Leven op het Tibetaanse Plateau
Xining is de hoofdstad van de provincie Qinghai in de Tibetaanse grensstreek. Het ligt op het Tibetaanse plateau op 2000 meter boven zeeniveau.
Met zijn 1,9 miljoen inwoners is Xining een doorsnee provinciestad. Toch heeft het een lange historie. Het ontstond in de zestiende eeuw als militair steunpunt van de Chinese keizers en het ontwikkelde zich als een belangrijke handelspost.
Aan de overkant van mijn hotel staat een enorme winkel die nog het meest doet denken aan een drogisterij waar je thee en allerlei gedroogde kruiden kunt kopen. Maar ook als snoepjes verpakt gedroogd yakvlees en yakschedels die kunstig zijn bewerkt.
Zulke schedels zie je terug als ornament op stallen en boerderijen op het platteland. We zien ze ook op weg naar het Qinghaimeer,3600 meter hoog en op anderhalf uur rijden buiten de stad.
De weg gaat over een deel van het uitgestrekte Tibetaanse plateau omzoomd door stoffige heuvels en bergen. Een ijskoude, snijdende wind waait enorme stofwolken op waardoor alles en iedereen de kleur krijgt van het terracottaleger uit Xian.
Een kudde langharige geiten en yaks met een Tibetaanse herder, zijn hoofd gewikkeld in een dikke sjaal, steekt de weg over. Dit moet een van de meest barre plekken op de wereld zijn om te wonen. Het Qinghaimeer is het grootste zoutmeer ter wereld. Als we aankomen zien we één grote groezelige verstofte ijsvlakte. Ik vraag me af hoe mensen zulke barre winters en ongetwijfeld snikhete zomers overleven.
Op de terugweg kan ik het vragen als we de weg afrijden in de richting van een boerderij aan de rand van het meer. Afgaand op de veelkleurige zijden wimpels die aan lange palen als vlaggen op het erf wapperen, moet er een Tibetaanse familie wonen.
Als we wat bedremmeld binnenkomen zien we tot onze verrassing een stuk of acht in bordeauxrode pijen gehulde monniken in een zijvertrek zingend hun gebeden opzeggen.
In de boerderij woont een familie van achttien mensen. Ze hebben geiten, schapen en een paar yaks. Er is een rechthoekige uit baksteen opgetrokken kraal voor hun vee. De bodem is enkelhoog bedekt met stront en keutels waarmee de kachel wordt gestookt en sommige muren van het huis zijn afgepleisterd.
Op een van de muren zijn de huiden van drie jonge geitjes geplakt om te drogen.
Op het erf staat ook een bolvormige boeddhistische oven die altijd brandt op yakboter en geurige takken. Er stijgt rook uit op met een geur die je ook in alle tempels ruikt.
Een van de monniken is een zoon van de boer. Boven het huisaltaar in het hoofdvertrek hangt een foto van de Daila Lama.“Soms krijgen we bezoek van de politie uit de stad; dan halen we het weg. We zien bezoek van ver aankomen,” lacht hij.




