Rotterdam, 9 juni. De Europese verkiezingen hebben in de meeste lidstaten rauwe onvrede zichtbaar gemaakt. Aan de rechterzijde zijn politieke partijen opgekomen en sterker geworden die, in de woorden van politicoloog Jos de Beus, „iedere democraat de stuipen op het lijf jagen”.
De etiketten verschillen. Racistisch. Xenofoob. Ultranationalistisch. Populistisch. Rechts-extremistisch. Anti-liberaal. Anti-islam. Maar tel ze bij elkaar op. De PVV in Nederland en het Vlaams Belang in België. De Groot-Roemenen en de Ware Finnen. De Deens Volkspartij, de Oostenrijkse Vrijheidspartij en de ultranationalistische partijen in Hongarije, Bulgarije en Slowakije. Dan wordt duidelijk dat Europa over rechts aan het radicaliseren is.
Uit het zicht verdwenen
De onderlinge verschillen tussen de radicaal-rechtse partijen uit de verschillende lidstaten zijn groot. Wilders heeft ooit gezegd dat hij niets voelt voor samenwerking met ultranationalistische partijen uit Oost-Europa, omdat hem bij lezing van hun partijprogramma’s „de rillingen over de rug” liepen.
„Je moet inderdaad oppassen al die partijen over één kam te scheren”, zegt De Beus. „Iedere partij neemt de kleur aan van het land en zijn geschiedenis. Neem Pim Fortuyn. Die moet je plaatsen in de anti-autoritaire traditie van Nederland. Hij was in feite een omgebouwde 68’er. Heel anders dan Filip Dewinter van het Vlaams Belang. Die komt voort uit wat je een geschiedenis van Vlaams verdriet kunt noemen. Je moet in je analyse beginnen met goed naar de lokale verschijningsvorm te kijken.”
„Ten eerste alles wat te maken heeft met globalisering: een reactie op immigratie, overname door buitenlandse bedrijven en algemene onzekerheid over de vraag of je standaard van vrijheid en welvaart wel kan blijven bestaan.
„De tweede factor is het politieke systeem. Dat begint met het idee van regenten en een politieke klasse die de band met de kiezers is kwijtgeraakt. Je kunt dit thema eindeloos uitbreiden: het verdwijnen van de traditionele volkspartijen en van een verbindende ideologie, de groeiende rol van de media, de opkomst van wat ik een toeschouwersdemocratie noem.”
Anti-westerse kritiek
De Beus denkt dat vooral de eerste factor in Oost-Europese landen net zo hard speelt als in West-Europa. Laszlo Maracz, docent Oost-Europese Studies, nuanceert dat. Hij omschrijft de als ‘radicaal rechts’ gerubriceerde partijen in Hongarije, Roemenië en Bulgarije liever als anti-westers dan als extreem-rechts of fascistisch. „Waar een partij als Jobbik in Hongarije rechts in is, is in een overdreven beleving van de eigen cultuur,” zegt Maracz. „Maar in hun economische opvattingen zijn ze eerder links, met aandacht voor de boeren en het platteland. Die boeren zijn in het proces van liberalisering en modernisering in de steek gelaten. Ze merken dat hun producten de concurrentie niet aankunnen. Daar speelt Jobbik op in met oproepen om alleen producten uit eigen land te kopen.”
De anti-westerse kritiek beperkt zich niet tot de markteconomie, zegt Maracz. „Ze zetten ook vraagtekens bij klassieke westerse paradepaardjes als mensenrechten en democratisering. En bij respect voor de internationale orde: met name in Hongarije en Roemenië spelen grensgeschillen en etnische problemen. Er leven daar nog allerlei agendapunten die in West-Europa allang zijn afgehandeld.”
Vraag is wat al die verschillende partijen in het Europees Parlement gaan doen. Blijven ze vrije radicalen of weet iemand die krachten te bundelen? In het verleden is zoiets nooit gelukt, daarvoor liepen de meningen te veel uiteen. Maar vorming van een fractie, waarvoor 25 zetels en zeven nationaliteiten nodig zijn, heeft financiële en praktische voordelen, zoals meer spreektijd.

AEX: 338,65 





