Het L-woord
Bezoek een debat, woon een jaarvergadering bij, schrijf je in voor een congres, volg een managementcursus, lees de memoires van een CEO of politicus, sla de eerste de beste krant open – en onherroepelijk stuit je op dat altijd met hoofdletters gespelde en met nadruk uitgesproken woord: leiderschap. Het kan gedragen klinken, alsof de geest van Churchill wordt aangeroepen. Of het wordt nonchalant uitgesproken, alsof het gaat om iets wat bij uitstek cool is. Vaak klinkt het bestraffend, het paardenmiddel dat Nederland, of de westerse wereld, of de hele planeet moet worden toegediend, en een beetje snel ook, omdat ze de boel nu eenmaal zo gruwelijk uit de hand hebben laten lopen. Nog vaker klinkt het verongelijkt. Wanneer je bij een van die talloze bijeenkomsten iemand hoort zeggen – „wat we weer nodig hebben, is leiderschap” – dan klinkt daar toch meestal de schrille toon van de roepende in de woestijn in door, de toon van de man die vreest niet gehoord te worden. We hebben leiderschap nodig, maar het is ver te zoeken, tot aan de verste horizon valt er niets te bespeuren dat erop lijkt, men rommelt gewoon maar door.
De laatste keer dat ik het L-woord hoorde uitspreken, was onlangs tijdens een bijeenkomst over de grote kwesties van deze tijd – de afnemende macht van de VS, de kredietcrisis, het milieu, mensenrechten in China, enzovoort. Een van de gastsprekers was een geslaagd zakenman die zei hart voor de publieke zaak te hebben. Hij schetste een overbekend beeld van de huidige Nederlandse samenleving: aan de ene kant de door en door geïndividualiseerde burger, die de afgelopen decennia geleerd heeft voor zichzelf op te komen en zich geen knollen voor citroenen meer laat verkopen, aan de andere kant een steeds machtelozer wordende overheid, die voortdurend even mooie als onwerkelijke plannen voor de samenleving bedenkt.
Als oplossing had deze denker onder de ondernemers bedacht dat er nieuwe collectieven moesten komen, aangezien ‘het systeem’ zoals hij het uitdrukte, op instorten stond. Mensen moesten van onderop nieuwe samenwerkingsverbanden aangaan, daar kwam het op neer, maar tegelijkertijd was er behoefte aan mensen die weer initiatieven durfden te nemen, die niet schroomden het heft in handen te nemen. Het L-woord viel. Er moesten weer leiders komen.
Ik stelde een vraag: wanneer hij zei dat er weer leiderschap moest komen, dan bedoelde hij dus dat hij in de toekomst graag geleid wilde worden? Zijn oproep kon toch niet betekenen dat wij allemaal leiders moest worden?
Zijn verhaal is eerder een symptoom van een probleem dan de oplossing ervan. Want wie de opkomst van het L-woord analyseert, stuit steeds op dezelfde tegenspraak; aan de ene kant is er de toenemende onvrede met bestaande instituten en organisatievormen, die zich slecht verhouden met de verlangens van de burger. Die burger is tegenwoordig vooral consument geworden en verlangt van de overheid dat die zich in de eerste plaats faciliterend opstelt.
Wij kennen die klant/burger wel, zijn twee zielen bevinden zich in onze eigen borst. We willen bediend worden, maar we willen ook verantwoordelijk zijn. In het aanhoudende pleidooi voor nieuw leiderschap vind je die tegenstrijdigheid mooi terug: de behoefte aan leiderschap is aan de ene kant een oproep tot het nemen van verantwoordelijkheid voor de publieke zaak, aan de andere kant de verwende klacht van een man die te vaak zijn zin niet krijgt, die geen bemoeienis duldt met zijn recht op zelfbeschikking.
We willen leiders, maar we willen niet geleid worden. Vandaar mijn argwaan wanneer het L-woord in een discussie of artikel opduikt; er wordt meestal iets heel anders meegezegd, dan ermee wordt bedoeld. Net zo moe word ik wanneer er voor de zoveelste keer wordt gesproken over de kloof tussen burger en overheid. Alsof de overheid bestaat uit een ander menssoort, alsof de overheid ook niet bestaat uit Hollandse burgers. Veel onvrede met bureaucratie en trage besluitvorming komt voort uit de Nederlandse inspraakcultuur, de notie dat iedereen zijn bezwaren mag inbrengen tegen de plannen van de overheid.
Is er dan geen kloof? Zeker, er is een kloof – in ons eigen hoofd. Het is de kloof tussen individu en gemeenschap, en de gewaarwording dat wanneer de eerste sterker wordt, de tweede onherroepelijk zwakker wordt. Des te meer we individu worden, des te groter het verlangen om weer burger te zijn, verantwoordelijk lid van een gemeenschap.
De alomtegenwoordige klacht over het gebrek over leiderschap gaat daar rechtstreeks op terug: de plotselinge gewaarwording dat er geen gemeenschap meer is, dat met de nadruk op de individuele zelfontplooiing gedurende de afgelopen decennia, een nadruk die hier in Nederland nadrukkelijker was dan in de meeste van de ons omringende landen, het idee van wat een gemeenschap is is verwaarloosd. In een tijd waarin onder invloed van globalisering en immigratie, de vraag naar wat je met een ander bindt, of die ander met jou, plotseling urgent is geworden, staan we plots met lege handen. Vandaar de aanhoudende, steeds luider klinkende roep om leiders, sterke leiders, mensen die de banden tussen al die losse individuen weer kunnen aanhalen, die van het ontketende individu weer een betrokken burger kunnen maken.
Alles wat zich in Nederland onder de noemer van leiderschap aandient, verdient het grootst mogelijke wantrouwen. Het is het gebulder van loose cannons, de grootspraak van mannen die van buitenaf wel even orde op zaken willen stellen, of het nu om Ajax gaat of het politieke bestel, om de toekomst van de journalistiek (dag Dag!) of de straatterreur van Marokkaanse hangjongeren. Het is het onverantwoord exploiteren van reële problemen.
Over dat laatste: in de Volkskrant van gisteren veegt de korpschef van de regiopolitie Hollands-Midden de vloer aan met Nederlandse politici, die zich volledig op sleeptouw hebben laten nemen door de berekenende haatpraat van Geert Wilders over het straatterrorisme in Gouda. „De bewoners herkennen zich niet in het beeld dat de politici en de media schetsen. De mensen zijn niet angstig en voelen zich niet bedreigd.”
Het zal niet helpen. Leiderschap is opwindend. Verantwoordelijkheid is godsgruwelijk saai.
