Een gevoel van verlies
Er wordt altijd gesproken over de crisis van links, maar wat werkelijk aan duigen ligt is het progressieve wereldbeeld. Ga vijfentwintig jaar terug en houdt de grote verwachtingen van die tijd tegen het licht: alles waar toen hartstochtelijk in geloofd werd, wordt nu meedogenloos in twijfel getrokken. Geloof in een werkelijk verenigd Europa, geloof in een werkelijk multiculturele samenleving, geloof in een seculiere maatschappij vrij van dogma en gebod, geloof in persoonlijke vrijheid zonder groepsdwang, geloof in een werkelijke gelijkheid tussen man en vrouw – veel in wereld is sindsdien die kant opgeschoven, maar het einddoel is op geen enkel punt gehaald. En nu is opeens het geloof weg.
Wat is er gebeurd? Je kunt zeggen dat de grootste fout die gemaakt werd, daarin bestond dat het streven naar de verwezenlijking van die idealen zelf tot dogma werd. Die idealen, allemaal rechtstreeks afkomstig uit de Verlichting, werden zo mooi gevonden, dat alle wegen er rechtstreeks naartoe moesten leiden; alles wat de doorgang dreigde te versperren, werd gezien als lastig, kwaadaardig of niet ter zake doende. Men wist waar men naartoe wilde.
De omslag die heeft plaatsgevonden, kun je zien als een jammerlijke terugval – of als een noodzakelijke correctie. Ook met mooie idealen blijft de mens nog altijd de mens. En mensen zijn van nature geneigd te kiezen voor wat dichtbij is, voor wat ze als de eigen soort beschouwen. Ook de menselijke neiging tot geloof blijkt veel sterker dan de blijmoedige rationalisten hadden verwacht. Religie is terug – en het blijkt geen passieve onderwerping aan achterlijke geboden, maar een actieve prikkel om je eigen kleine wereld vorm te geven in een grote, complexe wereld. Je kunt veel zeggen van fundamentalisten, maar niet dat ze passief zijn.
En mannen en vrouwen? Op de opiniepagina’s werd het afgelopen jaar eindeloos gebitst en gezeverd over de vraag hoe het nu verder moest, nu vrouwen toch vrouwelijker blijken dan drie generaties feministes wilden erkennen, en mannen nog altijd mannelijker kunnen zijn dan het gelijkheidsideaal toestaat – en dat sommige vrouwen juist willen dat mannen weer mannen worden – Tarzan! – en vrouwen juist weer ouderwets vrouwen worden – Jane! Het is voorgoed afgelopen met de simpele rechtlijnigheid van Cisca Dresselhuys, maar wat nu?
Ook de moraal is terug. Lang werd gedacht dat wanneer de progressieve idealen van emancipatie en vrijheid verwezenlijkt waren, je helemaal geen moraal meer nodig had – vrijheid alleen was genoeg. Maar individuele vrijheid laat zich slecht rijmen met een idee van gemeenschap. Vandaar dat men tegenwoordig vooral korte metten wil maken met de individuele vrijheid van anderen, die onze eigen individuele vrijheid immers vreselijk in de weg zit.
Kortom, alles waar de idealen van de Verlichting ons aan wilde doen laten ontsnappen, is terug. De stemming is omgeslagen, niet zozeer van links naar rechts, als wel van progressief naar anti-progressief. Tegenover het geloof in de nieuwe mens staat de verbeten overtuiging dat de menselijke natuur niet te veranderen is. Het mooiste voorbeeld van die omslag zag je afgelopen zomer, toen ineens collectief het besef doordrong dat de krakersgeneratie van 80 helemaal niet zo gedreven en idealistisch was als ze ons wilde doen geloven – exemplaren van het krakersblaadje Bluf werden doorgespit op hetzes en publiceren van privégegevens. Achter de idealen bleek een al te menselijke agressie en nihilisme schuil te gaan.
Terwijl er schande werd geroepen, brak de hedendaagse equivalent van Bluf breed door op nationaal niveau: GeenStijl. Dezelfde agressie, dezelfde hetzes, dezelfde stalkermentaliteit – alleen de techniek is de afgelopen dertig jaar vooruitgegaan. Het enige echte verschil tussen de twee oppositieblaadjes is ook meteen veelzeggend: de aard van hun superioriteitsgevoel. Vonden linkse types rond 1980 zichzelf ronduit moreel superieur, zij waren immers idealisten in een materialistische wereld, de mannen van GeenStijl willen enkel dat je toegeeft dat je net zo slecht bent als zij. Nihilisme verdwijnt niet, het verplaatst zich.
Wanneer je de links-rechts tegenstelling vervangt door de tegenstelling progressief en anti-progressief, wordt veel duidelijk – de eindeloze verwarring binnen de PvdA bijvoorbeeld. Binnen die partij is men er nog altijd niet overheen dat men vanuit een progressieve geestesgesteldheid nieuwkomers heeft verwelkomd die er anti-progressieve ideeën opnahouden. Van die nieuwkomers werd blindelings verwacht dat die zich zouden voegen naar het progressieve wereldbeeld dat hun komst mogelijk had gemaakt. Maar veel Nederlandse moslims voegden zich niet naar de progressieve idealen van weleer, maar naar de anti-progressieve tijdgeest van nu. Vandaar dat ze bij het CDA nauwelijks problemen met de islam hebben.
Dat de verwarring binnen die PvdA ook nu nog niet is opgeklaard, blijkt wel uit de notitie over het integratiedebat die partijvoorzitter Ploumen afgelopen week het licht deed zien. In een interview in de Volkskrant trok ze manmoedig van leer tegen de slachtoffercultuur onder allochtonen; tegelijk herhaalde ze de Schefferiaanse mantra maar weer eens dat autochtonen leden onder een gevoel van verlies dat zij de afgelopen decennia jammerlijk waren miskend. Dat dat gevoel van verlies inmiddels bepaald niet meer onderdrukt wordt en zelf tot een onverkwikkelijke slachtoffercultuur heeft geleid, met de autochtone Nederlander als de permanent gebeten hond, zei ze er maar niet bij. Het grootste probleem in Nederland lijkt me dat iedereen zich inmiddels een slachtoffer waant. Een gevoel van verlies is geen wereldbeeld.
Zoals je kunt zeggen dat de rigide progressieven van weleer vergaten dat hun idealen een streven uitdrukte in plaats van een onomkeerbaar, wetmatig proces, zo zien de anti-progressieven van nu hun realistische kijk op de menselijke soort steeds meer als een excuus voor onverdraagzaamheid en cynisme – of voor nostalgie naar wat eens was. De uitspraak van PvdA-Kamerlid Spekman over de noodzaak van het vernederen van criminele Marokkaanse jongeren was geen onbezonnen voorstel, het was een pijnlijke capitulatie van een man die niet meer weet waar hij in gelooft. Die geest spreekt ook uit de notitie van Ploumen. In plaats van zich sterk te maken voor het recht om het geloof van anderen te bekritiseren, zou men zich zorgen moeten maken over de vraag hoe je nog geloofwaardig progressief kunt zijn in een anti-progressieve tijd. Pas als die vraag is beantwoord, kan links weer geloofwaardig zijn.
