Marlou van Rhijn: 'Ik ga geen voetballiaans praten'
Marlou van Rhijn: 'Ook ik noem mijn gouden en zilveren medaille steeds ‘plak’. We doen er alles aan om het woord ‘medaille’ te vermijden, schrijft Cornelisse'
Wekelijks verklaart een sporter, schrijver, politicus of tv-persoonlijkheid in de Boekenbijlage van NRC Handelsblad de liefde aan een boek. Deze week, in de rubriek Boekdelen, winnares goud op de 200 meter sprint van de Paralympische Spelen Marlou van Rhijn over 'Taal is zeg maar echt mijn ding'.
‘Lezen doe ik om me te ontspannen. Als jong meisje las ik met veel plezier de Hoe overleef ik-reeks van Francine Oomen. Ter inspiratie ben ik zelfs eens begonnen aan een biografie van een zwemster die ook heeft meegedaan aan de Paralympische Spelen.
Heel leerzaam allemaal. Maar sport is nu eigenlijk het enige dat ik doe. En als student aan de Johan Cruijff University moet ik al veel studeren. Lekker op de bank genieten van een fijne film, een modetijdschrift of een prettig boek. Na een dag trainen doe ik dat het liefst.
,,Taal is zeg maar echt mijn ding is heel makkelijk te lezen. Ik kreeg het een tijdje geleden van mijn zus. Zij had het zelf gelezen en vond het echt iets voor mij. En inderdaad, de voorbeelden die Paulien Cornelisse geeft van ons soms gekke, dagelijkse taalgebruik, zijn erg grappig. En herkenbaar ook. Met name de sportpassages. Zo noemt Cornelisse het ‘mysterieus dat er sommige mensen zijn die ‘Olumpische Spelen’ zeggen, in plaats van ‘Olimpische Spelen’. En dat klopt. Dat hoor ik ook zo vaak! Cornelisse vraagt zich af waarom een kleine minderheid toch zo volhardt in die uitspraak. Horen ze het verschil echt niet?
,,Nu ik net terug ben uit Londen is het stukje over het woord ‘medaille’ extra herkenbaar. Het is totaal passé om dat woord nog te gebruiken. Cornelisse schrijft: ‘Het is nu ‘plak’ voor en ‘plak’ na. Of ‘het goud’. Of, als je Mart Smeets heet: ‘De dag van het edelmetaal’. De term van Mart Smeets herken ik niet echt, maar die eerste term wel. Ook ik noem mijn gouden en zilveren medaille steeds ‘plak’. We doen er alles aan om het woord ‘medaille’ te vermijden, schrijft Cornelisse. Grappig genoeg doe ik, zonder dat ik het weet, daar aan mee.
,,In aanloop naar de Paralympische Spelen ben ik heel erg bezig geweest met mijn eigen taalgebruik. Met hoe ik de media te woord dien te staan. Met mijn teamgenootjes, waarvan er een aantal een mediatraining heeft gekregen, heb ik daar veel over gesproken. Misschien dat de kijker er na die sprints op de 100 en 200 meter weinig van gemerkt heeft. Ik ben zelf nogal een flapuit, geloof ik. Ik was gewoon zo blij en opgelucht. Dat was in het interview met de NOS denk ik duidelijk te merken.
,,Taal en sport hebben duidelijk iets met elkaar. Cornelisse schrijft wat over voetbaltaal. ‘Voetballiaans’ noemt ze het. Ze vindt het maar ‘een vreemde en exotische taal.’ Een taal waarin het woordje ‘ik’ bijvoorbeeld niet voorkomt. Alles wordt verklaard met ‘je’ of ‘jij’. Inhoudelijk zeggen voetballers volgens Cornelisse vrij weinig. In een ontzettend grappig stukje schrijft ze: ‘Zoals je aan een doof persoon kunt horen dat de menselijke lach eigenlijk heel anders klinkt dan we hem doorgaans horen, zo kun je aan voetballers horen hoe taal zich had ontwikkeld als we er niet zo veel over hadden nagedacht.’ Ik ga maar geen ‘Voetballiaans’ praten. Ik zeg liever wat er echt door me heen gaat.
,,Ik word wel eens op straat door wildvreemden aangesproken over mijn taalgebruik. Blijkbaar praat ik bekakt. Dat komt door mijn ‘r’. Cornelisse schrijft nog iets daarover. Dat je de ‘r’ in Nederland op 22 manieren kunt uitspreken. Mijn bekakte ‘r’ heb ik me noodgedwongen aangeleerd. Ik kom uit Monnickendam en ben in Volendam naar school gegaan. Daar praten ze echt dialect. Voor de zekerheid ben ik ABN gaan leren. Nu ben ik daar blij om. Anders had ik in dat NOS-interview Volendams gesproken. Was ik echt onverstaanbaar geweest!
