.

De onmacht van de Nederlandse afvaardiging in het rondreizende Europese Parlement wordt 27/736 zetels, is gelijk aan 3,6 %!
Het Europese Parlement is al jaren niet in staat de herhalende en aloude kritiek te verwerken in een betere voorlichting en zichtbaarheid en meer controlerende macht.

Mijn logische pleidooi ( kansloos overigens ) zou zijn:

Ga uit van de nationale verschillen in plaats van ze te ontkennen of weg te willen poetsen. Europa is nog maar net vrijgevochten en veel wantrouwen zit nog onder het EU vernislaagje.

Hef het EP op en geef de controleremde taak terug aan de nationale parlementen met een extra ondersteunend ambtenaren apparaat.
Laat alle lidstaten verplicht een minister van EU zaken aanstellen. Pas dan laat je zien als ( nationale ) politiek dat je Europa belangrijk vindt.
De volksvertegenwoordiging hoort in de eigen taal voor het eigen volk te geschieden en niet in het buitenland in vreemde talen.
Bijkomend voordeel: eindelijk Europese onderwerpen op de agenda in de Tweedekamer en de media die zichtbaar gewogen kunnen worden met nationale belangen.

Alleen zo krijg je draagvlak van binnenuit voor de EU op een natuurlijke manier. ” Slow Politics bottom up”.Langzame politiek gedragen van onderaf gaat langer mee. Bovendien houdt je zo het fenomeen EU ( EUSSR ) Superstaat, EU arrogantie, EU bureaucratie beter in de hand.

De EC zou gewoon kunnen blijven bestaan als EU voorstellen ontwikkelaar.

Toon van Eijk

Bas Heijne (30-05-09) heeft een diepgravende, uitstekende analyse van het Europese probleem gemaakt. De paradox van ‘eenheid in verscheidenheid’ staat centraal in zijn analyse. Hoe verscheidenheid zich tot eenheid moet verhouden blijft inderdaad duister in het Europese debat. Deze paradox is het dilemma van ‘het lokale versus het globale’. De kleine wereld van de burger tegenover de grote, geglobaliseerde wereld. De behoefte aan nationale eigenheid versus de werkelijkheid van een geglobaliseerde wereld. Of zoals Heijne het zegt: ‘Te kleine mensen in een te grote wereld’. De oorsprong van de crisis is volgens hem dat ‘de burger zijn eigen onmacht herkent in de politiek’ oftewel ‘het besef dat de meeste politici de boel net zo weinig overzien als wij’. Zowel de onmacht van anti-politieke, populistische simplisten (Wilders en consorten) als de onmacht van genuanceerde politici is evident.

Heijne citeert Safranski, die zegt: “Omdat wereldwijde processen steeds nauwer met elkaar verstrengeld raken, worden de dingen almaar complexer, zo complex dat je ze intellectueel niet meer doorgronden kan. Je hebt geen overzicht, en toch word je gedwongen een standpunt in te nemen.” Ik heb dit elders ‘de illusie van het intellectele holisme’ genoemd (Van Eijk 1998:222; 2007:258). Het gebruik van alleen het discursieve intellect resulteert niet in een omvattende rationaliteit. Hoe hoger het politieke integratieniveau, hoe evidenter het onvermogen om ecologische, economische, politieke, culturele en ethische dimensies met elkaar te integreren. Ik denk dat de grote menselijke intellectuele vermogens (waarvan de moderne technologie getuigt) aangevuld dienen te worden met ervaringsspiritualiteit. Zo’n spiritualiteit is gebaseerd op eigen ervaring door middel van effectieve technieken voor bewustzijnsontwikkeling. Ervaringsspiritualiteit kan de technologie en politiek in een ecologisch en maatschappelijk verantwoorde richting bijsturen. Een omvattende rationaliteit, die zowel het lokale als globale omsluit, vereist intellect én spiritualiteit.

‘Te kleine mensen in een te grote wereld’. Dan moeten we de mensen ‘groter’ maken, lijkt mij. ‘Een krachtig betoog om Europa van nieuw elan te voorzien’, zoals Heijne wil, is belangrijk, maar dient gegrondvest te zijn in daadwerkelijk ‘grotere’ mensen. Anders zal ook dat betoog uiteindelijk in retoriek verzanden. Change, yes we can – maar dan dient zowel het heldere, maar stompzinnige, dilettantisme van Wilders als het zwalkende dilettantisme van de gevestigde politiek vervangen te worden door een politiek die gedragen wordt door sterke burgers. De kwaliteit van de politiek en de kwaliteit van politici zijn een directe afspiegeling van de kwaliteit van het collectieve bewustzijn van de bevolking. Naarmate de burgers ‘grotere’, sterkere persoonlijkheden zijn, neemt de kwaliteit van het collectieve bewustzijn toe.

Synergetische samenwerking tussen de verschillende Europese landen, die meerwaarde oplevert, vereist internationale integratie én nationale integriteit (Van Eijk 2007:376-7). Burgers zijn nodig die een behoefte aan nationale eigenheid (integriteit) kunnen verenigen met een geglobaliseerde wereld (integratie). De (culturele en ecologische) realiteit in de wereld is én eenheid én verscheidenheid. Het is belangrijk te beseffen dat eenheid niet afhankelijk is van gelijkheid maar van integrerend vermogen. Hoe groter de verschillen, hoe groter het integrerend vermogen moet zijn. Het overdreven beklemtonen van de nationale eigenheid is altijd het gevolg van een zwakke identiteit. Als burgers zich zwak of bedreigd voelen, schept dat de behoefte aan het benadrukken van eigenheid. Een sterke culturele identiteit en een krachtig integrerend vermogen zijn beide nodig. Zelfassertieve en zelftranscenderende tendensen moeten geïntegreerd worden op een hoger niveau van bewustzijn, zodat aan beide tegelijkertijd recht kan worden gedaan. Sterke persoonlijkheden met een hoog ontwikkeld niveau van bewustzijn kunnen omvattender denken, hebben een bredere visie en kunnen grotere verschillen integreren. De paradox van ‘eenheid in verscheidenheid’ kan niet intellectueel ‘opgelost’ worden maar dient simpelweg ‘geleefd’ te worden op hogere niveaus van bewustzijn (Van Eijk 2007:291).

Referenties:
Van Eijk T. (1998) Farming Systems Research and Spirituality. An analysis of the foundations of professionalism in developing sustainable farming systems. Ph D thesis, Wageningen Agricultural University, The Netherlands. http://library.wur.nl/wda/dissertations/dis2546.pdf

Van Eijk T. (2007) Ontwikkeling en arbeidsethos in Sub-Sahara Afrika. Het belang van gedragsverandering en bewustzijnsontwikkeling. KIT Publishers, Amsterdam.

Tobias Dander

Wederom een juweeltje, deze column. Mijn complimenten.

Mij lijkt dat de erkenning dat zo goed als niemand nog de gehele complexiteit kan overzien en dat (dus) ook de meeste besluitvormers van meningen uit derde hand leven, ruimte kan scheppen voor nieuwe benaderingen. Concreet denk ik aan werkvormen waarbij ook het grotere publiek kan meedenken, op een wikipedia-achtige manier. Dat kan langs partijpolitieke lijnen of via bijvoorbeeld de NRC-site. De eindverantwoordelijkheid van de gekozen bestuurders blijft daarbij in stand, maar de rolinvulling verandert. Niet langer hoeft (mag?) de politicus zelf à la minute van alles bedenken en te berde brengen, voortaan formuleert hij/zij vooral de vragen, treedt op als disucussiebegeleider, wikt en weegt argumenten en maakt op een gegeven moment de balans op. Daarna mag het politieke debat weer als vanouds losbarsten en vindt besluitvorming plaats. Deze manier van doen vraagt en leidt tot meer rust en minder hijgerigheid in het politieke proces, maar daar zijn we dacht ik onderhand wel aan toe.

Een andere gedachte die zich gegeven de complexiteit opdringt, is de volgende. Zouden we er niet goed aan doen te erkennen dat het soms (vaak?) beter kan zijn om nog even geen ingrijpende hervormingen door te voeren en in plaats daarvan nog eens een keer goed te kijken of de bestaande ordening / regeling (in welke sector dan ook) niet nog even gehandhaafd kan worden, of in geringe mate kan worden aangepast? Grote ingrepen leiden door onbegrip van de copmplexiteit al snel tot onvoorziene en onbedoelde effecten, dat vraagt om bescheidenheid. Maar dat is eigenlijk wat de Commissie Dijsselbloem ook al had vastgesteld.

p.c.van de noort

Er is wel enige verwarring mogelijk omdat Europa niet is gedefinieerd.De een heeft een kaart voor ogen,de ander historische ideeen.,enz.Ik denk bij Europa in discussies als deze aan de politiek van enkele landen ,gelegen in West-Eurpa na 1946.Die politek,of dat Europa ,was gericht op verzoenig tussen Frankrijk en Duitsland.Er waren ook toen al andere Europa’s.Sommigen wilden zoiets als de Verenigde Staten van Europa.Tussen beide lagen vele varianten,maar alleen de eerste is succesvol gebleken tot op deze dag
Het gaat m.i.dus om verzoenig van vroegere vijanden en het oplossen van politieke problemen voortaan zonder geweld.
Hiervan zijn de voorbeelden Frankrijk/Duitsland (Straatsburg als symbool)—Spanje en Portugal ( na de dictaturen)—Oost-Duitsland,Polen en Tjechie (Na de val van de Muur) en Balkan staaten (na de hevige oorlogen ,na Tito)
Men wil om een of andere reden Europa maar geografisch uitbreiden.Soms gaat dat goed,soms minder.Maar als men NU verder gaat gaat er iets totaal mis.
Als men de grenzen op de kaart verder naar het oosten legt provoceert men Rusland.Dat is geen geweldloze politiek meer,op zijn minst krijgt men gasoorlogen. Men neemt Turkije op,de Oostgrens komt dan bij Irak te liggen,een land in oorlog.Omringd door agressieve staten van het Midden -Oosten en van de Kaukasus.Problemen met water,olie,pijpleidigen, atoombommen, raketten voor de lange afstand,nationalisme,fundamentalisme.Een deel van de problemen worden direct al interne problemen voor de EU (bijv, de Koerden-kwestie) en vervolgens krijgt men externe prblemen over water uit Turkije bijv. en over fundamentelistisch groepen overal in het Midden-Oosten en de raketten van Iran. ..Dit betekent een eind aan de verzoenigspolitiek en geweldloze oplossing van problemen.Ze zullen zo frequent en inspannend zijn dat Europa eraan bezwijkt.
Dit is ongeveer wat velen vrezen,en daar wil men niets mee te maken hebben.Ik zou mijn Europa er ook niet voor in de waagschaal stellen.Ik protesteer als dit xenofoob wordt genoemd.

Miguel Antonius

Het probleem zit m.i. niet louter in de afkeer van een verenigd Europa, maar veel dieper. Maar hoe is dat gekomen? Met name begin jaren ’90 was men nog bijzonder enthousiast in Europa van “we gaan een worden!”. Maar tien jaar later was de stemming volledig omgeslagen, juist op het moment dat het plan verwezenlijkt zou worden.

Waarom? De veranderde tijdgeest. De keypiont is hierbij dat er tegenwoordig een afkeer is gekomen tegen globalisatie in zijn algemeenheid, wat niets anders is dan een duidelijke tegenreactie op de globalisatiegolf van de jaren ’90. Want die afkeer is er niet alleen in Europa, maar ook in Latijns-Amerika (getuige de heropkomst van links-nationalistische politici als Hugo Chavez en Evo Morales). Ook daar is er een wantrouwen richting de “zegeningen” van de globalisatie. Bovendien: kijk ook naar de vele protesten van de anti-globalisten begin dit decennium.

Vanwaar die plotselinge afkeer? Om even bij Europa te blijven: Als we de gedachte achter een verenigd Europa bekijken was dat niets anders dan dat een sterk Europa een soort “democratisch tegenwicht” moest vormen tegen “het rechtse, dictatoriale” VS. Dit was typisch de tijdgeest van eind jaren ’60, begin jaren ’70, toen je die Vietnamcrisis had en er sterk werd getwijfeld aan de integriteit van de Amerikanen als “leiders van de Vrije Wereld”. Later, na de val van de Berlijnse muur, kwam de gedachte in de wereld sterk op dat we een “Global Village” zijn; door de snelle vervoersmiddelen en de massamedia was de wereld een dorp geworden die, vooral na de val van het communisme, steeds meer naar elkaar toegroeide, zowel politek, economisch alsook cultureel (in de ruimste zin van het woord).

Begin dit decennium is in veel landen echter de stemming omgeslagen. Waarom? Ik denk dat de belangrijkste oorzaak is dat die globalisatie voor veel morele verwarring heeft gezorgd wereldwijd. Voorheen hadden lieden van oud-links al gewaarschuwd dat de mondiale integratie, vooral cultureel, wereldwijd zou zorgen voor afbrokkeling van traditionele waarden en instituties. Die zorg helaas uitgekomen, zo bleek eind jaren ’90 in zowel de V.S., Latijns-Amerika als Europa, getuige de jeugdcriminaliteit, jeugdprostitutie, etc.

Door dit alles is het wantrouwen naar elkaar alleen maar gegroeid. De hele afkeer tegen de Islam in Europa komt m.i. veel meer voort uit de overlast die moslimjongeren veroorzaken (wat wordt gezien als een negatief bijprodukt van de globalisatie) dan aversie tegen de leer van de Koran zelf. Parallel met Latijns-Amerika, waar jongerenproblematiek vaak ook wordt gezien als gevolg van de door de V.S. gedomineerde globalisatiecultuur, vandaar de opkomst van voorgenoemde linkse leiders aldaar. Het is dus eerder de veranderde tijdgeest die in Europa de afkeer jegens de EU veroorzaakt