Jan Pronk: Tegendraads

Gepubliceerd: 16 april 2002 00:00 | Gewijzigd: 14 december 2005 20:36

Door onze redacteur Floris van Straaten

DEN HAAG, 16 APRIL. Het patroon was door de jaren heen vertrouwd geraakt: Jan Pronk die zich haastte om, nog voor het kabinet zich gezamenlijk over een zaak had kunnen buigen, alvast publiekelijk zijn kritische oordeel te vellen. Een variant hierop had Pronk altijd achter de hand: een dissident geluid ná een gezamenlijk kabinetsbesluit.

Ook inzake het NIOD-rapport over het drama in Srebrenica bediende Pronk zich weer van zijn beproefde recept. Twee weken geleden al liet hij via de televisie plechtig weten dat hijzelf en het kabinet destijds wat hem betreft hadden ,,gefaald''.

Gisteren deed hij er nog een schepje bovenop door te verklaren dat hij, Jan Pronk, zijn ,,afweging'' al had gemaakt, daarmee suggererend dat hij aan zijn laatste week als minister was begonnen. Dit terwijl de besluitvorming in het kabinet afgelopen vrijdag nog niet eens was afgerond en premier Kok met zijn ministers had afgesproken er tot komende vrijdag het zwijgen toe te doen.

Met zijn tegendraadse, solistische gedrag haalt de inmiddels 62-jarige Pronk zijn collega-ministers al jaren het bloed onder de nagels vandaan, te meer omdat hij de gewoonte heeft zich bij voorkeur te manifesteren als het geweten van de natie, zo niet van de gehele wereldgemeenschap. Het kwam Pronk eens op een felle uitbrander te staan van Kok, die hem toebeet naar aanleiding van een meningsverschil over Indonesië: ,,Jan, je hebt noch het verleden, noch het geweten in portefeuille.''

Het is overigens passend dat de lange, turbulente ministersloopbaan van Pronk strandt op het drama van Srebrenica, een internationale zaak met een onmiskenbare morele dimensie, en niet op volkstuintjes, mestoverschot of de kwaliteit van het zwemwater, waarmee hij zich als minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu bezighoudt. In de ogen van Pronk zijn dat maar 'luxeproblemen' van een rijk land. Liever steekt hij zijn tomeloze energie in de substantiële om niet te zeggen existentiële problemen van arme landen als Bosnië of Afghanistan. Waar geleden wordt, meende Pronk altijd aanwezig te moeten zijn, al dan niet met een pasklare oplossing voor de lokale noden.

Het is al evenzeer passend dat Pronk aftreedt om een zaak die eigenlijk zijn eigen portefeuille niet direct raakt. Gedurende zijn hele dertig jaar omspannende politieke loopbaan had hij er immers een handje van zich nadrukkelijk te bemoeien met de bezigheden van zijn collega's. Dit vaak tot grote woede van de andere bewindslieden. Vorige maand nog vond Pronk het als enige PvdA-minister nodig een aantekening te laten maken bij het besluit van het kabinet om mee te doen met de kostbare bouw van de Joint Strike Fighter, een nieuw Amerikaans gevechtsvliegtuig. Volgens Pronk was dat besluit op ondeugdelijke gronden genomen. Vorige herfst nog week hij af van het kabinetsstandpunt door te zeggen dat hij bezwaren had tegen de bombardementen op Afghanistan.

Niet minder tekenend is ook dat Pronk pas bijna zeven jaar na het drama vanSrebrenica uit het kabinet stapt, dit ondanks het feit dat hij zelf al kort na de val van Srebrenica in juli 1995 sprak van ,,genocide'' die tegen de Bosnische moslims zou zijn bedreven. Als Pronk de zaak zo hoog opnam, had hij dan niet al jaren geleden moeten aftreden gezien de terughoudende opstelling van de achtereenvolgende kabinetten-Kok?

Daarvoor voelde Pronk echter niet, want in dezelfde huid van de door morele beginselen gedreven man steekt ook een behendige politicus met een krachtig overlevingsinstinct. Zeven jaar later is de situatie echter anders. Pronk weet dat hij inmiddels is aangeland in de nadagen van zijn ministerschap. Zelfs op de linkervleugel van zijn partij kreeg Pronk, lange tijd de lieveling van de linkervleugel in de PvdA, de laatste jaren steeds minder handen op elkaar. Het begon op te vallen dat hij wel veel kritiek had, maar daar zelden consequenties aan verbond. In de praktijk nam hij genoegen met slappe compromissen.

Zelf heeft Pronk al duidelijk gemaakt geen tweede termijn op VROM te ambiëren en het lijkt niet waarschijnlijk dat hij nog voor een andere post in het kabinet zal worden gevraagd. In het besef dat hij weinig meer had te verliezen besloot hij nog één groots gebaar te maken met een rijkelijk laat beroep op zijn geweten.

Het fenomeen Jan Pronk, een eigenaardige maar zeer Nederlandse mengeling van idealisme, dossierkennis en pragmatisme, begon zijn politieke carrière in de Tweede Kamer in 1971. Twee jaar later trad hij, pas 33 jaar oud maar begiftigd met een bijzonder scherp intellect, toe als minister voor Ontwikkelingssamenwerking tot het roemruchte kabinet van de door hem zeer bewonderde Joop den Uyl. Met zijn gedreven, vaak nogal moralistische aanpak wist Pronk zich snel populair te maken bij de linkse achterban van de sociaal-democraten. Ook nu nog noemt Pronk zich soms niet zonder trots 'een Uyliaan'.

In 1980 verwisselde Pronk Den Haag enige jaren voor Genève, waar hij de nummer twee werd bij de UNCTAD, een organisatie van de Verenigde Naties die was opgezet om ontwikkelingslanden een groter aandeel te geven in de wereldhandel. In 1986 schoof hij echter weer aan in de Kamerbankjes van de PvdA, om in 1989 opnieuw minister voor Ontwikkelingssamenwerking te worden. Dat bleef hij tot 1998. Gedurende deze lange periode zette Pronk nog sterker zijn stempel op het Nederlandse ontwikkelingsbeleid dan voorheen. Hoogst persoonlijk produceerde hij de ene na de andere richtinggevende nota, waarbij de accenten door de jaren heen versoberden. Zo volgde op 'Een wereld van verschil' enkele jaren later 'Een wereld in geschil'. De euforie over ontwikkelingssamenwerking uit de jaren '70 was toen al grotendeels vervlogen en Pronk raakte steeds meer in het defensief. Tandenknarsend moest hij aanvaarden dat steeds meer oneigenlijke uitgaven ook onder zijn budget werden geschaard.

In 1998 wenste Pronk, op wie in 1994 al druk door premier Kok was uitgeoefend om naar een andere post over te stappen, niet langer door te gaan omdat de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking niet structureel zou worden verhoogd. In plaats daarvan belandde hij tot veler verrassing op het departement van VROM. Met de van hem bekende energie al tientallen jaren maakt Pronk werkweken van 100 uur maakte hij zich in zeer korte tijd de nieuwe materie eigen. En het duurde niet lang of Pronk kon zich zonder moeite meten met ervaren Kamerleden op dit terrein.

Veel waardering oogstte hij met zijn inspanningen voor de klimaatconferenties, vooral het jaar dat hijzelf daarover als voorzitter de scepter zwaaide. Toch kwam het vooral door toedoen van de Amerikanen niet tot een nieuw internationaal akkoord. Minder geestdriftig was de Kamer over de lang verbeide Vijfde Nota voor de ruimtelijke ordening. Na eindeloos getouwtrek met zijn collega-ministers wist Pronk slechts een vrij kleurloos document te produceren.

Pronk maakte de afgelopen vier jaar nimmer een geheim van zijn ambitie om nog eens op het internationale toneel te kunnen schitteren. Nadat hij voor verschillende hoge functies was genoemd, wist hij in de herfst van 2000 bijna de prestigieuze post van Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen in de wacht te slepen. Maar tot zijn verbijstering werd hij op het laatste moment voorbijgestreefd door niemand minder dan oud-premier Lubbers, die zich anders dan Pronk voordien nimmer op speciaal medeleven met 'arme sloebers' had laten betrappen.

Nu Lubbers echter zit waar hij zit, kan Pronk als vertegenwoordiger van een klein land als Nederland een echte topfunctie bij een VN-organisatie verder vergeten. Voorlopig zal de onverwoestbare, kleine, kalende man met zijn priemende blik echter naar het lijkt na de verkiezingen van 15 mei voor de zoveelste keer plaatsnemen in de bankjes van de Tweede Kamer, want ook ditmaal staat hij gewoon weer op de lijst van de PvdA.

zoeken

in

Actuele dossiers