*

Een superministerie, maar dan serieus :: nrc.nl

Een superministerie, maar dan serieus

Als we de welingelichte kringen moeten geloven, dan moest er voor de vicepremier een mooi, zwaar ministerie worden gecreëerd. Met de combinatie Economische Zaken, Landbouw en Innovatie – afgekort als EL&I, een nog onwennige naam die allerlei onbedoelde religieuze associaties oproept – hebben we nu een heus superministerie. Een omvangrijk departement dat als een majestueuze zon enorme brokstukken van elders losgeslagen planeten in zijn baan heeft verzameld. Bij mijn weten bestaat er in de rest van de wereld geen vergelijkbare constructie. Nu rijst onmiddellijk de vraag of die brokstukken losse rotsblokken zullen blijven, met alle risico’s van interplanetaire botsingen, of dat er een heus zonnestelsel wordt gesmeed, met een duidelijke kern en een evenwicht tussen zwaartekracht en middelpuntvliedende krachten.

Op het ingewikkelde stelsel aan onderwerpen van EL&I valt inhoudelijk nog wel wat aan te merken. Het meest in het oog springt de landbouw. Met het teruglopen van het aantal boeren (iets meer dan 70.000), de schaalvergroting en de afstand tussen stad en platteland komt het niet als een verrassing dat het aparte ministerie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is verdwenen. Dit verlies markeert het einde van een tijdperk, van mannen als Sicco Mansholt. Sommigen zullen betogen dat de landbouw nooit een economische sector kan worden als de andere, en als tweede exporteur ter wereld een eigen ministerie en een eigen universiteit verdient. Dit zijn echter achterhoedegevechten. Niettemin moet de top van EL&I terdege beseffen dat de internationale zorg over de volatiliteit in de voedselvoorziening de laatste jaren niet zo groot is geweest als nu. Het afschaffen van het Nederlandse ministerie van Landbouw doet op veel plaatsen wenkbrauwen fronsen en zal zorgvuldig uitgelegd moeten worden in het buitenland, niet in de laatste plaats in Europa.

Er bestaan overigens meer landen die hun ministerie van Landbouw hebben gecombineerd met andere onderwerpen, al liggen die altijd in het verlengde van de sector. In Duitsland smeedde men Voedsel, Landbouw en Consumentenzaken aaneen, en in het Verenigd Koninkrijk bestaat al heel lang een ministerie van Milieu, Voedsel en Plattelandszaken, waarbij landbouw onder voedsel valt. Het zal niemand verbazen dat Frankrijk een ministerie van Voedsel, Landbouw en Visserij kent waar het woord voedsel voorop staat en natuur niet in de naam voorkomt. Ook de Nederlandse burger interesseert zich allereerst voor voedsel, daarna voor landschap en vervolgens in de verte nog voor de landbouw. Aan de naam EL&I zal wel niet meer getoornd worden, maar dit lijkt wel het moment om voedsel als verbindend thema naar voren te halen, ook in de richting van Volksgezondheid (er ligt daarvoor al een mooie nota van de voormalige ministers Klink en Verburg). Voedsel, of ruimer, voedselkwaliteit en de agrofoodsector, is ook een van de meest innovatieve sectoren van de Nederlandse economie, en een die ook door het Innovatieplatform van het vorige kabinet is aangemerkt als prioriteit.

Natuur en de ruimtelijke ordening van het platteland zijn in EL&I nu min of meer onzichtbaar. Als dichtbevolkte agrarische delta ontwikkelde Nederland een uniek systeem van ruimtegebruik, waar functies van wonen, verkeer, recreatie, natuurbescherming en landbouw min of meer in evenwicht blijven, mede dankzij uitgebreide inspraaksystemen. Te vrezen valt dat in een ministerie van EL&I de waarde van de natuur alleen nog in monetaire zin telt. Dit staat haaks op het brede draagvlak voor biodiversiteit en landschap bij de burger. Al vaak is aangetoond dat natuur nooit op marktconforme wijze rendabel is te maken en dat bezuinigen op de Ecologische Hoofdstructuur weinig oplevert (wel moeten we nog eens nadenken over de natuurbeschermingsprioriteiten in Europees verband). Iets van de daadkracht van dit kabinet moet snel gestoken worden in het verhelderen van het ruimtelijk en natuurbeleid.

Sinds jaar en dag staan vijf (deels) Nederlandse bedrijven in de top van de Dow Jones Sustainability Index. Nederland heeft in dit opzicht een uitstekende reputatie, maar moet veel meer doen aan startende bedrijven op dit gebied. De kern van EL&I, daar kan geen twijfel over bestaan, moet liggen in het bevorderen van een integrale duurzaamheid – van de maakindustrie, de voedselvoorziening, platteland, energie enzovoorts. Hiervoor is ook vergroening van het belastingstelsel nodig. En innovatie, al gaat het niet zo maar om technische vernieuwingen zoals nieuwe energiedragers, slimme materialen of medische apparatuur. Minstens zo belangrijk is sociale vernieuwing: banen in nieuwe sectoren waarvoor nieuwe vaardigheden nodig zijn, nieuwe combinaties van werken en privéleven, nieuwe sociale netwerken, nieuwe waarden van consumenten.

Duurzaamheid is niet alleen een mooi exportproduct, dat banen oplevert en energie bespaart. Minstens zo belangrijk is dat veel Nederlanders, ondanks alle onzekerheid, hechten aan een duurzame toekomst. Het is in deze tijden van kortzichtig eigenbelang een perspectief dat mensen kan samenbinden. De uitdaging is mede om een relatief rijke, niet onwelwillende middenklasse te begeleiden naar duurzaam consumeren. Voorlopig staat het gesternte niet gunstig, want dit kabinet heeft vrijwel alle ambities op gebied van duurzaamheid teruggeschroefd, mede door het opheffen van het Fonds Economische Structuurversterking.

Duurzaamheid vereist geen lukrake bezuiniging maar diepgaande hervorming. EL&I zou als ‘superministerie van duurzaamheid’ kunnen functioneren, als zon in het stelsel van planeten waar het hele kabinetsbeleid om draait. Dat vraagt een intellectuele inspanning die veel verder gaat dan het managen van departementale brokstukken en wat interdepartementale samenwerking. Dat zou een onverwachtse draai aan de kabinetsplannen geven, zeker voor wie zich herinnert dat de oorspronkelijke betekenis van het woord ministerie niet macht is, maar dienstbaarheid

Geplaatst in:
Algemeen

4 reacties op 'Een superministerie, maar dan serieus'

HogerHand

Ik stel alvast een diepgaande hervorming voor. Een hervorming waarvan ik al een jaar of 20 niet begrijp dat iemand anders, iemand uit de politiek bij voorkeur, want zo iemand wordt er (meer dan ruimschoots) voor betaald, er niet eerder op gekomen is. Landbouw hoort natuurlijk gewoon onder het ministerie van Volksgezondheid te vallen. Dat ministerie rekent dan gewoon even door welke extra kosten (gezondheidsrisico’s) verbonden zijn aan verschillende landbouw productieprocessen en rekent ter plekke af. Dan moet de traditionele landbouw (te beginnen bij de vleesindustrie) binnen afzienbare tijd zijn omgevormd tot een verantwoorde, biologische productiewijze. Ook economische zaken zelf zou natuurlijk onder Volksgezondheid dienen te vallen, al was het maar omdat het huidige economische verkeer een stressfactor van belang is. En stress, een kind kan het weten, maakt ziek. Ernstig ziek. Met een deel van de de huidige welvaart, zeg 50%, en gelijkmatiger over de bevolking verdeeld (rijkst wordt afgetopt om het leven van armst leefbaarder te maken) kan iedereen heel relaxed in parttime banen beroep en ontwikkeling van eigen talenten combineren. Dat schept gelukkiger mensen die bewuster en gezonder leven. Maar in Den Haag maakt geld, dat stom is…

Martinus de Borst

Zolang er in de EU jaarlijkss nog bijna 60 miljard subsidie wordt uitgegeven voor Landbouw en Visserij, is de kwestie van in welk ministerie en met welke doelen etc. , uitsluitend academisch. Het is simpel een berg geld, waarmee een grote groep kiezers wordt gebonden en dat feit alleen al laat een zekere Hr. Verhagen zich niet ontfutselen.
En schrijfster heeft gelijk, wanneer zij verondersteld dat van een machtspoliticus geen grote doorbraken verwacht mogen worden.
Machtspolitici zijn intrinsiek nu eenmaal bange en bekrompen mensen. die geestelijk niet ´met de handen los´ durven te fietsen.
Maar de Mannenbroeders Opstelten en Rutte hebben er kennelijk wel iets in gezien. Waarvan acte.

a.zecha

Een Űberministerium van Haagse makelij, “maar dan serieus”.
De laatste drie woorden duiden mijns inziens op de mogelijkheid dat het tegendeel eveneens serieus wordt genomen.

“Als we de welingelichte kringen moeten geloven, dan …..” wijst mijns inziens op aarzeling om de “veiligheid van onze conformistische gemeenschap van partijpolitieke kerken” te verlaten en vertrouwen te stellen in eigen kritische waarnemingen en percepties.
Terzijde bemerkt: aarzeling is ten minste meer dan wat “Jan en Katrijn modaal” plegen op te opbrengen.

Producenten van en handelaren in velerlei goederen plegen “nieuw” en afleidingen ervan te vaak als een “positieve” reclame in de media te gebruiken om er substantiële waarde aan te hechten zodat erin “geloven” een onaantrekkelijke optie wordt.
Partijpolitici in het openbaar bestuur betalen uit publieke middelen dure “spindokters” om hun opgeleukte “nieuwe” producten op de markt te brengen.

Zachte heelmeesters hebben naar mijn weten zeer zelden werkelijke genezingen bewerkstelligd.
Zelfs in de, voor burgers sterk voelbare financiële crisis, heeft door het partijpolitieke financiële steunend ingrijpen (met belastinggelden) een wortel van het kwaad (graaikultuur) feitelijk effectief buiten de wind gehouden.

a.zecha

k de hoog

Duurzaamheid gaat alleen over gedrag. Je kunt het invullen met van alles en nog wat, maar wanneer er geen duurzaam gedrag is, dan is er geen duurzaamheid.

Duurzaamheid als export en/of economisch middel zien is tegengesteld aan duurzaamheid.

Duurzaamheid wordt de nieuwe melkkoe, voor zover die dat al niet was in de afgelopen 2 decennia. Het onbeschaamde uitbuiten van duurzaamheid zal er toe leiden dat een volgende generatie weer een rekening kan verwachten wanneer de dijken op doorbreken staan en we in de hoogste alarmfase zitten.

Duurzaamheid verwachten met de Haagse moraal en werkwijze is een gotspe. Het is hetzelfde als vuur willen doven met olie.