*

’t Museum dat alles goed moet maken :: nrc.nl

’t Museum dat alles goed moet maken

Het zou tragisch zijn, als het niet ook een beetje lachwekkend was: de gretigheid waarmee tal van Nederlandse gemeenten zichzelf in Den Haag kwamen aanprijzen als ideale plek voor een Nationaal Historisch Museum. Behalve de drie belangrijkste kandidaten – Arnhem, Amsterdam en Den Haag – vochten ook Deventer, Twentestad, Utrecht, Nijmegen en last but not least Almere zich naar voren om de vaderlandse geschiedenis op sublieme wijze onderdak te verlenen. Iedereen houdt ineens van nationale geschiedenis!
Of misschien ligt het subtieler: iedereen vindt ineens dat wij van geschiedenis zouden moeten houden. Want hoewel de zelfbenoemde kandidaten vanzelfsprekend vooral hun eigen gemeente op de kaart willen zetten en dromen van drommen die nu eindelijk wel eens het stokske van Oldenbarnevelt willen zien of een videoclip van Lange Frans die zijn bewerking van Hoofts Historiën rapt, is het achterliggende idee van het museum vooral uit wanhoop geboren.

Nederland verwatert, globalisering, immigratie, per dag glipt er meer nationale identiteit tussen onze vingers door. We kunnen niet meer trots zijn op ons mooie, kleine landje, omdat we er eigenlijk niks meer van weten. Het onderwijs is ook al opgegeven: van de Pabo-studenten weet een groot deel van voren niet dat het van achteren leeft, laat staan dat deze opvoeders in de dop de aan hun toevertrouwde peuters een gezond historisch besef kunnen meegeven. Kortom, het Nationaal Historisch Museum is het museum dat alles goed moet maken – het falen van de politiek op het gebied van het onderwijs, de luie desinteresse van de Nederlander, de stugge onwetendheid van de nieuwkomer. Werd de vaderlandse geschiedenis in de 19de eeuw gebruikt om het nationalisme te versterken, het idee van Nederland als fiere natiestaat, tegenwoordig is het vooral een wanhoopsoffensief tegen de wezenloosheid.

Als nationalisme al een rol speelt, dan is het een weifelend, gepikeerd nationalisme. Nederlanders zouden best wel eens wat meer van hun eigen wortels mogen leren kennen, ze zouden er ook best wat trotser op mogen zijn, als het om voetbal gaat zijn we ineens wel heel nationalistisch, enzovoort. Ik zou zeggen: zolang we over Nederlanders blijven praten alsof het over een ander volk gaat dan waar we zelf toe behoren, zal het niet opschieten met ons nationale zelfbewustzijn.

Dat is het probleem met die zogenaamde heropleving van het historisch besef – het is er niet, we vinden alleen dat het er zou moeten zijn. Heel veel mensen, vooral in die gretige gemeentes, vinden dat er een Nationaal Historisch Museum moet komen, maar het is de vraag of ze er na de feestelijke opening in aanwezigheid van de koningin en Ali B ook nog trek in hebben, of ze ook echt willen gaan kijken naar de vaderlandse geschiedenis, zich werkelijk willen verdiepen in wat Nederland zo fabuleus tot Nederland heeft gemaakt. De meeste Hollandse discussies gaan nu eenmaal over wat er niet is, maar er absoluut zou moeten zijn: kunstenaars die engagement tonen, schrijvers die over de problemen in de wereld schrijven, politici die zich als echte leiders ontpoppen, of juist politici die naar de burger luisteren, of de bange burger die eindelijk eens de luiken opengooit. Die discussies zijn verhit zolang het gaat over wat zou moeten zijn; zodra het ook werkelijk gebeurt, zodra een schrijver zijn boeken pimpt met wat actualiteiten, zodra een kunstenaar zich over het wereldleed ontfermt, zodra een politicus eens een echte kwestie probeert aan te roeren – heeft niemand er meer trek in.

Ik ben bang dat het met Nationaal Historisch Museum niet anders zal gaan. Het is vooral schitterend zolang het er zou moeten zijn.

Want intussen heeft geen gemeente belangstelling voor wat er al wel is. In Den Haag staat het huis te koop waar Louis Couperus opgroeide, voor zes miljoen euro – en niemand die een vinger uitsteekt. Couperus, ik zeg het nog maar eens, is de beste romancier die Nederland gekend heeft. Onder zijn romans bevinden zich zeker vier meesterwerken (nee, niet Eline Vere, zijn romandebuut, dat hij in het huis in de Surinamestraat schreef) die ons net zoveel te zeggen hebben over onszelf en de wereld als de lezers in de tijd dat ze geschreven werden. Twee van die meesterwerken gaan over Den Haag, de stad die voor Couperus was wat Parijs was voor Balzac, een sociale microkosmos waarin hij zijn personages laat streven en struikelen en sneuvelen, een plaats van ambitie en angst, van benauwend conformisme en onmogelijk verlangen. Heel de mens komt in het Den Haag van Couperus voorbij – en de gemeente Den Haag, laat staan de Nederlandse regering, heeft er geen cent voor over. Dat komt ongetwijfeld omdat onder de gemeenteraadsleden vrijwel niemand die meesterwerken van Couperus gelezen heeft. En hij is ook al uit de nationale canon geflikkerd, om plaats te maken voor – godbetert – Annie M.G. Schmidt.

Onlangs vertelde de bekende Indiase schrijver Amitav Ghosh me dat hij De stille kracht gelezen had. Hij was er ondersteboven van. Hij vond dat Couperus de botsing der culturen beter beschreven had dan E.M. Forster en Joseph Conrad; geen westerse schrijver, aldus Ghosh was er zo goed in geslaagd oosterse personages van binnenuit te beschrijven. Ik denk niet dat Ghosh van ‘Dikkertje Dap’ gehoord heeft.

Vorige maand deed Marjolijn Februari in haar column in de Volkskrant een oproep aan de gemeente om dat huis te kopen en er iets mooi mee te doen, in naam van de grootste van alle Nederlandse romanschrijvers. Het bleef oorverdovend stil.

Op de achterpagina van deze krant schreef Paul Steenhuis onlangs over de zorgelijke toestand waarin het Spinoza-huisje in Rijnsburg zich bevindt. Dat huisje is levende Hollandse geschiedenis, de grootste van alle Nederlandse filosofen woonde daar jaren in ballingschap, sleep er zijn lenzen en schaafde aan zijn hoofdwerk, de Ethica. Ook daar een totale onwil van de gemeente om er geld in te steken. De Engelse historicus Jonathan Israel schrijft vuistdikke boeken waarin hij Nederland tot de bakermat van de radicale Verlichting verklaart, met Spinoza als stralend verlicht middelpunt, maar Den Haag – gemeente en regering – hebben geen cent over het Spinoza-huisje, dat een zieltogend bestaan leidt, slecht onderhouden is en vanwege geldgebrek niet geopend is voor publiek.

Couperus en Spinoza, groter hebben we ze echt niet – Hollandser ook niet. Het pijnlijke gebrek aan aandacht van de overheid voor twee monumenten die echt iets te maken hebben met ons cultureel bewustzijn is veelzeggend, zeker wanneer je het afzet tegen het opgeblazen, lege vertoon rondom het Nationaal Historisch Museum. Het geeft aan dat ons herboren historisch bewustzijn gewoon een hebbedingetje is, een echt Hollands hebbedingetje – buitenkant, modieus, en schrikbarend provinciaal