Maar het ís toch ook erg?
In zijn Kees Lunshoflezing raakte Arthur Docters van Leeuwen afgelopen woensdag aan een akelige kwestie. In het Haagse Nieuwspoort sprak hij over de kloof tussen de elite en het volk. Een niet zo oplettende luisteraar had de indruk kunnen krijgen dat we hier met een cynicus te maken hadden: het volk deugde niet, en de elite evenmin.
Het Nederlandse volk had zich massaal overgegeven aan de emotionele beleving van alles, het zag overal puinhopen, terwijl het echt heel goed ging. En te midden van dat volk bevonden zich ook nog eens apen, die het maatschappelijk verkeer enkel nog primair wensten te beleven. Maar wat deed de elite? De elite keek neerbuigend op al die gevoeligheden neer.
Maar die schampere analyse bleek niet honend bedoeld, de spreker zag zijn betoog duidelijk als een oproep aan de politiek tot betrokkenheid bij de gevoelens van het volk. „Bij elk incident zeggen we: ‘Er gaat ook heel veel goed’ of ‘We moeten geen incidentenpolitiek bedrijven’. Terwijl ik dit zeg hoor ik een typerende uitspraak van de korpschef van Midden Holland naar aanleiding van de Goudse incidenten: ‘Ik heb het gehad met politici die van iets kleins iets groots maken’. Is bespuwd worden klein? Is aangerand worden klein? Is bedreigd worden klein?”
Daar had je de akelige kwestie. Want als je aan de ene kant het volk vol dedain afschildert als irrationeel en hysterisch en aan de aan de andere kant de bestuurlijk elite als koud en onverschillig, dan hebben beide partijen net zoveel gelijk als ongelijk. Het volk voelt zich niet gehoord en gezien, de elite toont steeds opnieuw aan dat het volk zich jammerlijk aanstelt.
Die dynamiek zie je overal. In het programma Buitenhof van afgelopen zondag zag je hem in het twistgesprek tussen Kamerlid Fred Teeven (VVD) en Ido Weijers, hoogleraar jeugdrechtspleging. De laatste had in een scherp artikel in de Volkskrant gesteld dat de zorg over toenemende jeugdcriminaliteit onzinnig is, die neemt namelijk feitelijk helemaal niet toe – we zijn er alleen door geobsedeerd. Criminaliteit onder de jeugd stijgt vooral omdat we jong zijn zelf steeds meer als crimineel gaan zien; alles wat op het schoolplein vroeger door de strenge bovenmeester kordaat werd afgedaan, komt nu voor de politierechter. Als antwoord volgde Teeven de argumentatie van Docters van Leeuwen: was een brutale overval op een Amsterdamse supermarkt dan niet erg? Volgens hem zag Weijers in de daders alleen maar zielige jongetjes, hij had geen oog voor de slachtoffers, die zwaar getraumatiseerd verder moesten. Heel erg overtuigd van zichzelf klonk Teeven niet, want hij wist ook wel dat Weijers rationeel volkomen gelijk heeft. Wie naar de cijfers kijkt – maar daar zit hem de kneep.
Wie naar de cijfers kijkt, wordt onmiddellijk ongevoeligheid verweten. Is het dan niet erg om overvallen te worden? Rationeel gezien won Weijers het debat op vrijwel alle punten – maar emotioneel gezien verloor hij het, want juist door zijn beschouwelijke houding en zijn verwijzing naar zoiets ongevoeligs als de feiten, leek hij crimineel gedrag van jongeren als zodanig te bagatelliseren. Hij werd als vanzelf een vertegenwoordiger van de ongevoelige elite, die geen idee heeft van wat zich op straat afspeelt, die zich vastklampt aan kille statistieken en abstracte formuleringen.
In zijn Haagse lezing, waarvan deze krant afgelopen donderdag een bekorte versie afdrukte, stelde Docters van Leeuwen dat de bestuurlijke elite de incidenten die het volk beroeren stelselmatig negeert – maar dat is eenvoudig niet waar. In werkelijkheid gaat het zo: een incident dat maatschappelijk een gevoelige snaar raakt, wordt met behulp van de media en de politiek opgeblazen tot onwerkelijke proporties. Wanneer de verontwaardiging op het hoogtepunt is, komt er een nuchtere academicus of beschouwer naar voren die voorzichtig op de feiten wijst – wat tot nog meer woede en verontwaardiging leidt, omdat die feitelijkheid als neerbuigend en kleinerend wordt ervaren. Het voelt nu eenmaal alsof je zelf bespuwd, aangerand, overvallen, tot prostitutie gedwongen en als homo in elkaar geslagen wordt – ook al is in werkelijkheid niets van dat alles je overkomen. Wanneer iemand zegt dat het verschijnsel minder bedreigend en alomtegenwoordig is dan je uit alle commotie zou kunnen opmaken, luidt het tegenargument onmiddellijk: o, dus het is niet erg om bespuwd, aangerand, in elkaar geramd et cetera te worden?
Hetzelfde zag je de afgelopen jaren in alle andere debatten: wie de gedachte bestreed dat alle moslims per definitie bloeddorstige wezens waren die op het punt stonden de boel over te nemen en stante pede de shari’a in te voeren, die bagatelliseerde de moord op Theo van Gogh en de bedreigingen jegens Ayaan Hirsi Ali. Wie in de invasie van Irak een recept voor wreedheid en anarchie zag, die vond het zeker niet erg wat Saddam allemaal op zijn geweten had. Wie in Eshan Jami een narcistische aandachtstrekker zag, vond zeker dat afvalligheid onder moslims geen probleem was.
Wat beschouwelijk is, wordt steeds meer als arrogant en ongevoelig beleefd – daar zit de kwestie. Waar wetenschappers als Weijers zich terecht tegen verzetten, is het uitvergroten van het gevoel, het exploiteren van maatschappelijke kwesties. Dat is geen kwestie van een onverschillige elite tegenover een emotioneel volk, dat is een zaak van het terugbrengen tot de juiste proporties. Die hele tegenstelling tussen elite en volk van Docters van Leeuwen klopt ook niet – vaak genoeg komt de hysterie van bovenaf en de nuchterheid van onderop.
Misschien moet je het anders zien: in een samenleving waarin de beleving maatgevend is geworden, komt eerst de overdrijving, en dan onvermijdelijk de nuancering. Je ziet dat bij vrijwel iedere maatschappelijke kwestie, of het nu gaat om radicalisering van moslims of de pornoficatie van de samenleving. Eerst wordt er aan de hand van even tastbare als onthutsende incidenten Armageddon afgekondigd, vervolgens klinken de tegenstemmen die aan de hand van statistieken en rapporten laten zien dat het welbeschouwd nogal meevalt – zeker als je naar de situatie in andere landen kijkt. Dat is de echte kloof, die door alle lagen van de maatschappij heenloopt: de kloof tussen zij die roepen dat ze geen leven meer hebben en zij die vinden dat er mee te leven valt.
