Eugen Ruge: ‘Mijn taal mag niet schitteren’
Eugen Ruge: ‘Veel publicaties van mijn vader zijn onjuist en tendentieus’ Foto Thomas Lohnes
In de succesvolle roman In tijden van afnemend licht beschrijft Eugen Ruge de neergang van de communistische utopie in de DDR aan de hand van zijn eigen familie. ‘Een schrijver moet over een grote dosis onbarmhartigheid beschikken.’
Eugen Ruges roman In tijden van afnemend licht begint bij twee Duitse communisten: Wilhelm Powileit en zijn vrouw Charlotte. Zeven jaar na de capitulatie van de nazi’s worden ze in 1952 uit hun Mexicaanse ballingschap naar het communistische deel van Duitsland, de DDR, teruggeroepen.
Uit haar eerste huwelijk heeft Charlotte twee zoons. Een van hen, Werner, is in de Sovjet-Unie verdwenen. De andere, Kurt, leeft nog, maar heeft jarenlang in een strafkamp in de Oeral gezeten, omdat hij in een brief het Stalin-Hitlerpact heeft gekritiseerd. In Rusland is hij getrouwd met de Russin Irina Petrovna. Samen hebben ze een zoon, Alexander. En hier komt Eugen Ruge zelf in beeld: het personage Alexander heeft hij naar zichzelf gemodelleerd.
Ruge werd in 1954 geboren in Sosva, in de Oeral. Net als Kurt in de roman was zijn vader, Wolfgang, in 1933 voor de nazi’s naar de Sovjet-Unie gevlucht, maar raakte daar van de regen in de drup: hij bracht vijftien jaar in de goelag door en na zijn vrijlating nog eens acht jaar onvrijwillig in het onherbergzame Kazachstan.
In 1956, na de politieke dooi die volgt op Stalins dood, keert Eugen met zijn vader en Russische moeder Taissja naar Duitsland, de DDR, terug. Hij gaat in Oost-Berlijn naar een eliteschool, studeert vervolgens aan de Humboldt Universiteit wiskunde en wordt wetenschappelijk medewerker aan het Zentralinstitut der Physik der Erde in Potsdam.
„Mijn vader werd in de DDR een gewaardeerd historicus,” zegt de schrijver in zijn huisje op het Oostzee-eiland Rügen. „Hij stond erop dat ik me zou bekwamen in een vak zonder ideologische implicaties. Dan hoefde ik niet voortdurend de tussenkomst van de partij te vrezen. Maar bij mijn schrijversambities heeft de wiskunde me niet geholpen. Wiskunde is stofloos, van het leven afgekeerd. Te lang heb ik mijn leven met abstracties doorgebracht.
„Ik groeide op in een tijdperk waarin schrijvers werden vereerd, ook in de DDR. Ik herinner me een anekdote uit mijn kindertijd. Toen mijn kleuteronderwijzeres op een dag naar het beroep van mijn vader vroeg, antwoordde ik dat hij hele dagen zat te tikken. ‘Schrijver!’ riep de onderwijzeres uit. Dat was pas echt bijzonder, al was mijn vader geen echte schrijver, maar een historicus. Ik streefde dus al naar erkenning als schrijver voor ik wist wat ik wilde schrijven. Maar ik heb er geen spijt van dat ik een laatbloeier ben. Op je twintigste heb je nog niet zo veel te vertellen, tenzij je Poesjkin of Lermontov heet.”
Abonnees kunnen het hele interview hier lezen.
