*

Het meisje met de groene ogen :: nrc.nl

Het meisje met de groene ogen

U kent haar allemaal, het meisje met de heldere groene ogen. Vanonder haar hoofddoek van ruwe stof kijkt ze ons wantrouwend aan. Ze is het symbool van het verdriet van Afghanistan. Fotograaf Steve McCurry ontmoette haar in 1985 in een vluchtelingenkamp in Peshawar en zette haar op de omslag van National Geographic Magazine. Daarmee werd ze een van de meest bekende naamlozen van onze tijd.

Sinds het begin van de strijd tegen het terrorisme in Afghanistan is haar beeld overal te zien, tot op kerstkaarten aan toe. In haar doordringende blik is veel gelezen: de uitzichtloosheid van het Afghaanse volk, de rechteloze situatie van Afghaanse vrouwen, de onmogelijke dialoog met het Westen, de wonderbaarlijke etnische smeltkroes van het land.

Na zeventien jaar spoorde McCurry haar met veel moeite weer op. Ze bleek te wonen met haar man en drie kinderen in een afgelegen deel van het land, geheel onbewust van haar bekendheid. Ze leeft niet meer in een vluchtelingenkamp, maar materieel heeft haar bestaan zich nauwelijks verbeterd. Op de nieuwe foto die de fotograaf in 2002 maakte is ze ongeveer dertig jaar oud, al lijkt ze eerder vijftig. Ze heeft nog steeds dezelfde mooie ogen, maar haar gezicht is hard geworden, de mond resoluter, en haar haren en voorhoofd zijn volledig bedekt door een sluier.

Ze zal er geen weet van hebben dat vandaag in Den Haag een belangrijke top plaats vindt die zijn weerslag op haar leven zou kunnen hebben. Na de voorbereidende bijeenkomst in Moskou, vorige week, van de niet-westerse landen, opent de vergadering in Den Haag onder een goed gesternte. Obama’s nieuwe beleid leidt ertoe dat Afghanistan (met Pakistan) nu als een regionaal probleem wordt gezien waarvoor ook regionaal oplossingen moeten worden gezocht, met Iran, Rusland en China. De doelstellingen zijn helder geformuleerd: bestrijding van het terrorisme, versterking van de militaire capaciteit, leger en politie, gekoppeld aan wederopbouw. Dus geen onrealistische grootspraak meer over het vestigen van een democratie en de gelijkberechtiging van meisjes. Van allerlei kanten is gesuggereerd dat de menselijke benadering van Nederlandse soldaten exemplarisch kan zijn. En natuurlijk: iedere keer dat een kind niet hoeft te schrikken van een zwaargewapende soldaat is meegenomen, net als iedere keer dat de bevolking niet in de verleiding wordt gebracht om meeloper te worden van terroristen dankzij de zichtbaar goede bedoelingen van de vredesmacht.

Maar in de euforie over de nieuwe aanpak van Obama en zijn deels Nederlandse inspiratie wordt vergeten dat juist die wederopbouw nog steeds bijzonder problematisch is. Op het gebied van wederopbouw en ontwikkeling in voormalige conflictgebieden heeft het Westen weinig te bieden. Voorzichtig begint er sinds kort iets te ontluiken in Liberia en Oost-Timor, maar over Rwanda, ooit de lieveling van westerse donoren, is een schaduw gevallen wegens de betrokkenheid bij de Congolese rebellen.

Het grootste risico bij de wederopbouw in Afghanistan is wat ik de valkuil van de misplaatste praktische hulp zou willen noemen. Hoe makkelijk wordt wederopbouw niet gelijkgesteld met praktische en meetbare resultaten zoals waterputten, schoolgebouwen en zaaizaad. Uiteraard is er niets tegen dit soort zaken als zodanig, maar ontwikkelingslanden, van Bolivia tot Benin, zijn bezaaid met dichtgeslibde putten, verstopte latrines en half ingestorte klinieken. Dergelijke hulp heeft alleen een blijvend effect als die ingebed wordt in een lokaal kader, met duidelijke verantwoordelijkheden voor onderhoud en eerlijk gebruik.

Waar is wederopbouw wel gelukt? Eigenlijk alleen als er een legitieme overheid bestond of ontstond, economische groei werd gestimuleerd – dus basisvoorwaarden aanwezig waren zoals de zekerheid van landrechten, minimale financiële diensten, een juridisch betrouwbaar systeem, infrastructuur op het platteland en massale scholing. En er is overigens ook geen land ter wereld dat zich zonder ontwikkeling van zijn landbouw heeft kunnen moderniseren. Voor Afghanistan blijft de landbouw een urgent probleem wegens de papaverteelt waarvoor geen eenvoudige alternatieven bestaan (ik schreef daar al over in mijn column in januari 2008).

Het mooiste voorbeeld van wederopbouw vormt Vietnam, een land dat dezer dagen veelvuldig wordt aangehaald in verband met Afghanistan als voorbeeld van een oorlog ver weg die de Verenigde Staten niet konden winnen. Wie het huidige succes van Vietnam bestudeert, ziet dat bij de wederopbouw na die traumatiserende oorlog buitenlandse hulp nauwelijks een rol heeft gespeeld. De kracht van de regering die een nationale eenheid vooropstelde, de onmiskenbare ondernemingszin en veerkracht van de bevolking, alsmede een periode van gunstig economisch klimaat in de regio, waren doorslaggevende factoren. De snelheid waarmee vernieuwingen van elders werden gekopieerd en aangepast, stoelde mede op een wijdverbreid onderwijssysteem.
Deze factoren zijn grotendeels afwezig in Afghanistan en het is evident dat steun van buiten nodig is. Het is echter essentieel dat we niet blijven steken in vaagheden over wat de wederopbouw moet inhouden, of ons beperken tot praktische details, noch in genereuze financiële toezeggingen, maar komen tot een concreet plan op de lange termijn voor technische en economische ontwikkeling. De Afghaanse overheid en de regionale partners zullen daarbij hulp nodig hebben, maar het moet hún plan zijn, zelfs al duurt het lang voordat dat geformuleerd wordt.

En dan nog iets: in Vietnam spelen vrouwen een belangrijke rol, als ondernemers, in het onderwijs en in de regering. In Afghanistan, waar enerzijds een hele generatie vrouwen van school is gehouden en anderzijds het meelopen met de Talibaan voornamelijk een mannenzaak is, zouden de inspanningen zich expliciet op vrouwelijk leiderschap moeten concentreren. En wie weet biedt dat ooit een toekomst voor de dochters en kleindochters van het naamloze meisje met haar groene ogen.

Geplaatst in:
Algemeen

12 reacties op 'Het meisje met de groene ogen'

Joop Schouten

Geweldig goed inhoudelijk stuk Louise. Bedankt.
Van jongs af aan heb ik veel meer met vrouwen dan met mannen te maken gehad. Hoewel een Nederlandse situatie niet valt te vergelijken met die in Afghanistan weet ik dus ook uit ervaring dat vrouwen het enige echte sterke geslacht zijn. Het zou fijn zijn als in toekomstige plannen voor Afganistan vrouwen de belangrijkste rol gaan spelen. Als er maar geen ‘Boudica’ tussen zit (koningin van de Keltische stam Iceni) die uiteindelijk medeverantwoordelijk was voor de totale vernietiging van haar volk inclusief haar kinderen.

Veronica Cramer

Wat mogelijk is in Vietnam voor vrouwen zal niet mogelijk zijn in Afghanistan.
U legt zelf de vinger al op de zere plek. Het onderwijs in Afghanistan is hopeloos zowel voor mannen als vrouwen. Om de lokale Afghaanse politiemacht aan het leren te krijgen kost grote moeite.
Afghaanse vrouwen zijn wat meer gemotiveerd maar zijn nogal ontmoedigd, mede omdat mannen het niet op prijs stellen. Als ik kans liep op een bak accuzuur in mijn gezicht, bleef ik ook thuis van school.

Hoe dommer de mannen zijn in een samenleving des te gevaarlijker zijn ze voor vrouwen.
Dat was in Vietnam nooit het geval.

Jos van der Velden

Uw column “Het meisje met de groene ogen” deed mij besluiten onze poging een project in Oeganda te realiseren. Naar mijn mening sluit dit aan bij de strekking. Mogelijk heeft u tips om de juiste bronnen aan te boren.“TUCHWEMU”-project in West Oeganda

“WE TAKE ACTION”

Het project

Het “Tuchwemu”-project heeft tot doel, de groep van 55 families in een dorpje in West Oeganda, genaamd Kyakabeizi, de mogelijkheid te bieden om eigen inkomsten te gaan genereren voor eten, schoolgeld voor de kinderen en (de premie voor) de primaire gezondheidszorg.

Introductie

10 jaar geleden heb ik tijdens mijn werk als ontwikkelingswerkster, in een dorpje in West Oeganda genaamd Kyakabeizi, Kembabazi Monicah leren kennen. Ze was toen 17 jaar en moest nog beginnen met de middelbare school. Omdat haar ouders, aan AIDS, waren overleden werd ze, samen met haar 6 broers en zussen, door haar oma verder opgevoed. Er was voor de kinderen geen geld om naar school te kunnen gaan. Ze woonden in een plaggenhut net zoals de meeste van de andere gezinnen uit het dorp.
Met financiële hulp van familie en vrienden in Nederland kon Monicah naar school gaan, heeft ze in 2005 haar O’levels gehaald (te vergelijken met MAVO-niveau), heeft ze een baan kunnen krijgen in het lokale ziekenhuis van Ishaka, als assistent verpleegkundige in opleiding en zorgt ze nu voor een redelijk bestaan voor haar broers en zussen en haar oma.
Tijdens het bijwonen van haar huwelijk begin december 2008 viel me op, dat er zo weinig veranderd was in haar kleine dorpje. Dezelfde plaggenhutjes, latrines en kinderen die in versleten afdankertjes rondliepen en niet naar school gaan. Hoe is het toch mogelijk dat alle ontwikkelingshulp, welke al meer dan 20 jaar aan het land wordt gegeven, hier op microniveau zo weinig effect heeft gehad. Het is eigenlijk te schokkend voor woorden wat je aantreft in zo’n dorp, wetende hoeveel geld er wordt uitgegeven aan allerlei hulpprojecten.
Daarom wil ik deze gemeenschap zelf te gaan helpen.

Achtergrond

Het dorp, de community Kyakabeizi, bestaat uit 240 mensen verdeeld over 55 families, waarvan er 22 bestaan uit weeskinderen. Weeskinderen in Oeganda zijn wees als ze 1 of 2 ouders niet meer hebben. Veel mensen in de leeftijd van 25 tot 40 jaar zijn overleden aan AIDS. Hierdoor bestaat de community vooral uit veel (wees)kinderen en veelal ouderen (50+).
Samen met mijn moeder heb ik in februari 2009, tijdens een lokale bijeenkomst, met de mensen uit Kyakabeizi, gesproken over hun ideeën om geld te genereren voor eten, schoolgeld voor de kinderen of om gezondheidszorg te kunnen betalen.
Vorig jaar augustus hebben ze een association opgericht: de “Kyakabeizi Twimukya Association’”. “Twimukya” betekent “geven van kracht”. Deze Association had verschillende initiatieven, zoals:
- Een ‘Savings and Credit Scheme” (Micro Financiering) opzetten. Ze wilden dat elke familie een bedrag van 30 eurocent elke maand opzij zet op de gezamenlijke bankrekening zodat mensen van het verzamelde bedrag een lening kunnen krijgen. Deze wordt dan met rente terugbetaald. Helaas konden de meeste mensen die 30 eurocent per maand niet opbrengen.
- Een partytent en stoelen en borden etc kopen om te verhuren tijdens trouwerijen en doopfeesten etc. Zij hebben de overtuiging dat daar een markt voor is. Ze hadden bedacht dat elk gezin een bedrag van 4 euro zou geven. Met het bedrag van 220 euro wilde ze de spullen gaan kopen. Helaas hebben tot nu toe 4 gezinnen kunnen bijdragen.
Het ontbreekt dus aan geld. Van de ruim 240 mensen die er wonen hebben er 7 een vaste baan, als bewaker of leraar op een plaatselijke school. Al de andere families leven van hun kleine stukje land. Deze mensen hebben op goede dagen misschien 1,000 shs (30 eurocent) om uit te geven. De meeste dagen hebben ze niks. Hoe ze overleven? Dat vragen wij ons ook soms af hier. Maar omdat het land heel vruchtbaar is kunnen de meeste mensen toch wel wat verbouwen dat net genoeg is voor eigen consumptie. Maar daar houdt het dan wel mee op.

Het idee

Door mijn ervaringen van de afgelopen 10 jaar met ontwikkelingshulp ben ik ervan overtuigd geraakt dat mensen het beste zelf hun geld kunnen verdienen in plaats van afhankelijk te moeten zijn van anderen. Er zijn veel goede ideeën en plannetjes bij de mensen maar het ontbreekt aan startkapitaal. Dat is het grootste probleem. Microfinanciering heeft geprobeerd dat probleem op te lossen maar dat is voornamelijk in de stedelijke gebieden gelukt. Voor het platteland is het erg moeilijk
om in aanmerking te kunnen komen voor een lening bij een microfinancierings instituut omdat men onderpand moet kunnen geven en de rentes zijn erg hoog. De mensen van deze gemeenschap kunnen dit gewoonweg niet betalen. Daarom willen we nu eens proberen de “Kyakabeizi Twimukya Association’” het gewenste startkapitaal te geven om, via de verhuur van een partytent, geld te kunnen genereren. De inkomsten van de verhuur wordt op de bankrekening van de “Kyakabeizi Twimukya Association’” gezet. Individuele families kunnen dan geld gaan lenen. De gemeenschap zal hiervoor regels opstellen, die ervoor moeten zorgen dat het geld op een gestelde termijn wordt terugbetaald met een kleine rente. Hierdoor zal het geld blijven groeien. De leningen mogen ook alleen maar worden gegeven voor het genereren van meer geld zoals kippen aankopen om de eieren te verkopen op de markt. Of voor het aankopen van varkens. De kleine biggetjes die daarna kunnen worden verkocht leveren weer elk 12 euro op. Zo kunnen ze hun kleine ‘businessjes” stimuleren en kan er dus geld worden verdiend. Het mag niet worden geleend voor bijvoorbeeld het betalen van schoolgeld van de kinderen omdat het dan moeilijk gaat zijn om zeker te zijn dat het kan worden terugbetaald want waarmee gaan ze dan het gewenste bedrag plus rente terugbetalen?

Het Plan

Om aan het geld te komen voor het startkapitaal, minimaal 5000 euro, vragen wij geld te storten op onderstaande rekening of een leuk product uit Oeganda te kopen, waarvan de winst 100 % ten goede komt aan het startkapitaal.
Er zijn hier in Oeganda verschillende vrouwengroepen die b.v. van oud papier kraaltjes maken, voor mooie kettinkjes en armbandjes. Deze ‘paper beads’ zijn erg populair bij toeristen. Ze zien er mooi uit, zijn duurzaam, is gerecycled materiaal en zijn door lokale mensen gemaakt.. Zo ook zijn er groepen die papier maken van de bast van de bananenboom, olifantengras en ananasafval; hiervan worden dan weer doosjes gemaakt. Nu heb ik het idee opgevat om deze doosjes met losse kraaltjes te verkopen voor kinderen om zelf kettinkjes, armbanden e.d. te maken. Meisjes in het bijzonder vinden het vaak leuk om sieraden te maken. Een leuk cadeautje voor een meisje tussen de 7 en 12 jaar en volledig gemaakt in Oeganda. Naast de doosjes worden er ook wenskaarten gemaakt. Zo ook maakt men mandjes van sisal.
De mensen die deze producten maken zijn hiermee ook geholpen met de inkomsten van de verkoop.

De producten zijn te koop op de voorjaarsmarkt in Heemstede op 19 april a.s.

Het plan is dus om tenminste 5000 euro te verzamelen. Dit bedrag zal in fases worden overgemaakt op de bedoelde bankrekening. Een Oegandese maatschappelijk werker, Kakunta Daniel, die ik goed ken en die de mensen van deze community goed kent zal eens in de paar weken gaan kijken en de groep begeleiden bij het opzetten en beheren van het leningensysteem. Hij zal aan mij rapporteren en dan zal ik proberen om eens in de 3 maanden op bezoek te gaan.

Er zijn verder nog wat ideeën om ook vrouwen van Kykabeizi te laten trainen in het maken van deze kraaltjes, kettinkjes en mandjes die we zouden willen verkopen in Nederland en België. Dan kunnen ze hiermee ook een eigen business maken. Hiervoor is echter natuurlijk wel afzetmarkt nodig. Die hopen we dan in Nederland en België te vinden.

We noemen dit project “TUCHWEMU” hetgeen in de lokale taal van dat gebied, Runyankore genaamd, betekent: WE TAKE ACTION. Dit is het gevoel dat mij overkwam toen ik weer terug was geweest in Kyakabeizi. Het is tijd om eens actie te ondernemen. We nemen het heft in eigen handen en gaan gewoon zelf aan de slag om deze mensen uit de armoedespiraal te halen. Het zijn allemaal mensen die net zoals u en ik hun dromen hebben voor zichzelf en voor hun kinderen. Helaas hebben ze niet de middelen om hun dromen tot werkelijkheid te laten komen. Laten we ze een handje helpen. Dit hebben ze zo verdiend!!
Natuurlijk zijn er geen garanties dat het lukt maar ik wil mijn best doen om het te proberen. En als we het niet proberen weten we het nooit. Zoals ik al vermelde: “met de grote ontwikkelingsbudgetten die in Oeganda binnenstromen is het niet gelukt”.

Mocht u geraakt zijn door dit verhaal en ook denken ik wil hieraan meedoen, dan kunt u geld doneren op onderstaande bankrekening in Nederland. Als u meer informatie wilt kunt u mij altijd een e-mail sturen op emailadres rombouts@utlonline.co.ug

Naam rekening: Tuchwemu
Rekeningnummer: 384465862 te Heemstede

Wilt u op de hoogte blijven van het project, vermeld dan uw e-mail-adres op uw overschrijving.

Webare munonga munonga
(heel veel dank in het Runyankore)

Ingrid van ’t Hof

Ernst Weber

Mevrouw Fresco noemt een aantal elementen die volgens haar het succes van Vietnam verklaren.In haar beschouwing gaat zij echter aan het allerbelangrijkste element voorbij, n.l. de afwezigheid van de islam in dat land. Als Vietnam een islamitisch land zou zijn geweest dan was er van de wederopbouw weinig tot niets terecht gekomen. Het islamitische Afghanistan zal – op eigen benen – nimmer de wederopbouw zoals die in Vietnam heeft plaatsgevonden, meemaken. Zonder permanente aanwezigheid van het Westen (een schier onmogelijke en ook ongewenste opdracht) keert Afghanistan terug in de tijd van de middeleeuwen.

Lisa de Wit

Jammer dat er geen link staat naar die column van Louise Fresco in december 2007. Dat is nu iets wat zo makkelijk kan met internet.

A.L.van dale

Volgens mij geeft mevr.Fresco precies het basis probleem bij de ontwikkelingshulp.Al die landen die zich willen ontwikkelen moeten dat zelf doen.Alleen de eigen activiteit, initiatieven en normen kunnen de grondsslag vormen voor een samenleving aangepast aan de eigen cultuur.Volgens mij wordt dat nog steeds door de meeste westerse hulporganisaties vergeten.mevr.Frasco haalt terecht het voorbeeld van Vietnam aan waar de welvaart van de samenleving geheel op eigen kracht is bereikt.Ik denk dat we hetzelfde kunnen zeggen van China en, heel lang geleden,ook Japan.Dit recept zal volgens mij ook toegepast moeten worden op Afghanistan.Daar zal een dergelijk proces vele jaren duren als gevolg van de sterke invloed van de wahabitische strenge religie dat het volk op termijn zal moeten hervormen alvorens af te komen van een aantal belemmeringen die de religie het volk oplegt.Ze moeten het echter helemaal zelf doen en de leiders zullen het volk echt moeten stimuleren zelf de gereedschappen ter hand te nemen.Tenslotte, mevr.Fresco wijst daar tot mijn verwondering niet op,is het opvallend dat deze zelfontwikkeling wel goed lukt in Oost-Azie maar niet bij de Islamitische naties en in Afrika.In het laatste geval wil ik wijzen op de kritiek op de westerse ontwikkelingshulp door Maria Luyten in het NRC van vorige week en op het boek “De crisis karavaan”van Linda Polman.

jacques van Rooijen

goed artikel met warmte en betrokkenheid geschreven. Wel wat kanttekeningen
Er wordt wel vaker geroepen de bevolking, het land moet het zelf doen. Maar zeker
In Afganistan is er geen sprake van één volk of één land. Het zijn gebieden en krijgsheren en een mannen maatschappij. Vraag is natuurlijk hoe de meer
Progressieve krachten een rol van betekenis kunnen gaan spelen, waaronder natuurlijk
Vrouwen.

Jan van Puffelen

De naam van het meisje was Sharbat Gula.

Paul Jansen

Geachte mevr. Fresco,
In uw column van 31 maart schrijft u:
Voor Afghanistan blijft de landbouw een urgent probleem wegens de papaverteelt waarvoor geen eenvoudige alternatieven bestaan.
Dag geeft mij aanleiding tot het volgende.

Die papaverteelt in Afghanistan is het begin van een cynische kringloop. De boeren verkopen hun papavers aan de Taliban. De Taliban bewerkt en verscheept de drugs naar het westen via allerlei criminele tussenorganisaties. In het westen kopen de verslaafden de drugs tegen hoge prijzen die ze alleen kunnen betalen door criminaliteit. Het westen stuurt soldaten om die Taliban te bestrijden, soldaten waarvan een aanzienlijk aantal er het leven bij laat.
Wij betalen dus de Taliban, wij betalen enorme sommen om de criminaliteit te bestrijden. Een circus waar je volstrekt cynisch van wordt. Je zoon of dochter zal maar sneuvelen of gehandicapt terugkomen van deze opbouwmissie.

Met gewoon gezond verstand zeg je toch:
Het westen koopt voor het dubbele van de huidige prijs de oogsten in Afghanistan. Vernietigt het meeste, gebruikt een deel om geregistreerde verslaafden aan hun noodzakelijke dosis te helpen. Waarmee de boeren een goed bestaan hebben, de verslaafden ook, de wereld miljarden bespaart aan criminaliteit en bestrijding. Want zoiets geldt natuurlijk ook voor Mexico en vele andere landen.

Misschien iets om in een volgende column te verwerken?

John Kleinen

Louise O. Fresco’s vergelijking van de stagnerende wederopbouw in Afghanistan met die van Vietnam na 1975 is al even simpel als verbazingwekkend (zie NRC-Handelsblad van 31 maart jl.). Waar komt toch die westerse romantische opvatting vandaan van het o zo economisch succesvolle Vietnam dat op eigen kracht de gevaren van de neo-liberale Washington concensus heeft weten te omzeilen? Door te beweren dat buitenlandse hulp nauwelijks een rol heeft gespeeld, laat collega Fresco wel erg goed doorschemeren dat zij het huidige succes van Vietnam niet goed heeft bestudeerd. Vietnam is sinds 1993, het jaar waarin de Official Development Aid (ODA) door de westerse regeringen, Japan en de VS op gang kwam, en 2003, over een enigszins vergelijkbare periode een bedrag van 25,4 miljard US$ in het vooruitzicht gesteld, waarvan 77 % in de vorm van schenkingen (grants) en leningen (loans). Dat is weliswaar bijna de helft van wat Afghanistan in een kortere periode tussen 2001 en 2007 aan ODA kreeg (toegezegd), namelijk 60 miljard US dollars, maar van een reguliere en stabiele situatie is nauwelijks sprake. Door deze situatie met het Vietnam van nu te vergelijken worden appels met peren vergeleken.
Het zou handiger zijn geweest als Louise Fresco de hulp voor de wederopbouw aan Afghanistan zou hebben vergeleken met die van de Amerikanen aan de toenmalige regering van Zuid-Vietnam. Die hulp was namelijk van dezelfde orde, maar wel van een veel grotere omvang: een gecombineerde militaire en civiele assistentie (inclusief de fameuze “Provincial Reconstruction Teams” (PRT) die toen “Civil Operational and Revolutionary Development Support” (CORDS)-eenheden heetten en die zoals bekend hebben geleid tot het beruchte Phoenix programma).
Het Vietnam van toen lijkt dan ook in veel meer opzichten op het Afghanistan van nu. Alleen al in 1967, het jaar vóór het Tet-offensief dat psychologisch gesproken de Amerikaanse inzet een klap toebracht, beschikten 2000 ontwikkelingswerkers van USAID in Zuid-Vietnam over een jaarlijks budget van 550 miljoen dollars (dat tegenwoordig 3,4 miljard zou bedragen). Het huidige budget van dezelfde organisatie bedraagt voor Afghanistan in 2009 1,05 miljard!
Het is onwaarschijnlijk dat president Obama nu hetzelfde voorstelt als zijn voorgangers in Vietnam destijds, maar het resultaat zou wel eens eender kunnen zijn: een exit- en pacificatiestrategie met het inzetten van burgers die uiteindelijk de regering in Kaboel net als die van Zuid-Vietnam toen de kop kost.

John Kleinen

Louise O. Fresco’s vergelijking van de stagnerende wederopbouw in Afghanistan met die van Vietnam na 1975 is al even simpel als verbazingwekkend (zie NRC-Handelsblad van 31 maart jl.). Waar komt toch die westerse romantische opvatting vandaan van het o zo economisch succesvolle Vietnam dat op eigen kracht de gevaren van de neo-liberale Washington consensus heeft weten te omzeilen? Door te beweren dat buitenlandse hulp nauwelijks een rol heeft gespeeld, laat collega Fresco wel erg goed doorschemeren dat zij het huidige succes van Vietnam niet goed heeft bestudeerd. Vietnam is vanaf 1993, het jaar waarin de Official Development Assistance (ODA) door de westerse regeringen, Japan en de VS op gang kwam, tot 2003, een bedrag van 25,4 miljard US$ in het vooruitzicht gesteld, waarvan 77 % in de vorm van schenkingen (grants) en leningen (loans) ook is besteed. Sindsdien is dat bedrag alleen maar toegenomen. Afghanistan heeft tussen 2001 – 2007 60 miljard US dollars gekregen (van de door de WB geschatte 90 miljard die nodig zou zijn), maar van een reguliere en stabiele situatie is nauwelijks sprake. Door deze situatie met het Vietnam van nu te vergelijken worden appels met peren vergeleken.
Het zou handiger zijn geweest als Louise Fresco de hulp voor de wederopbouw aan Afghanistan zou hebben vergeleken met die aan de toenmalige regering van Zuid-Vietnam (1955-1975). Die hulp was namelijk van dezelfde orde, en qua omvang zelfs groter dan wat nu in Afghanistan wordt uitgegeven: een gecombineerde militaire en civiele assistentie (inclusief de fameuze “Provincial Reconstruction Teams” (PRT) die toen “Civil Operational and Revolutionary Development Support” (CORDS)-eenheden heetten en die zoals bekend hebben geleid tot het beruchte Phoenix programma). Omgerekend had USAID in de jaren zestig een bedrag van 3,4 miljard dollar ter beschikking tegen 1,05 miljard in Afghanistan nu.
Het Vietnam van toen lijkt dan ook in veel meer opzichten op het Afghanistan van nu. Het is onwaarschijnlijk dat president Obama nu hetzelfde voorstelt als zijn voorgangers in Vietnam destijds, maar het resultaat zou wel eens eender kunnen zijn: een exit- en pacificatiestrategie met het inzetten van burgers die uiteindelijk de regering in Kaboel net als die van Zuid-Vietnam toen de kop kost.

Ingrid van 't Hof

Op 31 maart heeft Jos van der Velden op uw column gereageerd met ons projectplan ‘Tuchwemu’ in Oeganda. In de eerste plaats, dank je Jos dat je dit hebt ingestuurd. Toch wil ik mijn context over het opzetten van dit project nog verduidelijken. Ik woon en werk nu ruim 10 jaar in Oeganda en ben als ontwikkelingswerkster voor VSO in 1998 in Oeganda gekomen. Tijdens de eerste 7 jaar hier heb ik gewerkt op het gebied van opzetten van micro health insurance in Oeganda en heb daardoor veel gewerkt met internationale donor organisaties, Ministry of Health of Uganda, lokale overheden en vele Ugandezen. Door deze jaren heen is mij steeds duidelijker geworden dat de ontwikkelingssamenwerkingsvormen die gehanteerd worden niet of nauwelijks werken. Er is al veel geschreven door vele mensen over het ‘waarom’ en ik zal dat nu niet gaan herhalen. Er zijn zoveel factoren die daartoe hebben geleid en de meeste kennen we zo langzamerhand wel.

Helaas heeft de Nederlanse overheid een aantal jaren geleden besloten om aan ‘budget support’ te doen in Oeganda. De grote sommen ontwikkelingsgeld wordt aan de Oegandeze overheid gegeven en dan moeten zij dat geld in hun jaarlijkse budget over educatie, gezondheidszorg, opbouw van locale overheden etc worden verdeeld. Toen al dacht ik: dit gaat niet werken. En tot nu toe moet ik inderdaad vaststellen dat ook dit niet goed gaat. Het geld wordt over de balk gegooid, verdwijnt in de zakken van een aantal hooggeplaatste officials en het komt dus niet aan op de grass root level zoals dat zo mooi heet in ‘ontwikkelings terminologie’. Natuurlijk zijn er wel een aantal succesjes aan te bieden maar in vergelijking van het totale aantal gelden dat hier binnenkomt ten opzichte van de succesverhalen komt er maar bar weinig terecht van de plannen. In de loop der jaren ben ik door schade en schande wijzer geworden ten opzichte van ontwikkelingswerk en ben helaas steeds cynischer geworden over ontwikkelingssamenwerking, vooral op macro niveau. Als je hier woont en werkt zie je en maak je dagelijks mee wat de impact is van al dat donor geld dat binnenkomt. Erg weinig dus.
Ja, er wordt in Kampala, de hoofdstad, enorm veel gebouwd, er komen steeds meer grote supermarkten en er rijden steeds meer auto’s. Dat is misschien ontwikkeling maar dat is voor een zeer beperkte groep Ugandezen. De grote groep woont nog steeds in slums, hebben geen schoon water, geen goede gezondheidszorg en de kinderen gaan of niet naar school of gaan naar een school waar de kwaliteit van lesgeven zo bar slecht is dat ze uiteindelijk nog steeds niet kunnen lezen of schrijven als ze 12 jaar zijn. En buiten Kampala, op het platteland, woont nog steeds de grootste groep mensen.En daar gebeurt te weinig.

De hoeveelheid mensen die hier werken in de ontwikkelingssamenwerkingssector is enorm! Duizenden en duizenden blanken lopen hier rond, vergaderen wat af, zitten in prachtige kantoren, doen de ene workshop na de andere workshop, gaan 1x per jaar naar een schooltje in Noord Oeganda op bezoek en gaan na een contract van 2 of 3 jaar weer weg en denken dan dat ze een bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van Oeganda. Ik wil zeker de mensen die hier wel goed werk leveren niet tekortdoen en wil er dan wel op wijzen dat er ook goede dingen gebeuren alleen het is zo weinig ten opzichte van al het geld dat wordt gespendeerd. En meestal zijn dit ook mensen die hier al heel lang zitten, ingebed zijn in de samenleving en niet maar 2 of 3 jaar blijven. Deze mensen hebben de tijd gehad om de Oegandeze cultuur een beetje beter te begrijpen waardoor bepaalde plannen wel tot een succes komen. Naar mijn mening zit een grote oorzaak van de mislukkingen dus ook in het feit dat er teveel mensen zijn die hier te kort zijn en zich niet genoeg in de Oegandeze cultuur verdiepen en niet onder de Oegandezen komen of alleen maar met gegoede Oegandezen die een goede baan hebben en gestudeerd hebben. Veel plannen worden achter bureaus bedacht in mooie kantoren, tijdens de vele workshops in dure hotels zowel in het Westen als in Oeganda maar nemen vaak niet de sociale en culturele factoren in acht die van zo’n enorm belang zijn voor het wel of niet slagen van een plan. Ik wil niet pretenderen dat ik de Oegandeze cultuur nu helemaal begrijp na 10 jaar want dat is absoluut niet zo. Ik denk juist dat wij deze cultuur nooit helemaal zullen doorgronden en nooit helemaal zullen snappen hoe, wat en waarom bepaalde dingen zijn zoals ze zijn. Maar dat moet geen reden zijn om helemaal niets meer te doen. En we moeten een poging doen om deze mensen en hun tradities te begrijpen of in ieder geval te accepteren en daarmee om te gaan in hun eigen omgeving binnen hun eigen waarden en normen.
Ik refereer graag naar de columns van Marcia Luyten die ook hier in Oeganda woont en wekelijks haar ervaringen beschrijft in haar columns en ook een aantal goede artikelen hierover heeft geschreven in het NRC.

Het idee van mijn project plan is dan ook gekomen door mijn bezoek terug aan een community waar ik 10 jaar geleden mee in contact ben gekomen. Het feit dat ik een band heb met die community heeft mij ertoe gezet om iets op te zetten in die specifieke community. Ik pretendeer niet dat ik het allemaal zo goed weet maar ik heb door mijn ervaringen veel lessen geleerd die ik nu wil gebruiken om dit project tot een succes te laten komen. Het enige jammere is dat ik 6 uur rijden af woon van deze community en zelf 3 kinderen heb zodat mijn fysieke aanwezigheid daar om het een en ander te monitoren wat moeilijk is. Maar er is gelukkig een geweldige Ugandeze sociaal werker die daar in Ishaka woont die dit project wil begeleiden. Hij is een van de weinige eerlijke en betrouwbare mensen die ik heb leren kennen in Oeganda.

Dus ondanks al mijn ervaringen met ontwikkelingshulp heeft mijn sociale rechtvaardigheidsgevoel, waarvoor ik oorspronkelijk naar Oeganda kwam, het nu toch gewonnen van het cynische (lange tijd was dit andersom) en wil ik toch eens kijken of ik nu iets kan opzetten dat impact heeft op een relatief kleine groep mensen. En als deze mensen hiermee geholpen zijn dan ben ik een gelukkig mens. Want daar gaat het toch om volgens mij.. elkaar helpen waar je kan. Dat geeft enorme voldoening. Naar mijn mening hebben kleinschalige, goed doordachte projecten, in samenwerking met de lokale bevolking en in acht nemende van hun tradities, hun kunnen en de cultuur veel meer impact dan het geven van grote sommen aan een overheid van een ontwikkelingsland. Een gebouwtje neerzetten voor een school of ziekenhuis is makkelijk. Maar zorgen dat er dan ook leraren zijn die les kunnen geven, die een redelijk salaris krijgen en er schoolmateriaal is of dat er artsen en verplegend personeel is in een ziekenhuis en die worden betaald en er ook een constante levering van medicijnen is, tja dat is een heel andere tak van sport. En daar gaat het vaak falikant mis. En daarbij komt dat ik meer geloof heb in het economisch ontwikkelen van de mensen en het land waardoor ze uiteindelijk zelf het schooltje of het ziekenhuis kunnen neerzetten en het personeel kunnen betalen.

Als mensen mee willen doen dan verwijs ik graag naar het rekeningnummer in de reactie van Jos van der Velden. Ik doe alles op vrijwillige basis en al het geld dat wordt gedoneerd zal dus naar het project gaan. Ik weet het, het is financiele crisis, maar juist deze mensen zijn daar nog veel meer de dupe van. Met het omhoog gaan van de dollar wordt alles duurder en komen ze nog dieper in de armoede terecht. Ik roep mensen op die wat extra geld hebben of juist bedrijven die enorme winsten maken om wat geld aan een project als deze te doneren. Het bedrag dat nodig is om deze mensen uit ge armoedespiraal te halen is echt niet zo enorm groot. Het is echt niet nodig om honderdenduizenden Euro’s te hebben om een project als deze te doen slagen zolang het maar goed wordt besteed.

Ingrid van ‘t Hof