Eindeloos ouwehoeren over duivels en geesten

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: Het spook en de schaduw (1966)

In Het spook en de schaduw keerde Vestdijk, wellicht andermaal omwille van fiscale redenen, terug naar het gebergte. Ditmaal is Tirol de plaats van handeling. Hans Noordermeer heeft in de Vestdijkkroniek van juni 1982 precies verteld waar de roman speelt. De roman begint in Innsbruck. Zelfs de landtong tussen de Inn en de Sill, de locatie van het eerste hoofdstuk van de roman, werd door Noordermeer op het terrein van een gasfabriek teruggevonden. Voorts is het Mieminger gebergte in de roman getransformeerd tot Diedinger gebergte, werd de berg Serles in de roman de Erles, en werd waarschijnlijk het dorpje Telfs in de roman het dorpje Welfs. Wie dezer dagen in dat gebied op vakantie gaat, kan, met Noordermeer als betrouwbare gids, alle locaties van Het spook en de schaduw gemakkelijk terugvinden.

In essentie is deze roman het verhaal over een jongeman die weerkeert uit Russische krijgsgevangenschap. Vervolgens kan hij niet meer aarden in het dorp waar hij vandaan kwam. Nou ja, niet meer aarden: zijn hernieuwd verblijf in het dorp van zijn jeugd heeft het karakter van een hellevaart. De jongeman heet dan ook heel toepasselijk Peter Höllriegl, Peter Helledrempel. Gekweld, gepest, getreiterd door de onachtzaamheid en onverschilligheid van zijn leuterende dorpsgenoten springt hij tenslotte 'op een zwaarbesneeuwde wegrand. De sneeuw hield het niet. Na een paar schijnbewegingen tuimelde in een wolk van stuivende sneeuw ook hij in de afgrond.'

Van het gebeuren zijn een Duitse professor en een Nederlandse jurist getuige. Zij beiden beheersen het eerste en het derde deel van de roman. In het lange tweede deel van Het spook en de schaduw ontbreken zij. Daardoor lijkt het alsof Vestdijk voor langere tijd zijn hoofdpersonen buitenspel zet. Romantechnisch een gewaagde onderneming, en hier, naar mijn smaak, ook niet in alle opzichten gelukt. Maar ja, deze hele, nogal lijvige roman, weliswaar ambitieus van opzet, en bij tijden spitsvondig en doordacht van uitwerking, heeft mij, noch bij verschijning noch bij herlezing voluit kunnen overtuigen.

Het grootste bezwaar tegen dit boek is dat er échte spoken, echte geestverschijningen in voorkomen. Het moge dan opmerkelijk zijn dat Vestdijk zijn Verschijningen beschrijft op een wijze alsof hij dat had afgekeken van Walter Scott die zoiets ook - en al even weinig overtuigend - deed in zijn roman The Monastery, maar van een lezer die niet in spoken vermag te geloven, is het wel heel veel gevraagd om de alhier beschreven manifestaties van het bovennatuurlijke ook maar één ogenblik serieus te nemen. Daarbij komt dat de Duitse professor en de Nederlandse jurist eindeloos ouwehoeren over de mogelijkheid van spookverschijningen, parapsychologie, ectoplasma en meer van dit soort zaken die thuishoren in de lachwekkende domeinen van occultisme, sterrenwichelarij en chiromantie. Het is jammer dat Vestdijk, zelf blijkbaar niet vrij van een zekere hang naar magie, een aantal van zijn romans heeft bedorven met manifestaties van duivel(tje)s, spoken, en geestverschijningen.

Mij ontstemden in deze roman echter niet alleen die ridicule, overbodige spoken. Mij ontstemden ook de nodeloos lange, nodeloos ingewikkelde zinnen. Deze bijvoorbeeld: 'De oude man, die daar, gadegeslagen door twee zwijgende jongetjes, met een lange staak appelen naar beneden haalde, gaf in zijn bewegingen, en de resultaten daarvan, van zulk een verbluffende onhandigheid blijk, dat Holk aan opzet moest denken, clowneske bedoelingen, al strookte dat niet met het bedrukte gezicht van de man, dat vooral door de stand van de grauwgele snor iets hangends had, alsof het droop, of uitdroop als wei uit een linnen zak.' Man, man, wat een zin! In ieder geval had hier 'en de resultaten daarvan' geschrapt kunnen worden (was je het lelijke daarvan, van kwijt geweest) en had 'alsof het droop, of uitdroop' samengetrokken kunnen worden tot 'alsof het uitdroop' (ook niet mooi, maar minder houterig). En mij ontstemde bovenal het daverende geleuter van de vele bijfiguren in dit boek. Er wordt in de romans van Vestdijk heel wat afgeouwehoerd. Een strakke, flitsende dialoog, met Mensje van Keulen-kwaliteit, hoe zeldzaam bij Vestdijk! En hoe vaak niet juist het tegenovergestelde: ellenlange monologen van bijfiguren die de gang van het verhaal onnodig ophouden. In andere romans stoorden al die monologen mij doorgaans nauwelijks, maar hier bleken ze een moeilijk te nemen barrière. Mij ontstemde in deze roman ook het gebruik van rare woorden. Zo spreekt Vestdijk over 'erg grote en uitvoerige handen, bijna acromegaal'. Waarom hier het woord acromegaal gebruikt? En wat moet ik mij trouwens voorstellen bij 'uitvoerige' handen? Elders spreekt Vestdijk over een hoofdstraat 'die zich de hele dag voor de noordelijke bergketen prosterneerde'. Ik vind het tamelijk overdreven om in dit geval het woord 'prosterneren' te gebruiken. Weer ergens anders blijkt iemand 'gefroisseerd' te zijn. Nu, ik voel mij als Vestdijk-bewonderaar 'gefroisseerd' door deze dikke, moeilijk verteerbare roman. Lees je de lange, degelijke, knappe analyse die P. Kralt in de Vestdijkkroniek van december 1986 publiceerde van Het spook en de schaduw, dan denk je: dit moet een meesterwerk zijn. Helaas, mij is het niet gelukt om deze roman als een meesterwerk te kunnen savoureren. Ik vind het een roman waarin Vestdijk opvallend nadrukkelijk 'les défaults de ses qualités' demonstreert. Eén kwaliteit heeft de roman duidelijk wel: de knappe evocatie van de, temidden van zijn snaterende dorpsgenoten, zo opvallend zwijgzame Peter Höllriegl. Zou Vestdijk overigens op het idee voor deze roman gekomen zijn door Soldier's Pay van William Faulkner, waarin ook zo'n zwijgzame oorlogsheld terugkeert naar zijn dorp van herkomst?