*

Het ontpolderingsmodel :: nrc.nl

Het ontpolderingsmodel

Soms is dit mooie, bevoorrechte land om moedeloos van te worden. Het kabinetsbesluit om toch de Hedwigepolder te ontpolderen biedt geen enkele verlossing. Het is een laatste ruk aan een onontwarbare Gordiaanse knoop van tegenstrijdige belangen en inzichten. Collectief zitten we zo in de knoop met onze doelen en onze middelen, dat geen enkele uitkomst zelfs maar bij benadering bevredigend is. Dat kan toch niet de bedoeling zijn van ons veel geroemde poldermodel.

Voor wie de bloederige details zijn ontgaan, een (zeer) korte inhoud van het voorafgaande. Middels een verdrag met België heeft Nederland zich verplicht tot het uitdiepen van de Westerschelde ten bate van de doorvaart naar Antwerpen voor 2010. Daartegenover moet zogeheten natuurcompensatie staan, omdat het uitdiepen onder andere vogelbroedgebieden beschadigt. Hoewel er buitendijks wel wat ruimte is voor schorren en slikken, blijkt er na vele studies geen ander alternatief dan de Hedwigepolder onder water te zetten, iets wat voor de Zeeuwen – en de eigenaar van het land – onacceptabel is. Een meerderheid in de Eerste en de Tweede Kamer heeft zich eerder tegen ontpoldering uitgesproken, net als de premier. De natuurbeschermingsorganisaties hebben daarnaast bij de Raad van State een procedure aangespannen om de baggervergunning op te schorten.

Het vertrouwen tussen de natuurbeweging en de landbouw, tussen de Zeeuwen en de centrale overheid heeft hiermee een behoorlijke deuk gekregen. De Zeeuwen roepen emotioneel dat mensen honger lijden terwijl de beste landbouwgrond vernietigd wordt – een argument dat eerlijk gezegd geen hout snijdt, want helaas helpen Zeeuwse aardappelen en bieten niet tegen honger elders. Maar dat laat onverlet dat het voor velen moeilijk te begrijpen is dat land onder water moet worden gezet ten bate van de natuur, ook al bestaan er verschillende precedenten in Nederland.

Op het eerste gezicht gaat het om bekende belangentegenstellingen tussen natuur en landbouw. Dat betekent altijd dat appels en peren moeten worden vergeleken. Hebben vogels voorrang boven boeren en woningen? Is voedselproductie minder belangrijk dan een haven of dan de natuur? Is werkgelegenheid in de haven van een buurland meer doorslaggevend dan in een eigen provincie? Is de Hedwigepolder niet zo klein dat het ontpolderen niets uitmaakt, noch voor de landbouwgrond, noch voor de vogels? Zijn vogels, bodemleven en schorren echt 80 of 100 miljoen waard (de kosten van ontpoldering of buitendijkse natuurcompensatie)? Of is alles niet uit te drukken in een simpele winst- en verliesrekening?

De premier, en daarmee het kabinet, heeft het hoofd in de schoot gelegd omdat er voor ontpoldering en verdieping van de vaargeul geen alternatieven bestaan. We zitten klem tussen een verdrag met de Belgen en een Europese richtlijn en nu valt daar alleen al op juridische gronden niets meer aan te doen.

Maar wie verder kijkt dan het hier en nu, realiseert zich dat ontpoldering en uitbaggering geen stabiele oplossingen vormen. De natuur zelf is in beweging, net zoals menselijke behoeften en technologie voortdurend veranderen. De Westerschelde trekt zich niets van ons aan en gaat lustig voort met dichtslibben en ondieper worden. Door hetzelfde natuurlijke proces zullen de schorren en slikken die in de Hedwigepolder moeten ontstaan ook weer verdwijnen of permanent droog vallen. Bovendien, zeeschepen worden steeds groter en zullen steeds moeilijker in de nauwe en bochtige vaargeulen passen. Veiligheidseisen aan transport zullen moeten worden opgeschroefd. Handelsstromen veranderen van karakter. De arbeid van vandaag zal vervangen worden door hoogwaardige, computergestuurde apparatuur waar steeds minder mensen aan te pas komen.

Op de tijdschaal van enkele decennia of meer zal het probleem van de Westerschelde er ongetwijfeld heel anders uit zien – net als in de jaren zeventig niemand had kunnen voorspellen dat we de olieconsumptie aan banden zouden leggen, niet vanwege de schaarste maar vanwege de CO2-uitstoot. En net zoals niemand in 1839, toen het verdrag met België werd gesloten, weet had van containervervoer of vogelbescherming. Op een ruimere tijdschaal kun je je voorstellen dat de Antwerpse haven vervangen wordt door een internationale zeehaven in de Noordzee gecombineerd met energiewinning uit wind en getijdenbewegingen, waar gigantische containerschepen aanleggen, die ook door Hamburg, Rotterdam en Londen wordt gebruikt, of de verplaatsing van de Vlaamse haven naar de Belgische kust. Zo wordt de Westerschelde een stiltegebied voor ecotoeristen.

Ook een andere ruimteschaal biedt perspectief. Waarom moet natuurcompensatie precies daar ter plekke, dus in de Westerschelde, plaatsvinden? Je kunt je afvragen of de Europese richtlijn op dezelfde wijze toepasbaar is in een dichtbevolkt gebied als bijvoorbeeld in Schotland. Ja, de Westerschelde is onderdeel van Natura 2000, het Europese netwerk van belangrijke natuurgebieden. Maar is die natuur zo uniek dat niet elders, in Nederland of daarbuiten, compensatie gevonden kan worden? Op zijn minst zou er verder gesproken moeten worden over een Europese richtlijn waarvan de toepassing zo tot problemen leidt.

Alle tegenstellingen en oplossingen zijn uiteindelijk het gevolg van denken op té korte termijn en té kleine schaal. Daarom mag de besluitvorming over de Westerschelde niet alleen de geschiedenisboekjes ingaan als een voorbeeld van bestuurlijke verwarring, provinciale dwarsliggerij en persoonlijke inmenging van een premier. Het is hier echt geen Italië. Hoe moeizaam ook, de Westerscheldekwestie is niet het zoveelste bewijs van het failliet van het poldermodel – na de AOW kan dit er ook nog wel bij. Maar het toont wel aan dat het poldermodel verwordt tot een optelsom van tegenstrijdigheden met ongewenste uitkomsten als niemand waakt over de lange termijn en de grotere schaal. En dat is bij uitstek de rol van de regering.

Geplaatst in:
Algemeen

10 reacties op 'Het ontpolderingsmodel'

Daniel Casas Valle

Beste Louise,

Een prachtig, scherp voorbeeld van: operatie geslaagd, patient overleden. Helaas zie je tal van voorbeelden in de Ruimtelijke Ordening, projecten waar voor iedereen wat bij zit, maar eigenlijk voor niemand echt waardevol is. Dat kan beter! Zeker als het denken op lange termijn en grote schaal ook wordt omgezet naar beleid en concrete acties. Wellicht om te beginnen met de duurzame stadsregio, waarbij stad, landbouw en energie op een geïntegreerde en volwaardige wijze uiteen worden gezet. Niet als de zoveelste projectenkaart, maar juist als een moderene kijk op ons stedelijke leven! Welke overheid durft deze uitdaging aan?!

groet,
Daniel

Willem JJ Boot

Louise, behoudens details kan ik het goed met je eens zijn. Primair ben ik het met je eens (“Maar het toont wel aan dat het poldermodel verwordt tot een optelsom van tegenstrijdigheden met ongewenste uitkomsten als niemand waakt over de lange termijn en de grotere schaal. En dat is bij uitstek de rol van de regering.”) In een reactie op een ander opiniestuk heb ik aangegeven, dat n.m.m. deze regering -maar ook eerdere- geen Missie en Visie heeft die zij in doelstellingen kan vertalen. De regering regeert niet, maar reageert op operationele problemen die gemakzuchtig op haar bord worden gesmeten.

Secundair ben ik het niet met je eens dat de tegenstelling “natuur/landbouw” tot frictie heeft geleid. Ik meen, dat de frictie dieper gaat, namelijk door het handelen van de mens in zijn omgeving te poneren als tegenstelling tot de “natuur”. De mens maakt gewoon deel uit van de natuur, net zoals bacteriën, luipaarden, eenden en walvissen. Alleen denkt kennelijk een deel van de mensheid dat hij/zij nog steeds “heer der schepping” is en die moet behoeden/beheersen/beheren. Dat antieke denkbeeld gevoegd bij een visie op natuur als zou die een statisch gegeven zijn, leidt tot aanvaringen binnen de mensheid zelf.
Diezelfde natuurbeheersers zien kennelijk niet in, dat voor Zeeuwen -zoals ikzelf- het ontpolderen ingaan betekent tegen eeuwenoude waarden, opgelegd door genraties lange angst voor en strijd tegen het water. Ook dat is “natuur”.

Mano Verschrijver

Nog geen regering gezien die waakt over de lange termijn en de grotere schaal. “De regering” bestaat niet. Het zijn individuen met hun eigenaardigheden, ambities en ijdelheid. Dat is de makke van sociologie, politicologie en filosofie: een abstractieniveau waar niemand blij van wordt.

Kort na oplevering van de nieuwe Maasbrug in Rotterdam (de Zwaan) mocht ik in het televisieprogramma van Hanneke Groenteman met de architect ervan discussiëren. Nietsvermoedend heb ik hem toen zelfs enkele vragen over de tuidraden gesteld. Ook voor en na de uitzending heb ik uitgebreid met hem gesproken. Het is een bijzonder aardige, haast aandoenlijke, ietwat kinderlijke jongeman. Er is bijna niets mis met hem, maar ik constateerde toch één weeffoutje: hij leest graag filosofen en gelooft dat zulke subsidieschrokkers iets te zeggen hebben.

Is dat weeffoutje nu verantwoordelijk voor zwiepende tuidraden ? Ik ben bang van wel.
Mijn ervaring is: wie wijsbegeerte omhelst, ontbeert nuchterheid.

In mijn jonge jaren heb ik ook uitvoerig geliefhebberd in de wijsbegeerte. Hartstochtelijk las ik de “grote” filosofen. Aan de Leidse universiteit heb ik filosofiecolleges gevolgd, o.a. bij de onlangs overleden Van Peursen-de man die steeds onder een andere titel dezelfde lezing hield (! Verschrijver: dat thema komt vaak terug bij de belezen Maarten ’t Hart: Michel Montignac: telkens hetzelfde boek onder een andere titel, priesters preken telkens hetzelfde verhaal, enzovoorts enzovoorts. Mensen doen na hun 30ste continu hetzelfde onder een andere titel ?! Oude wijn in nieuwe zakken. Bij Maarten ‘Hart blijft die wijn prima smaken.)

Bij Van Peursen heb ik zelfs een jaar lang een werkgroep fenomenologie gedaan waarbij we de geschriften van Husserl uitputtend hebben bestudeerd. Met afgrijzen kijk ik inmiddels op die tijdverspilling terug. Niets heb ik van dat alles opgestoken. De enige les die ik geleerd heb is: wijsbegeerte en wartaal beginnen met dezelfde letter, net als filosofie en flauwekul.

De ethica Heleen Dupuis (vvd) ijvert ervoor dat wijsbegeerte als leervak zal worden ingevoerd op de middelbare scholen. Dat god zulks toch alstublieft verhoede (toch weer de achtergrond van maarten t hart, leg de verantwoordelijkheid daarvoor bij god).
We moeten juist precies het tegenovergestelde doen: wijsbegeerte radicaal afschaffen aan de universiteiten. Eén student filosofie kost de gemeenschap 100.000 EUR per jaar. Weggesmeten geld, tenzij je je praatjes kunt verkopen aan een adviesbureau. Vlotte en snelle praatjesmakers zullen het altijd wel goed blijven doen.

De Amerikaanse natuurkundige en Nobelprijswinnaar Steven Weinberg heeft onlangs een boek gepubliceerd, “Dreams of a Final Theory”, waarin een hoofdstuk te vinden is met de titel “Against Philosphy”. In dat hoofdstuk betoogt Weinberg dat wijsbegeerte gevaarlijk en schadelijk is, geborneerdheid in de hand werkt, vooroordelen aanmaakt en de voortgang van het wetenschappelijk onderzoek belemmert.
Zijn collega John Bahcall heeft venijnig opgemerkt: “Filosofie is de discipline waarin men een heleboel stof doet opwaaien en men vervolgens klaagt dat men niets kan zien. Dat is een mening die door veel geleerden gedeeld wordt.”
Kant was een nare anti-semiet. Descartes heeft wetenschappelijke ontwikkeling eerder tegengewerkt dan bevorderd. Fenomenologie komt na 5000 bladzijdes tot de verbijsterende ontdekking dat wij “in-de-wereld-zijn”. Triviale streepjesfilosofie met zeer beperkte houdbaarheid; de filosofen van tien jaar geleden worden niet meer gelezen en zijn vervangen door andere schreeuwerige praatjesmakers.

Wat mij een beetje tegenvalt van de architect is dat hij, toen de tuiten van de brug gingen zwiepen, zich op het toilet opsloot en niets wou zeggen. Van de wijsgeren die hij heeft gelezen had hij de vrijmoedigheid moeten leren om ook in tijden van nood iedereen onverschrokken te woord te staan. Op dat punt hebben filosofen nooit versaagd. Ze hebben hun wartaal altijd van de daken geroepen.

Klik

En nu in het bovenstaande verhaal/column “filosofen” vervangen door “politici”. Soms denk ik wel eens dat het bovengenoemde verhaal voor alles en nagenoeg iedereen opgaat: sociologie, politicologie, politiek, godsdienst, economie, ambtenaren, overheid, grote bedrijven, “management goeroes”, werknemers, werkgevers, mensen. Geleuter.

Joanne Harnmeijer

Het stuk van Louise Fresco spreekt aan, niet in het minst omdat het staat voor zoveel andere voorbeelden uit het verleden, en, daar kunnen we zeker van zijn, ook uit de toekomst. Een goede indicatie dat er iets fout zit met dat besluit van ontpoldering is dat het tegen heug en meug genomen is: iedereen weet in zijn/haar hart dat dit niet de bedoeling kan zijn. De oplossing van Louise Fresco is helder maar veel-eisend: een nieuw polder model (pun!) waarin tijd en ruimte naar beste weten worden meegenomen, onder het motto dat elke arts kent: do no harm. Dat ‘beste weten’ vormt het probleem, want is het weten van deze tijd en nog niet die van de toekomst. (Antwerpen weet nog niet dat haar haven naar zee zal verhuizen.) Niet eenvoudig, dus. Wel goed.

H. Schöyer

Louise, complimenten voor dit stuk. Er is een punt waar ik het niet geheel me eens ben. Dit punt is het begrip ‘natuur’. Ook U hanteert dat alsof het een duidelijk gegeven is. Maar in West Europa bestaat geen natuur meer, d.w.z. een omgeving die zeer lange tijd niet of nauwelijks door menselijke activiteiten beïnvloed is. Er zijn zelfs bewegingen die natuur creëren. Heel knap, maar gezien de eerdere omschrijving, onzinnig. Wanneer men het niet met de eerdere omschrijving eens is, komt de vraag wat is dan wel natuur? Het zal moeilijk zijn een definitie te geven waar een heel grote meerderheid, niet alleen in Nederland, maar in heel Europa, het mee eens is. Immers volgens een Europese richtlijn moet ‘de natuur’ hersteld worden. Dan moet er Europese consensus zijn. Onder de te herstellen natuur verstaan vogelbeschermers heel wat anders dan beschermers van de zeldzame Hedwigepolder orchis, die waarschijnlijk door het onderlopen dezes polders zal verdwijnen. Ook de beschermers van reeën en vossen, welke dieren nu uit de Hedwige polder verdwijnen, zullen aandringen op een ‘nieuw stuk natuur’.
Het is natuurlijk alles onzin wat de klok slaat; onzin die we aan een premier, regering en volksvertegenwoordiging te danken (wijten) hebben die niet (kunnen?) nadenken. De premier zelf staat bekend voor zijn vrijwel altijd fout blijkende oordelen (De Heer Scheringa een voorbeeld voor Nederland volgens Balkenende). U heeft gelijk Louise, wanneer U zegt dat de Westerschelde niet ten eeuwige dage verder kan worden uitgediept. Dat hebben wij toch ook niet met de Maas of de Nieuwe Waterweg gedaan? Natuurlijk had Balkenende moeten zeggen, “Nee buren, wij zullen de Westerschelde op diepte houden maar onze interpretatie van het verdrag van 1839 is niet dat de Westerschelde ad absurdum moet worden uitgediept. Mocht U dat niet accepteren en naar een of ander internationaal gerechtshof willen, dan zegt Nederland dit verdrag per onmiddellijke ingang op. Breidt U Uw havens maar in Oostende of Zeebrugge uit voor de zeer grote zeeschepen”. Maar nee, deze onnadenkende domoor maakt nu dat Belcampo’s verhaal (waar buitenlandse kranten berichten dat de Nederlanders gek geworden zijn) waarin oom Gait de baas is geworden in Nederland en dat vrijwel geheel aan de Natuur teruggeeft door alle dijken door te steken, waarheid begint te worden. Alleen is het niet oom Gait, maar Jan Peter.
We kunnen nog altijd terug en zeggen, neem me niet kwalijk Belgie, bouwen jullie je havens voor grote schepen maar aan de kust. Wij zetten geen polders onder water waarbij de zeldzame Hedwigeorchis verloren gaat.

Johannes Tonckens

De column van Louise Fresco bevat een groot aantal denkfouten, getuigt van weinig inzicht en kennis ten aanzien van natuurwetgeving, in het bijzonder het Europese natura 2000 project. Ze brengt dus geen enkel nieuw licht op deze zaak, schept alleen maar verwarring. Het gaat hier bijvoorbeeld niet om een tegenstelling tussen natuur en landbouw zoals zij schrijft maar om een klassiek conflict tussen natuur en economie. Het uitdiepen van de Westerschelde dient een economisch belang met als neveneffect schade aan een beschermd natuurgebied. Het uitdiepen van de vaargeul zorgt er voor dat er zoveel meer water door geulen gaat stromen dat de aanliggende ondiepe platen wegspoelen. Daardoor verliezen deze platen veel van hun natuurwaarde, wat een vorm is van schade. So what, kun je dan zeggen, ware het niet dat Nederland de Westerschelde heeft aangewezen als beschermd natuurgebied in het kader van Natura 2000. De Westerschelde maakt deel uit van een stelsel van Europese natuurgebieden die ervoor moeten zorgen dat karakteristieke natuurwaarden op de lange termijn (duurzaam) kunnen voortbestaan. Het kenmerk van natuurbescherming is dat er soms nee moet worden verkocht. Natuulijk moet er kritisch gekeken worden naar nut, noodzaak , draagvlak, maar het simpelweg wegrelativeren van natuurbescherming is wel erg makkelijk. Fresco suggereert dat we beter natuur in Schotland kunnen beschermen, daar is toch ruimte zat. In het dichtbevolkte Nederland kunnen we ons dat niet permiteren, het is te lastig vind zij. Verder vraagt ze zich af wat er zo uniek is aan de Westerschelde dat die beschermd moet worden. Waar is dat gejammer van Fresco voor nodig, waarom alles van waarde ter discussie stellen bij een klein probleempje ? De oplossing van het probleem is zo simpel, geef de Westerschelde weer wat meer ruimte en natuurlijke processen kunnen weer vlot getrokken worden. Als we daartoe niet bereid zijn, is dat jammmer. Dankzij de Natuurbeschermingswet heeft dat nu ook juridische consequenties. Wat is er nu moeilijk? Gewoon kiezen, oftewel het is van tweeen een. Dankzij de Natuurbeschermingswet wordt natuur in Nederland nu tenminste op een paar plaatsen beter beschermd.

Mr. J.A. Lantsheer

Allereerst: met de teneur van Uw stuk ben ik het van harte eens. Maar met één onderdeel van het betoog ben ik het niét eens, of liever gezegd: ik vind dit te kort door de bocht. Het stukje namelijk dat begint met “De Zeeuwen roepen emotioneel dat mensen honger lijden terwijl de beste landbouwgrond vernietigd wordt….”

Ten eerste: er zijn maar weinig Zeeuwen die dit argument gebruikt hebben, vermoedelijk op dezelfde grond die U aanvoert: een paar honderd hectare landbouwgrond helpt niet tegen de honger in de wereld. En dus wordt er emotioneel gepraat over 1953 en de boeren die van hun grond verdreven worden.

Het gaat mij om iets veel fundamentelers. Om de overlevingskansen van de soort “mens”. En dus om voedsel en voortplanting. Met dat laatste zijn er geen problemen meer, je zou hoogstens kunnen of moeten streven naar een beter evenwicht tussen voortplanting en voedselproductie. Maar voorlopig blijft de factor voedselproductie (en de daarbij behorende distributie) van overheersend belang. En dat moet -mondiaal- betekenen dat geen vierkante meter aan voedselproductie mag worden onttrokken tenzij om zorgvuldig overwogen dringende planologische redenen. Dát is principieel, de omstandigheid dat dat voedsel uit de Hedwigepolder niet makkelijk en rechtstreeks naar Afrika kan (is dat eigenlijk wel zo?) is van secundair belang als je tenminste -zoals U elders doet- de dingen niet op te korte termijn en te kleine schaal wilt zien.

Ik denk dat dát -misschien onbewust- ten grondslag ligt aan het verzet van ons Zeeuwen en anderen tegen ontpoldering: “dat dóé je niet”. Je voelt op je klompen aan dat dat fout is. Helaas wordt er in ons polderland te weinig meer op klompen gelopen…..

lantsheer

Ik heb gisteren een reactie gestuurd maar die is nog niet verschenen. Heb ik iets fout gedaan?

Nico koedam & Ronny Merken

Nico Koedam & Ronny Merken
Fac. Wetenschappen en Bio-ingenieurswetenschappen, Vrije Universiteit Brussel
Louise Fresco stelt vragen die velen zich stellen. De vraag is of ze ze juist stelt. Maatschappelijk debat over de grootschalige en ingrijpende maatregelen die de Westerscheldeproblematiek meebrengt is noodzakelijk, ook al ‘valt daar alleen al op juridische gronden niets meer aan te doen’. Haar oproep om te waken over ‘de lange termijn en de grotere schaal’ van het probleem toont aan dat de EU richtlijnen niet begrepen zijn. Dit maakt het debat zoals ingezet door Fresco warrig en naast de kwestie. Het belang van natuurbehoud kan afgewogen worden tegen het lokale belang, maar dan niet door te vragen oog te hebben voor grotere schaal, zoals Fresco doet. Inderdaad, het ‘grootschalig’ belang (de EU gebruikt de term ‘communautair belang’ in haar regelgeving) is juist inherent aan de EU filosofie. Ja, compensatie zou in principe elders kunnen in Nederland, indien de natuurwaarden vergelijkbaar zijn. Nee, compensatie kan niet in het buitenland, want dit gaat in tegen het principe en de procedures voortvloeiend uit de richtlijnen.
Zijn de richtlijnen hiermee te beperkend en hebben de opstellers indertijd geen oog gehad voor de grotere schaal en de langere termijn? De Europese burgers zouden trots moeten zijn op het principe van de natuurrichtlijnen, die sinds enkele decennia een van de meest visionaire en doordachte natuurwetgevingen ter wereld zijn (30 jaar EU Vogelrichtlijn en 17 jaar EU Habitatrichtlijn). Waar ter wereld zijn er afdwingbare maatregelen boven het niveau van soevereine staten vastgelegd, juist om grensoverschrijdend, over een groter gebied en in een langer tijdsperspectief de biodiversiteit te beheren? Dit is de zogeheten ‘gunstige staat van instandhouding’ in termen van de EU. Het integratief en supranationaal karakter is een hoeksteen van de Europese regelgeving (bv. “…dat de doeltreffende bescherming van vogels een typisch grensoverschrijdend milieuvraagstuk is dat een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid impliceert;” richtlijn 79/409/EEG)? Waar werd er even expliciet rekening gehouden met andere sectoren van de maatschappij, in een tijd dat de conflicten hierrond zich nog niet aftekenden? De compensatieclausules zelf (bv. “…om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard…” richtlijn 92/43/EEG) weerspiegelen die bezorgdheid.
In de wandelgangen van de Commissie zal men nu misschien horen dat het beter kan. Dat de richtlijnen en de bijlagen fijner afgestemd zouden kunnen worden en dat sommige gehanteerde principes met het groeiend wetenschappelijk inzicht wat eigentijdser benaderd kunnen worden (bv. met betrekking ecosysteemdynamiek, klimaatwijziging, of de aflijning van de biogeografische regio’s), maar al met al heeft Europa voor de wereld een voorbeeld gesteld.
En dan het ‘object’ of liever één van de objecten: de vogels. Het is wat scheef getrokken om het belang van enkele vogels tegenover het belang van voedselproductie en tewerkstelling te plaatsen. Globaal (wereldwijd) gaat de ornithofauna achteruit. Recent grondig wetenschappelijk onderzoek toonde echter een positief resultaat n.a.v. de Vogelrichtlijn, voor die soorten en die landen die er onder vallen en dat is gelukkig een behoorlijk aantal. Trekvogels integreren echter de problemen van alle onderdelen van hun leefgebied, binnen en buiten de EU, en hangen nog sterker af van de voorspelbaarheid en van de kwaliteit van foerageergebieden, die niet om het even waar mogen liggen (Schotland is inderdaad Nederland niet, maar evenmin zomaar uitwisselbaar, nog afgezien van de EU procedure waarbij dit soort internationale compensatie niet mogelijk zou zijn). Het ‘netwerk’ Natura 2000 beoogt juist een netwerk te zijn over alle Europese gebieden heen, inclusief dichtbevolkte gebieden. Natura 2000 moet een gespreid en representatief geheel van biotopen worden, geschikt voor de soorten die in een goede staat van instandhouding dienen te blijven. Het streeft ernaar dit te doen over het hele Europese leefgebied van de soorten (of : het voorkomen van de biotopen). De EU heeft hierin juist -heel vroeg in de ontwikkeling van de visies hierrond op beleidsniveau, einde 70-er jaren- het lokale denken radicaal doorbroken en gestreefd naar een biogeografisch zinvolle spreiding. In 1979 en 1992 was klimaatverandering (en areaalverandering van soorten en biotopen) weliswaar geen gegeven, maar de Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bij uitstek grootschalig en lange termijndenken. Fresco heeft gelijk in haar kritische denkoefening over de duurzaamheid van de Antwerpse haven of de dynamiek van het Scheldesysteem. Het is alleen wel jammer dat het Hollandse polderdenken in zo’n column de kop opsteekt.
Eerder dan ‘de lange termijn en de grotere schaal’ in vraag te stellen voor beheer binnen de EU, zoals Louise Fresco doet vanuit kleinschalig Hollands polderperspectief, zou zeker al voor trekvogels (voor de Westerschelde gaat het niet alleen over ‘broedvogels’ en zelfs niet alleen over vogels, zoals in de column met weinig kennis van zaken gesuggereerd wordt) de Europese visie internationaal als een voorbeeld gesteld moeten worden. Dit vraagt dan wel een beter maatschappelijk, juridisch en wetenschappelijk begrip, ook bij columnisten, van de achtergrond en de principes van de richtlijnen en van hun (historische) plaats in het internationale beleid. Het zou de kwaliteit van het debat ten goede komen.

Nico KOEDAM

Louise Fresco stelt vragen die velen zich stellen. De vraag is of ze ze juist stelt. Maatschappelijk debat over de grootschalige en ingrijpende maatregelen die de Westerscheldeproblematiek meebrengt is noodzakelijk, ook al ‘valt daar alleen al op juridische gronden niets meer aan te doen’. Haar oproep om te waken over ‘de lange termijn en de grotere schaal’ van het probleem toont aan dat de EU richtlijnen niet begrepen zijn. Dit maakt het debat zoals ingezet door Fresco warrig en naast de kwestie. Het belang van natuurbehoud kan afgewogen worden tegen het lokale belang, maar dan niet door te vragen oog te hebben voor grotere schaal, zoals Fresco doet. Inderdaad, het ‘grootschalig’ belang (de EU gebruikt de term ‘communautair belang’ in haar regelgeving) is juist inherent aan de EU filosofie. Ja, compensatie zou in principe elders kunnen in Nederland, indien de natuurwaarden vergelijkbaar zijn. Nee, compensatie kan niet in het buitenland, want dit gaat in tegen het principe en de procedures voortvloeiend uit de richtlijnen.
Zijn de richtlijnen hiermee te beperkend en hebben de opstellers indertijd geen oog gehad voor de grotere schaal en de langere termijn? De Europese burgers zouden trots moeten zijn op het principe van de natuurrichtlijnen, die sinds enkele decennia een van de meest visionaire en doordachte natuurwetgevingen ter wereld zijn (30 jaar EU Vogelrichtlijn en 17 jaar EU Habitatrichtlijn). Waar ter wereld zijn er afdwingbare maatregelen boven het niveau van soevereine staten vastgelegd, juist om grensoverschrijdend, over een groter gebied en in een langer tijdsperspectief de biodiversiteit te beheren? Dit is de zogeheten ‘gunstige staat van instandhouding’ in termen van de EU. Het integratief en supranationaal karakter is een hoeksteen van de Europese regelgeving (bv. “…dat de doeltreffende bescherming van vogels een typisch grensoverschrijdend milieuvraagstuk is dat een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid impliceert;” richtlijn 79/409/EEG)? Waar werd er even expliciet rekening gehouden met andere sectoren van de maatschappij, in een tijd dat de conflicten hierrond zich nog niet aftekenden? De compensatieclausules zelf (bv. “…om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard…” richtlijn 92/43/EEG) weerspiegelen die bezorgdheid.
In de wandelgangen van de Commissie zal men nu misschien horen dat het beter kan. Dat de richtlijnen en de bijlagen fijner afgestemd zouden kunnen worden en dat sommige gehanteerde principes met het groeiend wetenschappelijk inzicht wat eigentijdser benaderd kunnen worden (bv. met betrekking ecosysteemdynamiek, klimaatwijziging, of de aflijning van de biogeografische regio’s), maar al met al heeft Europa voor de wereld een voorbeeld gesteld.
En dan het ‘object’ of liever één van de objecten: de vogels. Het is wat scheef getrokken om het belang van enkele vogels tegenover het belang van voedselproductie en tewerkstelling te plaatsen. Globaal (wereldwijd) gaat de ornithofauna achteruit. Recent grondig wetenschappelijk onderzoek toonde echter een positief resultaat n.a.v. de Vogelrichtlijn, voor die soorten en die landen die er onder vallen en dat is gelukkig een behoorlijk aantal. Trekvogels integreren echter de problemen van alle onderdelen van hun leefgebied, binnen en buiten de EU, en hangen nog sterker af van de voorspelbaarheid en van de kwaliteit van foerageergebieden, die niet om het even waar mogen liggen (Schotland is inderdaad Nederland niet, maar evenmin zomaar uitwisselbaar, nog afgezien van de EU procedure waarbij dit soort internationale compensatie niet mogelijk zou zijn). Het ‘netwerk’ Natura 2000 beoogt juist een netwerk te zijn over alle Europese gebieden heen, inclusief dichtbevolkte gebieden. Natura 2000 moet een gespreid en representatief geheel van biotopen worden, geschikt voor de soorten die in een goede staat van instandhouding dienen te blijven. Het streeft ernaar dit te doen over het hele Europese leefgebied van de soorten (of : het voorkomen van de biotopen). De EU heeft hierin juist -heel vroeg in de ontwikkeling van de visies hierrond op beleidsniveau, einde 70-er jaren- het lokale denken radicaal doorbroken en gestreefd naar een biogeografisch zinvolle spreiding. In 1979 en 1992 was klimaatverandering (en areaalverandering van soorten en biotopen) weliswaar geen gegeven, maar de Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bij uitstek grootschalig en lange termijndenken. Fresco heeft gelijk in haar kritische denkoefening over de duurzaamheid van de Antwerpse haven of de dynamiek van het Scheldesysteem. Het is alleen wel jammer dat het Hollandse polderdenken in zo’n column de kop opsteekt.
Eerder dan ‘de lange termijn en de grotere schaal’ in vraag te stellen voor beheer binnen de EU, zoals Louise Fresco doet vanuit kleinschalig Hollands polderperspectief, zou zeker al voor trekvogels (voor de Westerschelde gaat het niet alleen over ‘broedvogels’ en zelfs niet alleen over vogels, zoals in de column met weinig kennis van zaken gesuggereerd wordt) de Europese visie internationaal als een voorbeeld gesteld moeten worden. Dit vraagt dan wel een beter maatschappelijk, juridisch en wetenschappelijk begrip, ook bij columnisten, van de achtergrond en de principes van de richtlijnen en van hun (historische) plaats in het internationale beleid. Het zou de kwaliteit van het debat ten goede komen.