Jaaroverzicht NRC Boeken: Lof van de antiporno

article1_1

In 2013 was het gedaan met de literaire porno, sterker nog 2013 gaat de boeken in als het jaar van de hardcore. Vergeten klassiekers vonden hun weg. De ene onmodieuze auteur na de andere kreeg opeens een schare aan lezers.

Heel soms kom je ze nog tegen: de verhalen over een jonge vrouw die een nieuwe baan krijgt. Een nieuwe baan en een nieuwe baas. En wat voor een baas! De man heet Michael Durfal – we weten wat voor vlees we in de kuip hebben – en onze heldin wordt mee gesleurd in van alles, inclusief pijnlijke hulpstukken en een triootje met de hoogblonde collega om het af te maken. Pulpporno: ook eind 2013 wordt het nog geschreven en afgedrukt. Maar in de bestsellerlijsten zie je ze niet meer. Een jaar lang waren de Vijftig tinten grijs niet aan te slepen, vorige week kon je ze voor vijf euro meegraaien bij voorheen De Slegte in Amsterdam. Ze waren niet eens tweedehands.

Het gebeurde ergens na de zomer: het Nederlandse lezerslibido kromp als een ballon die twee dagen in de volle zon heeft gelegen, tot een amechtig verschrompeld zakje. En het straatbeeld veranderde mee. In de bushokjes verrees plotseling iemand die we van vroeger kenden: een vrouw in mannenkostuum, streng gekapt en hoog-ernstig. Een enkele geperverteerde lezer dacht misschien dat er in Donna Tartt een wrede meesteres schuilging die achter haar rug een zweep verborg, maar niets bleek minder waar, toen Het puttertje met een daverende klap landde in de Nederlandse boekwinkel.

Van de lichte lusten naar de eindeloze, compromisloos op het hoofd gerichte zinnen van Donna Tartt: ‘Hij leek een jaar of vijftig, zestig, was slecht geschoren en had een verlegen, prettig gezicht met forse trekken, knap noch lelijk – een man die altijd groter zou zijn dan de meeste andere in een kamer, hoewel hij er op een klamme, onbestemde manier ongezond uitzag, ogen met donkere kringen en een bleekheid die me deed denken aan de gemartelde jezuïeten op muurschilderingen in een kerk die ik gezien had op ons schoolreisje naar Montréal: grote, krachtige doodsbleke Europeanen, aan staken gebonden in het kamp van de Huronen.’

Nee, de tijd van de porno was voorbij. Dit was hardcore anti-porno. Waarmee niet gezegd is dat met Het puttertje dadelijk de grootse literatuur zijn rechtmatige plaats in de boekhandel terugkreeg. Vijftig tinten grijs was niet helemaal mijn soort porno, Het puttertje is niet helemaal mijn soort literatuur. Een boek kan ook té literair zijn vormgegeven. Bij Het puttertje was de overdaad aan stijl en stijlmiddelen zo verstikkend dat het boek en zijn personages me aan het eind van de rit koud lieten. Dan liever het schilderijtje.

Blije lezers

Het bombardement aan media-aandacht (de negatieve recensie van Rob van Essen in deze krant leverde hem zelfs een televisieoptreden op) stuwde Het puttertje dadelijk op naar de eerste plaats van de Bestseller 60. Voor even, want het boek van het jaar werd het toch niet. Al na één week verdween Tartts anti-porno in de rangorde achter een heel ander boek, een al ouder boek dat zijn pijlen richtte op een andere motor van menselijk genot: zijn boterhammen. Het succes van De voedselzandloper van de Vlaamse broodvijand Kris Verburgh maakte dat de auteur zelfs verantwoordelijk werd gehouden voor de teruggang van de bakkersstand in Nederland. (Wie durft nog te beweren dat het maatschappelijk belang van boeken afneemt? )

Echt ver vloog Het puttertje dus niet. De grote omwenteling had toch al eerder plaatsgevonden. Het moment van de literary turn viel in het voorjaar, met de doorbraak van Stoner, het onderwijzersdrama uit 1965 van de vergeten John Williams (1922-1994). ‘In een notendop klinkt Stoner als niets bijzonders’ schreef Auke Hulst bij verschijning, ‘en dat verklaart mogelijk waarom het boek lang ongezien is gebleven. Maar vergis u niet. Het is het leven. Niets meer, niets minder.’ Hij was niet de enige die diep onder de indruk was. Alsof de lezers in het voorjaar collectief een statement wilden maken, lieten ze alle doorgemarketeerde ‘toptitels’ voor wat ze waren en begonnen ze collectief Stoner te lezen. En daarna zelfs de opvolger Butcher’s crossing (een bisonjagersdrama nota bene). Het was mooi, maar vreemd: alsof de Amerikanen over vijftig jaar ineens Jan van Aken op het hoogste literaire schild hijsen – ze zouden een slechtere kunnen kiezen, maar dat terzijde.

Het succes van Stoner was ouderwets: het staat voor méér dan een lezersgilde dat zich warmt in de gloed van de gezamenlijke herontdekking. Het symboliseert het verlangen om weer gewoon een boek te lezen, ik cursiveer het maar even, zonder op de hielen gezeten te worden door veel te grote hoofden op bushokjes, talkshows en zeventien doodgeregisseerde identieke interviews.

Stoner kwam niet alleen. Zijn succes werd gevolgd door de ene onmodieuze auteur na de andere: de oude Amerikaan James Salter werd eindelijk in de armen gesloten, de Canadese verhalenschrijfster Alice Munro bleek na haar Nobelprijs ineens ook te verkopen. En toen iedereen dacht dat het werkelijk niet vreemder meer kon worden, verscheen honderd jaar na zijn geboorte de oude Simon Carmiggelt tussen de bestsellers (nu ja, hij haalde de 11de plaats van de Top 60).

Blije lezers, maar bij de grote uitgeefhuizen brak de gierende paniek uit: de marketingbudgetten voor de grote sterren moesten razendsnel worden afgeschreven: de derde Bridget Jones sukkelde in de middenmoot, maar was daarbij nog een positieve uitzondering. De verkopen van Baldacci, Grisham en Stephen King stelden teleur, alleen Dan Brown hield zijn Inferno brandende. Aan het eind van de zomer las ik dat Tatiana – ‘Haar naam was Sarah’ – de Rosnay in Nederland was voor de promotie van haar nieuwe roman Onvoltooid verhaal. Ik sprak nog niemand die het boek daadwerkelijk had gelezen.

Rare jongens dus, die lezers. De kloof tussen uitgeefbeleid en het lezersgedrag leek met de week groter te worden. Terwijl uitgevers er juist steeds meer op inzetten om minder titels méér aandacht te geven: en aandacht is hier meestal geld dat wordt aangewend om publiciteit te genereren. Goede verkopen garanderen die tactiek niet meer. Welbeschouwd is het pornodenken – dat genre drijft immers op voorspelbaarheid. (Dat hebben we natuurlijk niet zelf gezien, maar gelezen in het klassieke essay Denken is een lust van P.C Hooftprijswinnaar Willem Jan Otten.)

Een hoog marketingbudget garandeert steeds minder eenvoudig goede verkopen: de Nederlandse lezers kiezen doodgemoedereerd hun eigen hypes. Dus was De Boerenoorlog van Martin Bossenbroek ineens een bestseller – nog vóór de dood van Nelson Mandela.

Voor de buitenwereld is het geestig, maar voor de uitgevers komt de wispelturigheid van de lezers op een ongelukkig moment. De verder dalende boekenverkoop maakt dat controle over inkomsten en uitgaven dringender is dan ooit. Dus vullen de aanbiedingsfolders zich met boeken waar je ver van tevoren al aan ziet wat er interessant aan is: het persoonlijke drama (Isa Hoes over Antonie Kamerling), de bekende sporter (Benali over Badr Hari), het eeuwig opzienbarende onderwerp (de Tweede Wereldoorlog) of het jubileumdingetje (de Eerste Wereldoorlog).

Aardig detail: de ter ere van het 200-jarig jubileum van de Staat der Nederlanden gepubliceerde ‘koningsbiografieën’ over Willem I, II en III gingen gepaard met een overzicht van belangrijke nieuwswaardigheden uit die boeken. Dat maakt het de recensenten makkelijk, maar verraadt ook een zekere controlezucht. Uitgerekend die drie staatshistorische boeken bleken weer minder anti-pornografisch dan gedacht: we weten nu dat we de democratie danken aan de liberalen die de koning chanteerden met zijn homoseksualiteit.

Niet alleen de non-fictie wordt bepaald door de actuele agenda, ook romanciers zijn de tijd van solipsistische onthechtheid allang voorbij. Zo bewaarde de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans dertig jaar het schriftje met loopgraafaantekeningen van zijn grootvader, legt hij uit in het begin van zijn roman Oorlog en terpentijn met een zin die Donna Tartt in anti-pornografische lengte naar de kroon steekt. ‘Maar de jaren gleden voorbij, en de dagen naderden waarin er, omwille van de onvermijdelijke honderdjarige herdenking van het rampjaar 1914, een stortvloed aan boeken zou gaan verschijnen die aan de schier onoverzichtelijke berg reeds bestaand historisch materiaal nog een dam van boeken zou toevoegen, boeken even talloos als de zandzakken in de IJzervlakte, ijverig gedocumenteerde, historische, verzonnen romans en verhalen, terwijl ik, die over het privilege van zijn memoires beschikte, deze schriften angstvallig gesloten hield, zelfs de eerste bladzijde niet op durfde slaan, wetend dat dit mijn afrekening zou worden met een stuk van mijn eigen kinderjaren, een verhaal dat, als ik er geen spoed achter zette, zou verschijnen op het ogenblik dat de lezer zich geeuwend zou afkeren van weer een boek over die vervloekte Groote Oorlog.’

Literaire Messias

In bondiger Nederlands: Hertmans wilde er snel bij zijn om een graantje mee te pikken van de komende oorlogsherdenkingen.

Zo ver is het dus gekomen, denk je dan. De criticus slijpt zijn messen. Stefan Hertmans, een van de ernstigste en intellectueelste – en beste – schrijvers van Vlaanderen sluit zich aan bij de rijen der gelegenheidsschrijvers over historische jubilea. Weer een onafhankelijk auteur verloren. Tot je het boek leest. Want het werk van goede schrijvers is even onvoorspelbaar als de nukken van de Nederlandse lezer. Hertmans maakte naar aanleiding van het dagboek van zijn grootvader niet het zoveelste toonbeeld van overzichtelijke, gevoelige familieverhaal-uit-de-oorlog onder de noemer ‘literaire non-fictie’. Hij haalde veel méér overhoop en schreef een prachtige roman die over veel méér gaat dan de Eerste Wereldoorlog, maar die ook het verhaal is van een schilder wier ‘grote passie lag in boomkruinen, wolken en geplooide stoffen’ – de blik afgewend van de bodem van de loopgraven, inderdaad. Een liefdesverhaal ook, en een boek over de magie van de schilderkunst. Waarbij het geruststellende is dat Oorlog en terpentijn ondanks de aanzwellende boekenstroom over ‘die vervloekte Groote Oorlog’ vooral een roman van Stefan Hertmans is. En een titel die in alle stilte tot een bescheiden bestseller is uitgegroeid. Nog geen Stoner, maar dat kan nog komen.

In wat waarschijnlijk het mooiste boek van het jaar is, de door Froukje Slofstra in de Russische Bibliotheek vertaalde Verhalen van Isaac Babel staan enkele honderd jaar oude verhalen over het literaire klimaat. In het eerste zien we een hele rij schrijflustigen in de rij voor een tijdschriftredacteur – ze krijgen geen poot bij hem aan de grond, althans niet literair. De jonge dichteres ontlokt hem maar één gedachte: ‘Dat lichaam kreeg hij wel’. Een man die nog in pornotermen denkt, een man van 2012: het jaar van het plofboek, waarin een zielloos concept met eindeloos veel lucht werd opgepompt tot het haast een echt boek leek.

Even verderop in Babel staat ‘Odessa’, wat begint met de mededeling: ‘Odessa is een heel afschuwelijke stad. Dat is algemeen bekend.’ Maar het eindigt zo: ‘Mensen voelen dat het tijd is voor nieuw bloed. Ze krijgen het benauwd. De literaire Messias, op wie ze al zo lang en vergeefs wachten, zal daarvandaan komen: uit de zonnige steppen, omspoeld door de zee.’

De literaire Messias – dat kan geen mens lezen zonder ironische hoofd- of bijgedachten, maar waarom eigenlijk? Want op het plofboekjaar volgde het jaar van de anti-porno, waarin schrijvers niet meer in de rij staan voor de vertegenwoordigers van de boekenindustrie, maar de rollen weer zijn omgedraaid.

Schrijvers en publiek hebben elkaar gevonden in een onvoorspelbaarheid waar geen marketingplan tegenop kan. Ze rennen over de steppen, de industrie in verwarring achterlatend. Dat is een bevrijding voor iedereen.

Geplaatst in:
Nieuws
Lees meer over:
Antonie Kamerling
Badr Hari
Bridget Jones
Dan Brown
De Boerenoorlog
Donna Tartt
Froukje Slofstra
Isa Hoes
Jan van Aken
John Williams
Martin Bossenbroek
Russische Bibliotheek
Simon Carmiggelt
Stefan Hertmans
Stephen King
Willem Jan Otten

1 reactie op 'Jaaroverzicht NRC Boeken: Lof van de antiporno'

dirk

het is met literatuur al net als met culinaria, net ben je gewend aan de wok, is het ineens sumo waar iedereen heen gaat en gegeten wil hebben, ben je gewend aan venkel, veldsla, sashimi of rucola, moet het ineens van de tv kok weer naar oud hollands draadjesvlees van een koetje uit de buurt, lijkt me voor de mensen die willen investeren in een formule of etablissement ook heel moeilijk allemaal, maar ja, wat wil, de recessie moet nog heel wat verder doorwerken voor hier enige verandering (retro-stabilisatie)in komt.

Meld als ongepast

Volg nrc.nl op en , lees onze dagelijkse nieuwsbrief