De kiezer, om in sporttermen te blijven, staat nu weer buitenspel
D66 lijsttrekker Pechtold wordt ondervraagd tijdens het verkiezingsdebat in Carré/ Foto Michiel Wijnbergh
De verkiezingscampagne 2012 die vannacht tot een einde is gekomen bleek een voortzetting van de ‘sportzomer’ met andere spelers. En dus verschijnen er boeken en boekjes over de kwaliteit van de politiek. Bieden ze ook soelaas?
Naadloos is de sportzomer die in juni op televisie begon, overgegaan in de politieke nazomer met hetzelfde format van één late nightpraatprogramma op de publieke en één op de commerciële zender.
Politieke verslaggeving is verworden tot voetbalverslaggeving en politici gedragen zich ernaar. De klacht dateert al van decennia geleden. Toenmalig PvdA-fractievoorzitter Thijs Wöltgens schreef het scherp op in zijn in 1992 verschenen boekwerkje Lof van de politiek. Volgens hem was er sprake van een ‘epideiktische ziekte’ die de politiek reduceerde tot ‘permanente wedstrijd’ waarbij vorm boven de inhoud wordt geplaatst. ‘De performance acts worden aan uitgebreide beschouwingen onderworpen, wekelijks wordt de stand bijgehouden en van commentaar voorzien. Van lieverlede gaan politici weer reageren op de discussie over mise en scène, tactiek en vooral de ranglijst: staan zij hoog op de ranglijst dan bewijst dat de juistheid van hun aanpak, staan zij laag dan bewijst dat weer dat er nog veel te winnen valt. Hun taal vertoont frappante overeenkomsten met de uitspraken van de gemiddelde voetbalcoach.’
Getuige de campagne van de afgelopen weken hebben de waarschuwende woorden van de in 2008 overleden Wöltgens niets geholpen. Integendeel. Het is alleen maar erger geworden. Als waren zij voetballers, zo gaven de lijsttrekkers – zoals afgelopen dinsdag na het Carré-debat te zien was – voor de borden met de namen van de sponsors commentaar op het verloop van de ‘wedstrijd’.
Is daar iets tegen te doen? Elke vier jaar wordt gezegd dat de volgende Olympische Spelen soberder zullen worden, waarna vier jaar later blijkt dat het evenement weer uitbundiger uitpakt. Na elke verkiezing volgt de verzuchting dat de campagne niet in een nog groter circus moet ontaarden. Het resultaat? Nog meer circus.
Ondertussen groeit de industrie om de politiek mee. Als zaken geprofessionaliseerd dienen te worden zijn immers professionals nodig, nietwaar? Dus buitelen de opiniepeilers over elkaar heen, net als de analisten en debatdeskundigen. Die laatsten winnen aan invloed, want het debat bepaalt het verloop van de campagne, zoals de afgelopen weken te zien was. Het herstel van de PvdA in de onvermijdelijke peilingen ten opzichte van de eerdere net zo onvermijdelijke peilingen wordt toegeschreven aan het sterke optreden van lijsttrekker Diederik Samsom in de eerste debatten. De tegenovergestelde beweging bij de SP wordt eveneens verklaard uit de debatten. Niet dat heel Nederland er naar kijkt, integendeel, maar de recensies van de debatten en het uitroepen van winnaars en verliezers brengt een invloedrijke dynamiek op gang. Een stem op een winnaar is gevoelsmatig nu eenmaal effectiever dan op een verliezer.
Dus ontstaat er debat over het debat. Wat is een goed politiek debat? Er zijn debatten en debatshows. Tragisch dieptepunt blijft het RTL-verkiezingsdebat in 2002 waar de lijsttrekkers mochten optreden als ‘pauzenummer’ in de finale van Henny Huismans Soundmixshow. Zo erg is het daarna nooit meer geworden, maar de ‘leukfactor’ blijft nog altijd aanwezig. Maar een aantrekkelijk debat is nog geen goed debat, waarschuwt Roderik van Grieken, oprichter van het sinds 1998 bestaande Nederlands Debat Instituut, in zijn boek Een feest van de democratie.
Een goed debat geeft inzicht in de opvattingen van politici en markeert de verschillen. Het veelvormige Nederlandse partijenstelsel met per definitie veel debatdeelnemers werkt niet mee aan de gewenste inzichtelijkheid. Wat dat betreft zijn de debatten in de Verenigde Staten of Frankrijk met slechts waar twee presidentskandidaten aanzienlijk eenvoudiger. De oplossing is het opdelen in groepjes, maar ook dat is nog geen garantie voor een goed debat, toont Van Grieken aan.
Als bedenker van het door RTL uitgezonden ‘Carré debat’ tussen de lijsttrekkers dat twee jaar geleden voor het eerst werd georganiseerd, beschikt hij over nuttige informatie van binnenuit. Kenmerk van het Carré-debat is dat aan de hand van stellingen in groepjes wordt gedebatteerd. Afgelopen dinsdag luidde net als twee jaar terug één van de stellingen: ‘Patiënten moeten meer zelf betalen aan zorg’. Dit lijkt een eenvoudige zin, maar de commissie van vier politiek specialisten en twee debatdeskundigen had er in 2010 in totaal vijf vergaderingen voor nodig om tot de exacte formulering, zonder vluchtwegen, te komen.
Van Griekens boekje gaat nadrukkelijk over de organisatie van debatten en niet over het debatteren zelf. Voor politici heeft Van Grieken slechts de waarschuwing dat de meesten van hen het debat nog altijd onderschatten. Ze durven er nauwelijks voor uit te komen dat ze oefenen. Waarom die verkramptheid vraagt hij zich af. ‘Een voetballer schaamt zich er toch ook niet voor dat hij iedere dag traint?’
Eerlijk zijn, jezelf zijn. Dat is ook de boodschap van de journalisten Kustaw Bessems en Dirk Jacob Nieuwboer in Doe eens normaal man waarin zij zeven stappen beschrijven om tot ‘een betere politiek’ te komen. Dit veronderstelt dat er nu sprake is van een slechte politiek. Maar wat is slecht? Inderdaad, politici doen vaak alsof er maar één waarheid is, ze praten nogal eens wollig of gek (‘we gaan het proces aan de vork prikken’) en ze omzeilen vaak antwoorden op gestelde vragen. Maar zijn die door Bessems en Nieuwboer gesignaleerde tekortkomingen niet inherent aan het vak ? Een politicus die ‘normaal’ doet – hun lichtend voorbeeld is Pim Fortuyn – redt het misschien tot de verkiezingen. Maar hoe gaat het daarna, als er onderhandeld moet worden, als stevige standpunten moeten worden verlaten, als vervelende maatregelen moeten worden aangekondigd? Altijd zal de vraag blijven hoe Pim Fortuyn het er vanaf gebracht zou hebben als hij niet was vermoord en verantwoordelijkheid had moeten nemen.
Natuurlijk is het beter als politici zich niet laten ringeloren door het in de journalistiek oprukkende sportformat en bijvoorbeeld toegeven dat een compromis een compromis is: niet de ideale oplossing, maar ook niet per se een verlies. Maar met alleen zichzelf blijven zal een politicus die ook iets wil bereiken, niet veel verder komen. De oproep van Bessems en en Nieuwboer krijgt zodoende iets van de dominee die zijn volgelingen ’s zondags vraagt om toch vooral goed mens te zijn.
De ideale wereld schetsen; het kan nog een paar dagen totdat de kiezer volgende week woensdag aan de beurt is. In de meeste democratische landen kan vervolgens een nieuw kabinet snel aan de slag. Niet in Nederland. Daar gaat het echte werk pas na de verkiezingen beginnen met het ragfijne spel dat kabinetsformatie heet. De kiezers hebben gestemd; de politici gaan kiezen. Dat het lang zal duren, in elk geval veel langer dan de verkiezingscampagne, staat vast, de gemiddelde duur van de naoorlogse kabinetsformaties bedroeg 72 dagen. De stelregel luidt: hoe duidelijker de verkiezingsuitslag, hoe sneller de formatie. Met het huidige versplinterde partijlandschap is die duidelijkheid ver te zoeken.
Maar hoe moet het? De kabinetsformatie in 50 stappen is de alleszeggende titel van het boek van de parlementaire historici Carla van Baalen en Alexander van Kessel. Het is een handboek waarin elke fase van de formatie – van de ambtelijke voorbereiding ruim voor de verkiezingen tot en met het debat in de Tweede Kamer over de regeringsverklaring met het nieuw gevormde kabinet – uitvoerig en met veel historische verwijzingen wordt beschreven. Zoals bijvoorbeeld een opgediepte dialoog uit 1963 tussen PvdA-fractievoorzitter Anne Vondeling en koningin Juliana over een mogelijke informateur. ‘Zijn er nog geen jonge frisse staatssecretarissen,’ vraagt zij nadat Vondeling een paar vertrouwde namen heeft opgesomd.
Het boek is bijzonder genoeg geschreven op verzoek van het ministerie van Algemene Zaken en de Raad van State. Hoewel het in het voorwoord van voormalig vice-president Tjeenk Willink van de Raad van State niet met zoveel woorden wordt gezegd, lijkt bij de opdrachtgevers de angst groot voor gebrek aan geheugen bij de huidige generatie politici. Dat gebrek zou bij een proces als de kabinetsformatie dat het in hoge mate van conventies moet hebben, een groot manco kunnen zijn. Schoolmeesterig schrijft Tjeenk Willink dat het boek duidelijk maakt dat de vijftig stappen één keten vormen waarvan niet zomaar een schakel kan worden vervangen. Met andere woorden: of de allemaal in de jaren zestig geboren politici die straks gaan formeren zich maar wel volledig aan de in de jaren vijftig ontstane, ongeschreven regels willen houden.
Maar juist dat lijkt niet te gebeuren, nu de Tweede Kamer dit voorjaar heeft besloten niet langer de koningin bij de formatie te betrekken. Het is niet meer het staatshoofd dat op basis van de adviezen van de fractievoorzitters een informateur aanwijst, maar de Tweede Kamer zelf, na een in de openbaarheid gevoerd debat. Jammer dat de auteurs dit belangrijke facet buiten beschouwing hebben gelaten. Overkomelijk is het wel, want na die vernieuwde start zal de formatie snel alsnog volgens de in het boek beschreven klassieke lijnen verlopen, waarbij eerst alles wat níet mogelijk is in kaart wordt gebracht (formeren is elimineren) en daarna stapje voor stapje de coalitiepartijen bij elkaar worden gebracht. Achter gesloten deuren, want compromissen sluiten gaat, anders dan de camera's willen, nu eenmaal niet goed in de openbaarheid – al zou het een verbetering zijn als na afloop wel verantwoording werd afgelegd, inclusief openbaarmaking van alle stukken.
En de kiezer? Die staat, om in sporttermen te blijven, na 12 september buitenspel en moet braaf afwachten wat uiteindelijk het werkelijke effect zal zijn van zijn stem.
Mark Kranenburg
